+ Meer informatie

Het karakter van de belijdenis des geloofs (II)

9 minuten leestijd

De opvatting van Bucer

Martin Bucer is een vooraanstaande figuur uit de eeuw van de Reformatie, die wel niet op één lijn te stellen is met Luther, Zwingli en Calvijn, maar die evenals Melanchthon en andere mannen van die generatie een werkzaam aandeel heeft gehad in de hervorming van de kerk.

Met de andere reformatoren verwierp hij het vormsel. Hij verving het echter door een kerkelijke plechtigheid, die in het Latijn dezelfde naam draagt: confirmatio.

Het IS interessant om te weten, hoe Bucer daartoe gekomen is.

Hij had contacten met de Boheemse Broeders, die een door handslag bezegelde belofte van trouw van de kinderen kenden, waarna door handoplegging hun doop met alle rechten en plichten bevestigd werd. Ook nam hij gedachten van Erasmus over, die een openbaar onderzoek als afsluiting van het catechetisch onderricht wenste. Dan moest gevraagd worden, of de kinderen de doopbeloften, die hun peten vroeger hadden gedaan, wilden bevestigen.

Bucer wilde wel in deze richting gaan, omdat hij zo de nadruk kon leggen op het persoonlijk geloof. Hij meende tegelijk sterker te staan tegenover hen, die de kinderdoop verwierpen, als hij erop kon wijzen, dat de doop alleen niet genoeg is en dat de gedoopte kinderen verplicht zijn om hun geloof in het midden van de gemeente te belijden.

Niet minder dan bij Calvijn draagt de belijdenis bij Bucer het karakter van geloofsbelijdenis. Het is een openlijke overgave aan Christus en Zijn kerk. De plechtige confirmatie was bij Bucer geen sacrament, maar de handoplegging heet wel een sacramentele ceremonie.

Martin Bucer heeft door zijn arbeid in Duitsland en Engeland de grondslag gelegd voor de confirmatie als kerkelijk gebruik, hoewel vooral in Duitsland piëtisme en rationalisme er mede toe hebben geleid, dat de „Konfirmation” algemeen aanvaard werd.

Gewoonlijk heeft deze plechtigheid reeds plaats als de kinderen dertien of veertien jaar zijn, maar in onze tijd brengt men hiertegen in, dat het dan nog moeilijk een geloofskeuze kan zijn. Men moet daar geen bepaalde leeftijd voor vaststellen.

Hoewel de invloed van Calvijn in de Nederlandse kerken veel groter is, en de geloofsbelijdenis hier van ouds een soberder vorm kreeg en niets had, dat ook maar enigszins aan een sacrament deed denken, zijn er toch ook elementen van de beschouwing van Bucer in opgenomen, zoals de beklemtoning van de volharding en van de onderwerping aan de kerkelijke tucht.

Kerkelijke bepalingen

In de voorlopige regelingen van het Convent van Wezel (1568) komt de belijdenis in verband met het heilig avondmaal ter sprake.

Niemand kan tot het avondmaal worden toegelaten, dan die eerst belijdenis van het geloof gedaan heeft en zich aan de kerkelijke tucht onderwerpt. Op de dag vóór de avondmaalsbediening wordt in het openbaar belijdenis gedaan. Men vroeg instemming met de leer van de gemeente, de belofte van volharding en onderwerping aan de christelijke vermaning (Synode van Dordrecht, 1578). Sinds de Synode van Middelburg (1581) geldt de bepaling, dat men niemand tot het avondmaal des Heren kan toelaten dan die naar de gewoonte van de kerk, waarbij hij zich voegt, belijdenis heeft gedaan van de gereformeerde religie en getuigenis heeft van een vrome wandel. De Dordtse Synode (1618-’19) bracht hier bij het vaststellen van de kerkorde geen verandering in aan.

Onze Christelijke Gereformeerde Kerken hebben dat evenmin gedaan. AUeen is de redactie in 1947 enigszins gewiJ2ugd: Niemand kan tot het Avondmaal des Heren worden toegelaten, dan die overeenkomstig de regeling van de plaatselijke Kerk belijdenis des geloofs heeft afgelegd en getuigenis heeft van een godvruchtige wandel, zonder welke ook zij, die uit andere Kerken komen, niet kunnen worden toegelaten (art. 61).

