+ Meer informatie

DE OUDERLING: OPZIENER, HERDER OF COöRDINATOR?

28 minuten leestijd

Er zijn tijden geweest dat de ouderling in kerk en theologie hoog stond aangeschreven. Uit de jaren dertig van de vorige eeuw stamt het befaamde woord van Noordmans: ‘Toen Calvijn op het bord de pion van de ouderling trok, zette hij daarmee de paus schaakmat’. Korte tijd later noemde Van Ruler de ouderling zelfs ‘de eigenlijke ambtsdrager midden tusschen diaken en predikant in’. Dergelijke verheven woorden zullen we vandaag niet zoveel meer tegenkomen. Integendeel, het ambt van ouderling lijkt vandaag op verschillende manieren aan erosie bloot te staan. Ik noem een aantal facetten waaruit dit blijkt.

1. De klassiek-gereformeerde ambtsleer is in discussie gekomen, waarbij de vraag wordt gesteld: ‘Dienen de ambten werkelijk tot opbouw van de gemeente, of verhindert de protestantse ambtsstructuur de bloei en groei van het gemeenteleven?’ Sommige critici pleiten ervoor dat de gemeenten in de toekomst geleid moeten worden door een team van specialisten. Daarin blijft voor de klassieke figuur van de ouderling mijns inziens eigenlijk geen plaats meer over.

2. Een ander punt is dat in onze tijd brede aandacht is voor de gemeente en de gaven die we in haar aantreffen. In dat verband wordt nogal eens benadrukt dat de pastorale zorg eigenlijk een opdracht is aan heel de gemeente. Men dient oog te hebben voor elkaar en onderling pastoraat te bedrijven. De taak van de ouderlingen bestaat dan eigenlijk hierin dat zij alle — pastorale en andere — activiteiten binnen de gemeente en binnen hun eigen wijk stimuleren en coördineren.

3. Ik noem een derde facet. De agenda’s van kerkenraden zijn de laatste tientallen jaren steeds voller geworden met dingen die niet rechtstreeks met de pastorale zorg voor gemeenteleden te maken hebben. Een groot aantal ingekomen stukken vraagt telkens weer de aandacht. In sommige gevallen wordt de kerkenraad geconfronteerd met ernstige spanningen in de gemeente die veel tijd en aandacht opeisen. Samensprekingen met andere plaatselijke kerken of het ontwikkelen van een plan voor gemeenteopbouw kunnen ook nogal wat beslag leggen op de tijd van kerkenraadsleden. En dan hebben we het nog niet over het feit dat sommige ouderlingen vanuit het bredere kerkelijke leven allerlei taken krijgen toevertrouwd. Is het in dergelijke gevallen niet volstrekt begrijpelijk, dat ouderlingen nauwelijks meer aan hun bezoekwerk toekomen en hoogstens nog een enkel gezin in hun wijk bezoeken waar bijzondere problemen zijn?

4. De laatste tijd komt het steeds vaker voor dat gemeenten een goed opgeleide pastorale of kerkelijke werker benoemen. Soms wordt deze verkozen en benoemd als ouderling, maar vaak ook niet. Een feit is wel dat deze werker in de praktijk een aantal taken verricht die van oudsher op het terrein van de ouderling en/of de predikant liggen. Dat plaatst ons voor vragen als: ‘Wat is de relatie van de kerkelijke werker tot de klassieke ambten binnen de kerk?’, en: ‘Moet in de toekomst het vrijwilligerswerk van de ouderling niet meer en meer worden toevertrouwd aan professionele krachten?’

5. Ik noem een laatste aspect. In een toenemend aantal gemeenten wordt het steeds moeilijker om kandidaten voor ouderling te vinden. Dat kán samenhangen met het feit dat de gemeente sterk vergrijst en dat er dus weinig mannen te vinden zijn die dit ambt kunnen bekleden. Het kan echter ook te maken hebben met het feit dat capabele en begaafde mannen aangeven geen ouderling te willen worden omdat zij andere prioriteiten stellen. Daarbij kan juist de pastorale component van het ouderlingschap de hindernis vormen: ‘Ik wil wel ouderling worden, maar geen bezoeken doen!’ Blijkbaar wordt het ambt van ouderling niet door iedereen als een ‘treffelijk werk’ (een voortreffelijke taak) gezien zoals de Schrift zegt (1 Tim. 3:1).

