+ Meer informatie

De leerschool van het leven

Hulpprediker M. de Vos: "Ik kan niet begrijpen dat sommige predikanten naar de vut hunkeren

16 minuten leestijd

Tot z'n negentigste jaar ging hij geregeld voor. Als de onlangs uitgevoerde staaroperatie het gewenste resultaat heeft, hoopt hij de arbeid in Gods Koninkrijk weer voort te zetten. In de grijze dagen nog groen en fris. Over een opzienbarende bekering kan hij niet spreken. Geleidelijk werden zijn ogen geopend voor het borgwerk van Christus. „Het was als een gordijn dat langzaam opgetrokken werd." Even geleidelijk verliep zijn ontwikkeling van ethisch evangelist tot calvinistisch hulpprediker. Voorganger M. de Vos, een levend bewijs van

"In Schoondijke had ik een gereformeerd vriendje.Z'n vader was een vermogend man. Achter het huis was een grote tuin met een tuinhuis erin. Daar speelden we vaak kerkje. Dat vond ik prachtig. Als ze mij vroegen wat ik later moest worden, zei ik altijd: dominee of zendeling. Op een middag mocht ik dominee zijn. Ik gaf gezang 44 op: "Wij knielen voor Uw zetel neer". Niemand die het kende, dus ik leerde het hun. Nog zie ik de moeder van mijn vriendje binnenkomen. Een statige dame. „Martinus", zei ze ontsteld, „zingen juüie gezangen? Dat mag hier absoluut niet. Ga weg!" En ik kon gaan. Zo waren de gereformeerden in die tijd. Niet te vergelijken met de gereformeerden van nu. Toch moest vader er niet veel van hebben. Wij waren hervormd en dat was dè kerk. We mochten ook niet naar de gereformeerde school. Ik ben op de openbare school geweest.

Vanzelfsprekend
Vader was net als ik evangelist en later hulpprediker. De laatste 23 jaar heeft hij in Dinxperlo gestaan. Hij was een hoogstaand ethisch man. Streng in levensstijl ook. Toen ik later op de Veluwe kwam, heb ik wel eens tegen de mensen gezegd: „Juüie zijn nu van de Gereformeerde Bond, maar in de uitleving ging het bij ons thuis stipter toe da'n bij jullie." Drie keer daags werd uit de Bijbel gelezen. De zondagsrust werd strak gehandhaafd. Wij hoefden op zondag echt geen fiets aan te raken. Op ons gezin lag een stempel en dat wilde vader ook bij zijn mensen graag vinden. Maar over zonde en genade hoorde je niet. Nou ja, we waren allemaal zondaren, maar Christus was voor ons gestorven. Dat moest je aannemen en dan in Zijn voetstappen wandelen. Zo ben ik opgevoed. Je hoorde er voor je gevoel helemaal bij. Toen ik achttien was deed ik belijdenis. Ik denk er nog wel eens met leed aan. Je had catechisatie gedaan en dan was het heel vanzelfsprekend dat je belijdenis deed en aan het Avondmaal ging.

Verloren zoon
In Doetinchem ben ik op de kweek geweest. Die heb ik door ziekte niet af kunnen maken: de Spaanse griep, in het hoofd. Ik kreeg er ook nog pleuris bij, waardoor ik na de ziekenhuisopname een jaar heb moeten kuren. Daarna ben ik voor godsdienstonderwijzer gaan studeren, in Nijmegen. Ik kreeg privélessen van ds. Pijnakker Hordijk, die daar Waals predikant was, en dr. Smit uit Heumen. Mensen in de lijn van mijn vader. Het was meest thuisstudie. Eén keer per week ging ik een avond naar de ouderwetse pastorie van Pijnakker Hordijk. Het was een eerwaarde man. Een statig heer met een lange witte baard. Ik heb bijzonder prettige herinneringen aan hem. Aan dr. Smit trouwens ook. Na vier jaar moest ik voor de predikanten van de ring Nijmegen verschijnen, om examen te doen. Ik weet nog waar ik mijn proefpreek over hield. De verloren zoon. Wat zou ik het nu heel anders gedaan hebben. Om over die gelijkenis te kunnen preken moet je eerst zelf een verloren zoon geworden zijn he. En dat was ik niet.

