+ Meer informatie

Over de functie van de belijdenis *)

7 minuten leestijd

De kerk der Reformatie is van de aanvang af een kerk geweest, die stond voor haar belijdenis.

Een van de meest sprekende documenten is de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarnaar „de gelovigen, die in de Nederlanden overal verstrooid zijn, die naar de zuiverheid van het heilig evangelie van onze Here Jezus Christus begeren te leven”, wilden beoordeeld worden.

Zij verklaarden zich bereid om haar zo nodig met hun bloed te bezegelen.

Deze „ware christelijke belijdenis” was dan ook van fundamentele betekenis voor het leven der kerk.

Maar er werden ook al spoedig bezwaren tegen ingebracht, bezwaren, die zich niet alleen richtten tegen de inhoud van het belijden der kerk, maar ook tegen de handhaving van de belijdenis als zodanig.

De Dopersen wilden niet weten van een bindende belijdenis.

Daardoor zou tekort gedaan worden aan de majesteit van de Heilige Schrift.

Alsof men niet genoeg had aan de Bijbel!

Verder waren belijdenisgeschriften volgens hen een belemmering voor de vrijheid van geweten.

Ook zou een belijdenis de verdeeldheid in de hand werken. Confessies zouden zoveel als banieren zijn, die men opheft om elkaar te bestrijden.

De Remonstranten beschouwden de belijdenis slechts als een baken in zee, dat beveiligen wil voor gevaren. Zij wensten de vrijheid te hebben om er op bepaalde punten van af te wijken. En ze moesten niets hebben van de zgn. formulierdwang. Deze bedenkingen tegen de functie van de belijdenis in de kerk komen telkens terug, en worden ook in deze tijd in allerlei toonaard herhaald.

Het is echter beslist onjuist als men het zo voorstelt, dat de kerk te maken zou hebben met twee van elkaar onafhankelijke instanties: Schrift en confessie, en dat het gezag van de belijdenis in mindering zou komen op dat van de Bijbel.

De belijdenis bedoelt in het minst geen afbreuk te doen aan de dominerende plaats, die het Woord in de kerk des Heren moet innemen. De confessie heeft een ondergeschikte functie.

Zij beroept zich voortdurend op de Schrift en wil daaraan getoetst worden. Wij stellen Schrift en belijdenis dus niet op één lijn, al noemen wij ze dikwijls in één adem. „Men mag cok gener mensen schriften” — daar valt de confessie zelf ondsr — „hoe heilig zij gewaest zijn, gelijkstellen met de goddelijke Schriften, noch de gewoonte met de waarheid Gods” (Ned. Geloofsbelijdenis, art. 7). Het Woord van God omvat veel en veel meer dan de belijdenis in kort bestek kan uitdrukken. De belijdenis is wel uit de Schrift geput, maar daarmee is de Schrift niet uitgeput (dr. A. A. van Ruler). Men kan niet met de leer van de confessie volstaan. Men moet met Gods Woord zelf bezig blijven.

De belijdenis helpt ons om de weg in de Bijbel te vinden. Maar als wij ons door haar laten leiden, ontdekken wij in de Schrift nog heel wat meer dan wij ververwachten. De Bijbel is oneindig veel rijker dan de belijdenis der kerk.

De Bijbel is ook veel directer dan de belijdenis. Daarin geeft de kerk de waarheid weer, zoals zij die heeft verstaan: het gaat om de leer der Heilige Schrift. Maar de boodschap van de Heilige Schrift zegt ons nog veel meer!

Daarmee geven wij echter niet toe, dat de belijdenis geen samenvatting kan zijn van wat de Bijbel zegt, al kan zij dat nooit adequaat weergeven: niet volmaakt en niet volledig.

Juist omdat zij aan de kerk gegeven is om haar bij Gods Woord te doen leven met verwerping van alles wat daarmee in strijd is, heeft zij een zeer belangrijke functie in het geheel van het kerkelijk leven.

De kerk heeft de belijdenis nodig!

Wanneer de belijdenis in de kerken functioneert, zoals het behoort, komt de persoonlijke overtuiging en de geestelijke vrijheid er niet door in het gedrang. Het Woord blijft de enige regel voor geloof en leven. Alleen aan de overeenstemming met Gods Woord ontleent een belijdenisgeschrift gezag. Dat is kerkelijk gezag, dat van geestelijke aard is en vrijwillig aanvaard wordt. Maar het moet naar de eis van de orde der kerk worden gehandhaafd.

De kerken van gereformeerde confessie zijn er daarom toe overgegaan om voor ambtsdragers ondertekening van de belijdenis verplicht te stellen.

Er was voor de kerken in ons vaderland al spoedig reden om waarborgen te vragen, dat haar dienaren het Woord zuiver zouden verkondigen.