Wat moeten we van al deze trends denken? Reden genoeg om ons tijdens deze conferentie te bezinnen op de plaats en taak van de ouderling. Daarbij concentreer ik me vooral op de pastorale kanten van dit ambt. Ik doe dit door eerst in enkele houtskoolstrepen te schetsen wat de Bijbel over het ambt van oudste of ouderling zegt. Vervolgens gaan we na hoe met name Calvijn dit ambt heeft vorm gegeven. Het derde onderdeel zal het uitvoerigst zijn. Daarin zal ik in het licht van het voorafgaande laten zien hoe de pastorale zorg van de ouderling gestalte kan krijgen/moet krijgen in onze tijd. In de loop daarvan zal ik ook aangeven hoe we mijns inziens allerlei ontwikkelingen moeten waarderen die zich vandaag aftekenen en die ik zo-even heb geschetst.

1. DE OUDERLING IN DE BIJBEL

Nergens in het NT wordt gesproken over de instelling van het ambt van ouderling. In het boek Handelingen wordt over de oudsten van de gemeente van Jeruzalem gesproken als een ambt dat bekend was en dus geen nadere toelichting behoefde (Hand 11:30; Hand 15:2w.). De reden daarvan is dat de oudste in het oudtestamentische Israël en ook in het jodendom in de tijd van het NT een bekende verschijning was. Nu tekent zich in de loop der tijden een bepaalde ontwikkeling af in de functie die deze oudsten hadden. In de woestijntijd waren de oudsten van Israël representanten van een bepaalde stam die Mozes hielpen bij het leiding geven aan het volk en bij de rechtspraak. Als Israël het beloofde land in bezit heeft genomen komen we de oudsten vooral tegen als oudsten van een stad aan wie het bestuur is toevertrouwd. In het jodendom van na de ballingschap ontstaat het sanhedrin waartoe ook de oudsten behoorden. Het was hun taak om te zorgen voor orde en tucht in de Joodse gemeenschap. We zien dus dat het begrip oudste zich hier ontwikkelde van een meer politiek-juridisch naar een religieus geladen begrip, dat noties bevatte als ‘leiderschap’ en het handhaven van orde en tucht.

Het Nieuwe Testament

Deze gedachten blijken ook bepalend te zijn geweest voor het begrip ‘oudste’ in de nieuwtestamentische gemeente. Het NT gebruikt namelijk twee verschillende namen om dit ambt aan te duiden. Naast ‘oudste’ komt immers ook ‘opziener’ voor (vgl. vooral Hand. 20:17 met 28). Nu roept het woord ‘opziener’ zowel in het Grieks van het NT als ook in onze taal de gedachte op aan ‘leidinggeven’. Maar hoe moesten de ouderlingen in de nieuwtestamentische gemeente leidinggeven? Ik citeer twee belangrijke teksten die dit verduidelijken. De eerste is te vinden in Handelingen 20 waarin de toespraak van de apostel Paulus wordt weergegeven bij zijn afscheid van de ouderlingen van de gemeente van Efeze. Daarin zegt hij onder meer het volgende: ‘Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed (of: door het bloed van Zijn eigene)’ (vs 28). Een opziener of ouderling moet dus leidinggeven aan de gemeente op de manier waarop een herder zijn kudde leidt. De stijl van de herder — de pastor — bepaalt de manier waarop hij zijn ambtelijk werk doet. Een duidelijk verwante uitspraak vinden we in het begin van 1 Petrus 5. Daar schrijft de apostel: ‘De ouderlingen die onder u zijn, vermaan ik, die een medeouderling en getuige van het lijden van Christus ben, en deelachtig aan de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden: Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang maar gewillig; noch om vuil gewin, maar met een vol-vaardig gemoed; noch als heerschappij voerend over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde. En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen’ (vs. 1–4).

Profielschets

Uit deze teksten mogen we het volgende afleiden.

1. Christus is de opperherder van de kudde, zijn gemeente, die Hij zich verworven heeft door Zijn eigen bloed. Dat betekent dat de oudsten ‘slechts’ onderherders zijn die aan Hem verantwoording schuldig zijn hoe zij hun ambtswerk verrichten. Zij mogen met Gods gemeente niet eigenmachtig omgaan om er zelf beter van te worden. Als onderherders zijn zij dienend bezig.

2. Wanneer we de pastorale kerntaken belichten vanuit het bijbelse beeld van de herder, lichten de volgende aspecten op: de herder zorgt en verzorgt; de herder beschermt en vecht; De herder gaat voor en gaat met de kudde verder. ‘We leiden hieruit af de zorg/unctie, de bewarende functie en de leidinggevende functie van de herder’, schrijft Velema. Al deze functies zijn in de zojuist aangehaalde teksten terug te vinden.