Gezelschap
Door mijn vrouw ben ik tot andere gedachten gekomen. Ik heb haar leren kennen in het ziekenhuis, waar ze toen verpleegster was. Zij kwam uit een Amsterdamse familie waar veel volk van God in was. Al vroeg was ze haar ouders kwijt en ze werd door een oom in huis genomen. Een vermogend zakenman, die handel dreef op Indië. Een godvrezend man ook. En helemaal niet kerkistisch. Hij stelde zijn huis open voor het houden van gezelschap. Daar kwam allerlei gevogelte. Mensen van de Gereformeerde gemeenten, christelijk gereformeerd, hervormd... Alles wat Sion niet gram was. Ik denk wel eens: 'k wou dat ik dat nog eens mee kon maken. Ik hoorde daar een taal die ik niet verstond. In het milieu waarin ik was opgegroeid begon het bij Abraham. Maar die mensen begonnen bij Adam en zijn val. Wie de mens geworden is voor God. Dat hij een Borg nodig heeft voor zijn ziel. Het heeft God behaagd om dat onderwijs te heiligen aan mijn hart, waardoor er een grote ommekeer in mijn leven is gekomen. Die bracht een geestelijke scheiding tussen mijn vader en mij teweeg. Dat heeft me altijd erg gespeten.

Evangelist
Sommige mensen kunnen spreken van een plotselinge bekering. Zo is het in mijn leven niet gegaan. Ik zeg het wel 's zo: het was als een gordijn dat langzaam opgetrokken werd. Heel geleidelijk ging ik de dingen die ik bij mijn verloofde hoorde, beter verstaan. Die ontwikkeling is na ons huwelijk doorgegaan. M'n eerste preek als evangelist hield ik in Silvolde, waar een boezemvriend van mijn vader stond. Een > vaderlijke man. Ik was al wel zo veel veranderd dat ik aan het begin van de dienst de wet las. Dat was in ons miheu helemaal niet gebruikelijk. De Heere Jezus had de wet volbracht, dus daar hadden wij niet meer mee te maken. Vaders vriend was buitengewoon verontwaardigd toen hij het hoorde. Ik heb nooit meer een uitnodiging gehad. Een week nadat ik examen had gedaan werd ik benoemd tot evangelist van Luinjeberd. Men ging ervan uit dat ik in dezelfde lijn als mijn vader preekte. Dat heeft hen wel teleurgesteld. Ik preekte toen nog heel anders dan nu, maar ze hoorden al wel verschil met de prediking van anderen die daar kwamen.

Toestanden
Voor mijn vrouw was het een moeilijke weg. Ze kwam uit een gegoed milieu. Toen kwam ze met mij te trouwen en verhuisde naar zo'n plaatsje in Friesland. Ik was veel weg, zij zat avond aan avond alleen. Van Luinjeberd gingen we naar Barger Compascuum. Er stond daar een prachtige nieuwe kerk en een nieuwe pastorie. Gesticht met steun van de synode en de geestelijke opbouw van Drenthe. Maar verder was het niets dan hutten in het dorp. De grootste armoede. Er werd verschrikkelijk gedronken. Het gebeurde ook wel dat mannen met messen rond ons huis liepen. Niet omdat ze iets tegen ons hadden, maar in een soort delirium. De onkunde was er verschrikkelijk. Als ik nu aan m'n kleinkinderen wel eens iets vertel over het bijgeloof dat ik daar tegenkwam, kunnen ze het bijna niet geloven. Wat heeft mijn vrouw een offers gebracht. Dat zie ik nu nog veel beter dan toen. Uit een godvrezend milieu in zo'n toestand. Maar ze heeft zich nooit beklaagd. Ze heeft me ook nooit beïnvloed. Als ik ergens gevraagd werd, zei ze altijd: „Man, als jij maar weet dat de Heere je roept, ga ik wel mee." Haar hele leven getuigde van haar godsvreze. Toch had ze het voor zichzelf vaak moeilijk. Ze had er niet genoeg aan dat iedereen ervan overtuigd was dat ze de Heere kende. Ze zei altijd: Ik moet het zelf uit Zijn mond horen.