Hoe de kerk over belijdenis en avondmaal denkt, blijkt ook uit art. 59. Als er volwassenen door de doop bij de christelijke gemeente worden ingelijfd en tot lidmaten der gemeente worden aangenomen, moeten zij beloven het avond-maal te gebruiken. Als leden van de gemeente zijn zij daartoe gehouden.

In het formulier voor de doop van volwassenen dat van de Dordtse Synode afkomstig is, wordt dan ook uitdrukkelijk gevraagd: of gij belooft, dat gij in de gemeenschap dezer christelijke kerk, niet alleen in het gehoor des goddelijken Woords, maar ook in het gebruik des heiligen avondmaals, zult volharden.

Of dit standpunt in de praktijk geen moeilijkheden opleverde? Ook daar kunnen wij het een en ander over vinden.

Het is wel gebeurd, dat de overheid erop aandrong, dat volstaan zou worden met „de generale belydenisse des gheloofs by monde van de Kerkckendienaars”. Als de betrokkenen voldoende onderwijs hadden ontvangen en hun levenswandel geen ergernis gaf, moest men ze zonder verder onderzoek en zonder een persoonlijke belijdenis toelaten. Daar wilde de kerk echter niet van weten. De Synode van 1578 kreeg de kwestie te behandelen, hoe het moest met hen, die wel de Bijbel als Gods Woord erkenden, maar de gewone vragen niet wilden beantwoorden.

Men gaf op dit punt niet toe. De kerken moesten hun gewone wijze van belijdenis van het geloof vragen onderhouden, en ieder was schuldig rekenschap te geven van zijn geloof naar de leer van Petrus (bedoeld is 1 Petr. 3 : 15). Het gewone gebruik van de gemeente behoorde niet om enkele personen veranderd te worden.

Er waren er, die het aan ieders geweten overgelaten wilden zien, of hij al of niet zou deelnemen aan de avondmaalsviering — vooral de Remonstranten pleitten voor vrijheid — maar de kerk handhaafde haar regels.

Er blijkt echter wel een spanning te bestaan tussen het beginsel en de praktijk. Verschillende schrijvers klagen erover, dat het belijdenis afleggen een formaliteit wordt. Met name Lodenstein was er bezwaard over, dat men jonge mensen zomaar tot het avondmaal toeliet „ook al waren zij verstokter dan heidenen”. Een paar vraagjes uit een boekje te beantwoorden scheen voldoende te zijn.

Het getal belijdende leden nam toe, maar het gehalte liet veel te wensen over. De geloofsbelijdenis werd door velen een verklaring, dat zij de leer van de kerk voor waar hielden. Maar persoonlijk geloofi moest men niet vragen.

In de achttiende eeuw viel het accent meer op de belofte van een deugdzaam leven. Op de inhoud van de belijdenis kwam het minder aan.

Het toppunt van verwording van de geloofsbelijdenis wordt bereikt, als de „geest- en hoofdzaak-clausule” in de Nederlandse Hervormde Kerk tot de grootste willekeur leidt. Daar zijn sterke staaltjes van te vertellen …

Ergens in Nederland vroeg men:

Zweert gij aan uw geweten trouw?

Belooft gij goed te zijn?

Belooft gij als reinen te leven?

Welk een verantwoordelijke taak hebben de kerkeraden bij de toelating tot het heilig avondmaal en de kerkelijke vergaderingen bij het vaststellen van belijdenisvragen!

De vragen van Micron en Voetius

Welke vragen werden er vroeger gesteld?

Jarenlang zijn die van Micron gebruikt. Ze komen voor in zijn werk: „De Christlicke Ordinancien der Nederlantschen Ghemeinten … te Londen”, 1554 (de Nederlandse vluchtelingengemeente te Londen, die Marten Micron als predikant heeft gediend). Ze werden in de kerkboeken vóór het avondmaalsformulier afgedrukt.