3. Wat de zorgfunctie betreft kunnen we denken aan het weiden van de kudde. Om duidelijk te maken wat dat inhoudt citeer ik Versteeg: ‘Hoe een echte herder te werk gaat bij het weiden van de kudde wordt onnavolgbaar mooi beschreven in Ez. 34. Ezechiël moest de leiders van Israël in naam van de HERE voorhouden dat ze geen echte herders waren. Ze weidden de kudde niet, maar ze weidden zichzelf. De aanklacht luidde: “Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet; zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij’ (Ez. 34:3, 4). Uit deze negatieve bewoordingen blijkt tegelijk — positief — wat de roeping van een herder is bij het weiden van de kudde: het zwakke versterken, het zieke te genezen, het gewonde te verbinden, het afgedwaalde terug te halen, het verlorene te zoeken’. We kunnen het ook zo zeggen: het gaat bij het ‘weiden’ om betrokken aandacht en zorg voor allen en een ieder die met moeiten, vragen en aanvechtingen worstelen.

4. Bij de bewarende functie gaat het om het bewaren van de gemeente bij de zuivere leer en het verzet tegen allerlei vormen van dwaalleer (vgl. Hand 20:28w.!). Daarnaast mogen we ook denken aan het toezicht op het leven van de gemeenteleden. Hierbij horen noties als ‘vermanen’ en ‘waarschuwen’ ter sprake te komen

5. Tenslotte is er het geestelijk leidinggeven. We kunnen hierbij denken aan het voorgaan in de dienst des Woords, maar ook aan het ingaan op geloofs- en levensvragen in het licht van de Schriften.

Huisbezoek en voorbede

We moeten nog op een ander aspect van het werk van de ouderling volgens het NT wijzen. Dat is het feit dat de ouderlingen ook gewoon waren mensen thuis op te zoeken. In het slot van Handelingen 5 lezen we dat de apostelen niet ophielden om iedere dag ‘in de tempel en bij de huizen te leren en Jezus Christus te verkondigen’ (Hand. 5:42). Iets dergelijks zegt Paulus in zijn afscheidswoorden aan het adres van de ouderlingen van Efeze: hij heeft hen het Woord verkondigd en hen geleerd ‘in het openbaar en bij de huizen’ (Hand. 20:20). Nu zal ‘bij de huizen’ naar alle waarschijnlijkheid vooral slaan op bijeenkomsten van een huisgemeente. Maar het is ook heel goed mogelijk dat hier mede gedacht mag worden aan pastorale gesprekken voor of na de huisdienst. In elk geval was het al vroeg in de nieuwtestamentische kerk gebruikelijk om de ouderlingen te laten komen om voorbede te doen voor zieken. Dat is de allereerste betekenis van de bekende woorden uit Jakobus 5:14, waar gezegd wordt dat een zieke de ouderlingen moet laten komen om voor hem te bidden en hem te zalven met olie. Hoe men ook die laatste woorden uitlegt, het is duidelijk dat de meeste nadruk ligt op het feit dat de ouderlingen thuis met en voor de zieke bidden.

2. CALVIJN EN DE OUDERLING

Calvijns gedachten over het ouderlingschap hebben zich langzaam gevormd aan de hand van nauwgezette studie van de Schrift en gedachten die hij bij andere reformatoren — met name Bucer — tegenkwam. Zoals bekend, keerde Calvijn zich af van het Roomse ambtsdenken, waarbij het ambt ver boven het gewone kerkvolk kwam te staan. Ambtsdragers hadden in de kerk van Rome vanwege hun sacramentele wijding gezag, waarbij zij wél onderhorig waren aan de hoogste gezagsdrager van de kerk op aarde, de Paus. Tegenover deze ambtsleer stelde Calvijn dat de Schrift vier blijvende ambten kent: dat van predikant, doctor in de theologie, ouderling en diaken. Volgens de reformator is het ouderlingenambt het meest wezenlijke ambt. Dit ambt valt namelijk uiteen in het ambt van leerouderling enerzijds en dat van regeerouderling anderzijds. Onder de leerouderling verstaat hij de dienaren van het Woord en de doctoren in de theologie: zij houden zich immers bezig met het onderwijzen in de leer van de Schriften. De regeerouderlingen zijn te vergelijken met wat wij doorgaans kortweg ouderlingen noemen. Zij zijn belast met het toezicht op leer en leven van de gemeenteleden en de kerkelijke tucht. In zijn commentaar op 1 Tim. 5:17 zegt Calvijn het zo: ‘Daarom is het geoorloofd hieruit op te maken dat er in die tijd twee soorten ouderlingen waren, omdat niet allen in het ambt bevestigd werden om te onderwijzen. De woorden willen namelijk duidelijk zeggen dat er sommigen waren die goed en eervol regeerden, die toch niet de taak van leraars vervulden. En inderdaad, uit het volk werden ernstige en deugdelijke mensen gekozen die tezamen met de predikanten in gezamenlijk overleg en met gezamenlijk gezag de kerkelijke tucht toedienden en een soort rechters waren om de verkeerde gewoonten te corrigeren’. Betekent dat, dat de ouderling bij Calvijn meer een juridische dan een pastorale taak heeft? Dat zou een van de hardnekkigste vooroordelen over Calvijn in de kaart spelen: hij zou de reformatie in Genève vorm gegeven hebben als een kille jurist, die door zijn kerkelijke rechtbank de inwoners van Genève in een wettisch harnas dwong en alle levensvreugde doofde door de ouderling met het opgeheven vingertje…! Ik zou hierover drie opmerkingen willen maken.