Vijandschap
Na verloop van tijd kreeg ik de predikant uit een naburig dorp tegen me, omdat nogal wat mensen van zijn gemeente bij mij naar de kerk kwamen. Ook in KoUum, waar ik in 1931 werd benoemd, was dat de oorzaak van alle problemen. Als een koning werd ik er binnengehaald, maar het liep op een grote vijandschap uit. Ik kreeg steeds meer inzicht in het Evangelie van vrije genade. Mocht daar ook zelfde kracht van ervaren. En de evangelisatie van Kollum groeide. Er kwamen op den duur wel zo'n 250 mensen. Deels uit de omgeving, omdat ze in hun eigen gemeente iets misten in de prediking. Dat zette bij verschillende predikanten kwaad bloed. Ook bij sommige mensen uit het bestuur. Het was niet mooi meer wat de mensen die van elders kwamen soms te horen kregen. Er was één man bij, een godvrezende man uit Westergeest, die zo vurig was dat ik meer dan eens heb gedacht: straks slaat hij erop los.

Donkere wolken
Ik heb in die tijd heel veel medeleven ondervonden van een oom van mijn vrouw, de christelijke gereformeerde ds. Van Brummen uit Driebergen. Een bijzondere man, van wie ik veel heb geleerd. Naar je vlees werd je het wel eens moe, altijd weer die tegenstand. Als ik werd benaderd vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken om over te komen, was de verleiding soms groot. Maar Van Brummen zei dan: „Jongen, blijf maar zitten waar je zit, want ik zie ook over onze kerk donkere wolken komen. Wacht maar hoe de Heere je weg leidt." Ik heb ook veel gehad aan de dogmatiek en de catechismusverklaring van ds. Kersten. Ontmoet heb ik hem nooit, maar voor wat hij schreef had ik grote achting. Kerkistisch ben ik nooit geweest en ik hoop het nooit te worden ook. Doordeweeks ging ik regelmatig naar de Christelijke gereformeerde kerk van Veenwouden. Dat werd me ook zo kwalijk genomen, maar ik heb het er niet om gelaten. Er was daar een ouderüng aan wie ik zulke aangename herinneringen heb. Een echte Fries. Een klein mannetje, maar groot in de genade. Als ik afscheid van hem nam, zei hij altijd: Zo man, ik wens je maar veel ontdekkende, ontledigende en armmakende genade toe. En dat is waar he. Dat heeft een mens zo nodig. Dat heb ik zelf mogen ondervinden.

Vriend en metgezel
Ik heb altijd graag bij anderen gekerkt. Nog steeds. Daar heb ik behoefte aan. Al ben je nou dominee of voorganger, dat betekent toch niet dat je het niet nodig hebt om onderwezen te worden en Gods Woord te horen? Ik kan me gewoon niet voorstellen dat je het hefst maar altijd zelf preekt en nooit eens naar een ander luistert. Natuurlijk komt het wel eens voor dat je denkt: dit zou ik anders gezegd hebben. Nou ja, dat is dan zo. Gisteren ben ik nog naar Steenenkamer geweest, naar een oud-gereformeerde dominee, 'k Ben z'n naam even kwijt, die doet er trouwens ook niet zo veel toe. Die man heeft kostelijk gesproken. Dan maakt het mij niet uit of hij hervormd of oud-gereformeerd is. Ik ben een vriend en metgezel van allen die Gods naam ootmoedig vrezen. Maar ik heb geleerd dat dat je niet altijd in dank wordt afgenomen.