Anderzijds zijn er ook waarborgen voor de ruimte en de vrijheid, die er in de kerk dienen te zijn (liberlas prophetandie, recht van gravamen tolerantie).

Toch komt het wel voor, dat men het in een kerk van gereformeerd karakter te benauwd vindt. Zou terwille van meer ruimte en mogelijk ook terwille van meer eenheid geen reductie van de belijdenis gewenst zijn?

Niet een aanvaarding van de belijdenis in geest en hoofdzaak — daar heeft de Ned. Herv. Kerk leergeld mee betaald — maar een beperking tot de hoofdzaken van het christelijk geloof, de „evangelische kernwaarheden” of hoe men het ook noemen wil.

Dit is een gedachte, die velen bekoort.

Maar wat men door een reductie van de belijdenis zou winnen aan ruimte, zou men verliezen aan gehalte!

De binding van de gereformeerde belijdenis gaat niet te ver. Wel lopen de kerken het gevaar om te veel te bepalen en te eng te binden, en m.i. zijn de Geref. Gemeenten in Nederland daar in 1931, en de Geref. Kerken in Nederland in de jaren 1942 en volgende niet aan ontkomen.

Tegen een belijdenis, die als norm in de kerk functioneert, brengt men voortdurend in, dat zij de verdeeldheid bevordert of althans de eenheid in de weg staat. Men mag echter niet voorbijzien, dat zij juist als formulier van enigheid is bedoeld.

Er zijn in de kerken allerlei verschillen waar te nemen. Er moet ook verscheidenheid kunnen zijn. Wij moeten kerkelijk één kunnen zijn zonder het in alles met elkaar eens te zijn.

De gemeenschappelijke belijdenis is dan een bewijs van onze saamhorigheid. Als er van de eenheid van de belijders bedroevend weinig te zien is, mogen wij daar de belijdenis niet de schuld van geven.

Zij getuigt ervan, dat wij de enigheid der kerk hebben te onderhouden (Ned. Geloofsbelijdenis, (art 28). Daartoe hebben wij ons te richten naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het enige Hoofd (art. 29). Zo nemen wij dan alleen aan, hetgeen dienstig is om eendracht en eenheid te voeden en te bewaren, en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods (art. 32).

Als gereformeerde christenen, die deze woorden voor hun rekening nemen, mogen wij ons daarom niet neerleggen bij de huidige verdeeldheid.

Intussen is het niet waar, dat er nergens zoveel onenigheid is als onder hen, die zich gereformeerd noemen — al of niet met toevoegingen.

Waar de belijdenis geen akkoord van kerkelijke gemeenschap meer is, omdat men geen bindende belijdenis accepteert, is het veel erger. Daar is de kerk een vrije tribune, waar ieder kan zeggen wat hij wil. Er ontstaat dan een hopeloze spraakverwarring!

Onze belijdenis verbindt ons dus aan elkaar. Binnen de gereformeerde gezindheid, die naar een woord van dr. J. G. Woelderink gekenmerkt wordt door de belijdenis, waarmee zij zich presenteert en waaruit zij leeft, bestaan allerlei verschillen. Maar wij kunnen elkaar aanspreken op de belijdenis, zolang wij ons alien daaraan begeren te houden.

Er kunnen diverse opvattingen zijn in de kerken van gereformeerde confessie, die nog niet legitiem gereformeerd zijn omdat zij daar ingang hebben gevonden. Want niet alles wat voor gereformeerd doorgaat, is in overeenstemming met de gereformeerde belijdenis en kan de toets van de Schrift doorstaan.

Er kunnen onder ons als Gereformeerden (synodaal en vrijgemaakt), Christelijke Gereformeerden, leden van de Geref. Gemeenten en van de Geref. Bond leerverschillen voorkomen. Wanneer dat ingrijpende verschillen zijn, kunnen wij niet zonder meer verklaren, dat wij één zijn in belijden, al hebben wij dezelfde belijdenis. Wel is het duidelijk. dat wij elkaar niet mogen loslaten. ook niet wanneer er tegenstellingen en conflicten zijn. Wij zullen ons in geen geval in kerkelijke zelfgenoegzaamheid mogen isoleren, maar hebben ons ook in dat geval tegenover elkaar te verantwoorden. Anders worden wij onmiddellijk bedreigd door het sectarisme!

De belijdenis is inderdaad een banier! Het is dan ook zaak om ons gemeenschappelijk om deze banier te scharen.

Dan zullen wij ook bereid zijn om gemeenschap te oefenen met alle ware gereformeerde lidmaten, en ons te verenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering (Acte van Afscheiding).

* Gedeelte van een referaat, gehouden op de vergadering van het Gereformeerd Convent op 17 mei 1962.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.