1. Het is inderdaad waar dat de kerkelijke tucht voor Calvijn — en trouwens voor de hele Zwitserse reformatie — een uitermate belangrijk motief was. Daarbij moeten wij echter bedenken dat het hele complex wat wij aanduiden als ‘kerkelijke tucht’ voor mensen als Calvijn en Bucer een voluit pastoraal karakter droeg. Misschien kunnen we dat duidelijk maken door te wijzen op de oorspronkelijke betekenis van het woord ‘tucht’. Het is afgeleid van het Duitse woord ‘Buszzucht’. ‘Zucht’ komt van het werkwoord trekken, ‘ziehen’. Letterlijk betekent tucht dus ‘trekken (ziehen) tot bekering (Busze)’. Dat doet God allereerst door de prediking. Als we echter naar het gepredikte woord niet willen luisteren, dan is er nog een tweede middel. God zendt de ouderling met de ‘pastorale vermaning’ om ons te bewegen terug te keren naar het Woord van God en bij het Woord te blijven!

2. Bovendien moeten we bedenken dat Calvijn met de aanduidingen leer- en re-geerambt het onderscheid tussen de predikant en de ouderling wilde aangeven. Daardoor zouden we uit het oog kunnen verliezen dat deze ambten ook allerlei belangrijke onderlinge raakvlakken hebben. Die raakvlakken liggen vooral op het terrein van de pastorale attitude en de praktijk van de pastorale zorg. Ik zou de stelling willen verdedigen dat volgens Calvijn de predikant de pastor is die zich bezighoudt met prediking en pastoraat, terwijl de ouderling zich — samen met de predikant — bezighoudt met pastoraat en tucht.

3. Dat laatste wordt bijzonder onderstreept door het feit dat Calvijn de ouderlingen belastte met het huisbezoek. Zodoende is het van belang om iets breder in te gaan op de oorsprongen en achtergronden van deze typische calvijnse pastorale werkvorm bij uitstek.

Calvijn en het huisbezoek

De oorsprongen van het geregelde huisbezoek, zoals wij dat kennen in onze Nederlandse gereformeerde traditie, zijn namelijk te vinden in het Genève van Calvijn. Hoewel de reformator de noodzaak hiervan al vroeg bepleitte, werd het pas in 1550 officieel in de kerk van Genève ingevoerd. Naar de mening van Calvijn was dat rijkelijk laat. Waarom achtte hij het huisbezoek zo belangrijk? Het grondmotief was voor hem zeker dat op deze wijze de bijbelse aanwijzingen voor de pastorale zorg aan de enkeling en aan de gezinnen het beste gehonoreerd konden worden. Daarnaast kunnen we echter ook wijzen op drie motieven die meer door de omstandigheden van de beginnende reformatie in Genève worden bepaald.

Huisbezoek en biecht

In de eerste plaats wijs ik op het wegvallen van het sacrament van de biecht. Zoals bekend, was dit in de kerk van de middeleeuwen de grondvorm van de pastorale zorg geworden. Tijdens de biecht werden de zonden beleden, stelde de priester een onderzoek in naar de mate van berouw, kondigde hij vergeving af en legde hij nieuwe plichten op die als boetedoeningen golden voor begane zonden. Deze rooms-katholieke instelling werd door Calvijn radicaal verworpen. Hij verving de biecht door het huisbezoek, dat nadrukkelijk geen sacramenteel karakter droeg en waaruit alle wettische knechting van de gewetens van mensen nadrukkelijk was verdwenen. Het gaat volgens de reformator bij het huisbezoek om een open geestelijk gesprek, waarbij — uiteraard — zaken als zonde, vergeving en levensheiliging wél ter sprake dienden te komen.