Geschorst
Het werd me in Kollum steeds moeilijker gemaakt. Er zijn tal van vergaderingen geweest, ook met het hoofdbestuur van de Bond voor Evangelisatiën in en ten bate van de Nederlandse Hervormde Kerk. Ik vergeet nooit dat ds. Luuring op een keer met z'n vuist op tafel sloeg, zodat de kopjes ervan rinkelden. Hij brieste van woede. Die prediking van u zal ik tegenwerken zo lang ik kan, zei hij. Het is erop uitgelopen dat ik geschorst ben. Men erkende dat ik niet onschriftuurlijk preekte, maar ik moest weer gaan preken in de oude, ethische trant. Dat kon ik niet. Midden in de winter moesten we het huis uit, terwijl er een dik pak sneeuw lag. Dan zijn de barmhartigheden ook in de kerk niet groot. Een aanzienlijk deel van de leden en de bezoekers van de evangelisatie keurde de gang van zaken af en ging eigen samenkomsten beleggen in een werkplaats, die als kerkje werd ingericht. In het begin ben ik daar niet voorgegaan, uit angst voor nog meer problemen. Tot ik met kracht de woorden kreeg: „Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen." Toen viel alle mensenvrees van me af Ik ben daar gaan preken en er is een evangelisatie op gereformeerde grondslag gesticht. De oude evangelisatie viel al snel uit elkaar en is allang verdwenen.

Driedorp
Drie jaar heb ik nog in Kollum gestaan. Toen ben ik als hulpprediker naar Ede gegaan. In de oorlog. De volgende zondag werd Arnhem gebombardeerd. Een jaar of vijf heb ik daar gewerkt. Van Ede zijn we naar Capelle aan den IJssel gegaan, waar een grote evangelisatie was. Wat nu de Westerkerk is. In mijn tijd werd die evangelisatie een geïnstitueerde kerkelijke gemeente. Ik zou als hulpprediker bevestigd worden. Daarvoor had ik ds. Abma willen vragen, een goede kennis van me die destijds in Rotterdam stond. Maar de plaatselijke predikant stond erop dat hij me zou bevestigen. Als voorzitter van de kerkeraad had hij daar het recht toe, maar ik kon het voor m'n geweten niet toestaan. Het was een grove, onverschillige man, die zo vijandig tegenover de bevindelijke waarheid stond, dat hij soms zelfs Gods naam misbruikte als het erover ging. Het gevolg was dat ik voor de tweede keer ontslagen ben. Toen is er opnieuw erg aan me getrokken, ook door vrienden uit de Gereformeerde Gemeenten. Maar ik had toch nog zo'n hart voor de Hervormde Kerk, dat ik die niet durfde verlaten. De Heere heeft me bijzonder willen bemoedigen met de woorden: „In stilheid en vertrouwen zal uw sterkte zijn." Dat was zo klaar voor me, dat ik maar rustig heb afgewacht. Na drie maanden werd ik gevraagd voor een preekbeurt in Driedorp. Ik weet nog dat mijn vrouw en ik de kaart erbij gepakt hebben, om te kijken waar dat Driedorp lag. Kort daarop ben ik er beroepen.

Oase
Ik kreeg een sterke band met die mensen daar. De natuur is er ook zo mooi. Als het aan mij lag waren we er gebleven. Ik hield van die mensen en van de rust van het dorp. Het was een oase. In een stad zou ik nooit willen wezen, zei ik altijd. Laten er nu hoorders komen uit Haarlem, die me nog beriepen ook. Ik voelde er niks voor en heb bedankt. Wat dagen later sta ik buiten hout te hakken voor het fornuis. Daar t> kwam de Heere me tegen met die woorden: „Ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar." Het is een voorrecht als je mag weten dat de Heere je roept, maar toen kwam het me erg ongelegen. „Wat heb jij, je ziet zo bleek", vroeg m'n vrouw, toen ik binnenkwam. „We moeten naar Haarlem", heb ik gezegd. Negen en een half jaar zijn we daar geweest. Na Haarlem heb ik in Katwijk aan Zee bijstand verleend in het pastoraat. Eerst bij ds. Tukker. Een echte aristocraat, voor wie ik veel achting had. Maar de aangenaamste herinneringen heb ik nog aan ds. G. Boer. Een geleerd man. Een profeet, zou je bijna zeggen. Vraagbaak voor predikanten, studenten en gemeenteleden. Maar ondanks dat de eenvoud zelve. Ik heb nooit een predikant gehad met wie ik zo eigen was en die z'n innerlijk zo bloot durfde leggen. Als ik bij hem kwam schonk hij eerst een kopje thee in en vertelde dan waarover hij zondags gepreekt had. Dat was echt een leerschool voor me. Als ik z'n preken lees, hoor ik hem weer praten. De godsvreze straalde van hem af