Aan degene „die zich tot de gemeente wil begeven” wordt gevraagd:

1. of hij ten aanzien van de leer enige twijfel heeft;

2. of hij zich voorgenomen heeft om bij de voorzeide leer te blijven, de wereld te verzaken en een nieuw christelijk leven te leiden;

3. of hij zich gewillig aan de christelijke straf wil onderwerpen.

Daarop volgt dan een vermaning tot vrede, liefde, eendracht en verzoeningsgezindheid.

Voetius geeft in zijn „Politica Ecclesiastica” aan, hoe de gang van zaken in zijn tijd in Utrecht was.

In de regel werden vier vragen gesteld, die als de vragen van Voetius bekend staan, maar eigenlijk de Utrechtse vragen genoemd moesten worden, omdat het niet gezegd is dat Voetius ze heeft geformuleerd. Wel is het van betekenis, dat hij er zijn hartelijke instemming mee betuigt.

Ze luiden:

1. Verklaart gij, dat gij de leer onzer kerk, voorzover gij die geleerd, gehoord en beleden hebt, houdt voor de ware en zaligmakende leer, overeenkomende met de Heilige Schrift?

2. Belooft gij, dat gij door Gods genade in de belijdenis van die zaligmakende leer standvastig zult blijven en daarin leven en sterven?

3. Belooft gij, dat gij volgens deze heilige leer uw leven altijd godzalig, eerbaar en onstraffelijk zult aanstellen, en uw belijdenis met goede werken zult versieren?

4. Belooft gij, dat gij u wilt onderwerpen en onderdanig zult zijn aan de opwekkingen, bestraffingen en kerkelijke tucht, indien het kwam te gebeuren (hetwelk God verhoede) dat gij in leer of zeden u mocht te buiten gaan?

Het valt ons op, dat hier geen melding wordt gemaakt van doop en avondmaal. Hoe zou Voetius over het wezen van de belijdenis denken? Laten deze Utrechtse vragen de mogelijkheid van een „belijdenis der waarheid” open?

Dat laatste is zeker niet de bedoeling. Dat blijkt bv. uit de derde vraag. De belijdeniscatechisanten waren juist nog getoetst op hun kennis van de Heid. Catechismus, die van de goede werken zegt, dat ze een vrucht van de bekering zijn en uit een waar geloof voortkomen.

Bovendien spreekt de predikant na de beantwoording van de vragen een zegenbede uit, waarin gewag wordt gemaakt van het goede werk, dat God begon: Moge God, Die dit goede werk door Zijn genade begon en tot hiertoe voortzette, u hierin bevestigen en het meer en meer voltooien tot de dag van Christus. Wij weten uit de „Politica Ecclesiastica” ook wel, wat Voetius” eigen zienswijze was.

Hij beschrijft vooral twee aspecten van de belijdenis: de toelating tot de volle gemeenschap van de kerk en de toelating tot het heilig avondmaal. Voor beide acht hij een ernstig onderzoek voor de kerkeraad en een openlijke belijdenis nodig. Omdat de kerk de vergadering der gelovigen is, moet niemand in haar gemeenschap opgenomen en gehouden worden, die wij niet naar het oordeel der liefde beschouwen als een huisgenoot van God, een schaap van Christus en een, land van het koninkrijk.

Met deze „vragen van Voetius” heeft de kerk de reformatorische lijn dus beslist niet verlaten. Ook in het midden van de zeventiende eeuw werd geleerd, dat de openbare belijdenis een belijdenis van het geloof is.

Of het voor allen ook werkelijk een belijdenis des geloofs was en of deze vragen niet dikwijls met een oppervlakkig ja werden beantwoord, toen de kerk hoe langer hoe meer een volkskerk werd, is een tweede. Wij herinneren ons de klachten van Lodenstein!


In deze zomermaanden, waarin de meeste lezers en medewerkers hun vacanties genieten, gaat ook Ambtelijk Contact zoals gebruikelijk, een nummer overslaan. Daarom zullen in de maanden juni, juli en augustus 2 inplaats van 3 nummers verschijnen. U hebt op dit nummer even moeten wachten het volgende komt ook wat later dan gewoonlijk(waarschijnlijk in de eerste helft van augustus) daarna gaat alles met ingang van september weer normaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.