Heiligmaking
Als ik vandaag om me heen kijk, wordt het me wel eens bang om het hart. Wat ik in mijn jeugd in het ethische milieu waar ik uitkom hoorde, hoor ik nu ook onder zogenaamde gereformeerde belijders in de Hervormde Kerk. Iedereen hoort erbij. Ik zeg wel eens: het lijkt wel of er geen onbekeerde mensen meer zijn. Niet dat ik iemand het genadeleven misgun. Ik wou dat iedereen genade kende. Maar dan echt genade. Het is mij nog altijd een wonder dat het me ten deel is gevallen. Dan begin je niet meer bij het verbond, maar bij de zondeval. Wie de mens geworden is in die diepe val. Dood in zonden en misdaden. Het komt vaak op me af dat ook ik dat vroeger niet heb gepreekt. Dan denk ik wel 's: kon ik het nog maar eens over doen. Wat heb ik de mensen weinig gewaarschuwd. En wat heb ik ze weinig de Christus verkondigd. Want die twee zaken gaan altijd samen. De Heere is vrijmachtig in het toebrengen van zondaren. Bij de een gaat dat plotseling, bij de ander geleidelijk. Maar we leren allemaal kennis krijgen aan die drie stukken: ellende, verlossing en dankbaarheid. Het loopt bij mij met die dankbaarheid wel heel slecht af Het leven van de heiligmaking. Wat moesten we de Heere niet vergelden voor zo veel weldadigheid en goedheid.

Geen kluizenaar
Een paar maanden terug heb ik voor het laatst gepreekt. In Wijk, bij Aalburg. Dat is voor mezelf niet meegevallen, door m'n ogen. Ik heb last van staar. Je ziet een grote mensenmassa, maar je kunt niets onderscheiden. Dat maakt je nerveus. Ik had nog twee beurten staan, maar die heb ik maar afgezegd. Toch hoop ik dat ik nog weer op de preekstoel mag komen, als de staaroperatie goed uitpakt. Ik doe het nog zo graag. Ik kan niet begrijpen dat er predikanten zijn die naar de vut hunkeren. Ik zeg wel eens: ik loop als een wonder van Gods goedheid en lankmoedigheid en verdraagzaamheid over de aarde. Ja, als je 91 bent en de Heere geeft je zo veel moed en lust om je werk te doen, dat mag je toch niet verachten? Van Jakob lees je dat hij oud en der dagen zat was. Dat kan ik niet zeggen. Als het zo ver komt dat ik niet meer kan, hoop ik dat de Heere me de genade geeft om zonder morren de staf neer te leggen. Maar nu heb ik nog een gevuld leven. Ik bezoek nog wat mensen, ik heb kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen. En zó veel vrienden. Ik zit hier echt niet als een kluizenaar.

Stervensgenade
Als ik op mezelf zie heb ik alle reden om tegen het einde op te zien. Er is geen gebod dat me niet beschuldigt. Een tijdlang heb ik een wettische prediking gehad. Dat krijg je, als je zelf geplaagd en geoordeeld wordt door die wet. Maar toen het de Heere heeft behaagd om mij de Christus te openbaren, is m'n prediking gewijzigd. Als ik op Hem mag zien, wordt alle vrees weggenomen. Hij is de vaste burcht van mijn vertrouwen. Mijn enige toevlucht. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Al waren ze als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw. Al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Daardoor alleen kan het. En dan nog heb je stervensgenade nodig. Die geeft de Heere niet voor de tijd. Die ontvang je pas als het zover is. Nu gaat het erom dat we kunnen zeggen: Ik blijf de Heere verwachten. Mijn ziel wacht ongestoord. Ik hoop in al mijn klachten. Op zijn onfeilbaar Woord. En dat mag ik gelukkig weten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.