Huisbezoek en catechese

Voor Calvijn had het huisbezoek hiernaast ook een catechetisch aspect. In de bepalingen die met betrekking tot het huisbezoek in Genève werden uitgevaardigd, lezen we namelijk dat ten gevolge van de verwarring van het Pausdom veel mensen in hun jeugd niet goed waren onderwezen. Zodoende waren zij als volwassen mannen en vrouwen niet goed op de hoogte van wat het christelijk geloof eigenlijk inhield. Daarom werd besloten elk jaar de gemeenteleden ‘van huis tot huis’ te bezoeken, om bij ieder een eenvoudig onderzoek in te stellen naar zijn of haar geloof, opdat niemand tot het avondmaal zou komen ‘zonder het fundament van zijn zaligheid te kennen’. Predikanten en ouderlingen zouden hierbij bijzondere aandacht moeten schenken aan ‘knechten, kamermeisjes, voedsters en mensen uit den vreemde’ die in groten getale hun toevlucht in de stad zochten en zich daar metterwoon vestigden. De bedoeling was namelijk dat niemand zonder voorafgaande toestemming aan het avondmaal zou deelnemen. Om (kinderen en) volwassenen (breder) te onderrichten in de leer werden in Genève wekelijks catechismusdiensten belegd. De huisbezoekers drongen er bij de gemeenteleden op aan om deze bij te wonen, zeker wanneer zij bemerkten dat de kennis van de leer te wensen over liet.

Huisbezoek en tucht

Tenslotte legde Calvijn ook een duidelijk verband tussen het huisbezoek en de kerkelijke tucht. In de praktijk betekende dat volgens Calvijn dat tijdens de huisbezoeken een sterk accent gelegd diende te worden op de levensheiliging van de gemeenteleden. Om dit te illustreren, geef ik de volgende typeringen weer die hij van de huisbezoeken in de gemeente gaf. Tijdens het huisbezoek werd een onderzoek ingesteld naar geloof en leven van nieuwe inwoners van de stad. Bij hen die al langer in de stad woonden en tot de gemeente behoorden werd nagegaan ‘of het in huis vreedzaam en goed toegaat, of er ruzie met de buren is, of er mogelijk dronkenschap voorkomt en of er luiheid en traagheid is in het kerkbezoek’. Als de bevindingen van de bezoekende broeders te wensen overlieten, kon uit het huisbezoek een dagvaarding voor de kerkenraad voortkomen, waarin het gezinshoofd of degene die bezocht was, zich voor zijn of haar verkeerde manier van leven moest verantwoorden. Heel in het algemeen kon Calvijn dan ook schrijven dat het doel van het huisbezoek erin bestaat ‘om de mensen te leren kennen, opdat het avondmaal niet ontheiligd wordt, en om ieder aan te sporen zijn plicht te doen tegenover God en naar zijn heilig woord te luisteren’.

Zodoende heeft Calvijn de huisbezoeken als een belangrijk instrument gezien om de regelmatige pastorale zorg vorm te geven. Wat daarbij in het bijzonder opvalt is, dat hij in deze bezoeken een effectief middel zag om de leer van de Bijbel persoonlijk in te scherpen en vermaning en tuchtoefening zo concreet mogelijk op de situatie van de bezochten toe te spitsen. Juist deze twee laatste aspecten riepen bij een aantal mensen in Genève nogal wat verzet wakker. De notulen van de kerkenraadsvergaderingen uit die tijd geven daarvan een indringend en een boeiend beeld. We dienen hierbij echter ook aan te tekenen dat deze intensieve pastorale zorg voor velen tot zegen geweest is. Ook daarvan zijn getuigenissen bewaard gebleven, al blijven die

- naar mijn gedachte — in de literatuur over Calvijn wel eens wat onderbelicht.

3. Opziener, herder of coördinator?

Wat betekenen deze bijbelse en (kerk)historische verkenningen nu voor ons vandaag? Ik wil dat graag laten zien aan de hand van een aantal stellingen.

1. De waarde van de gereformeerde ambtsleer

Van verschillende kanten is erop gewezen dat de ambtsleer van Calvijn en zijn visie op de ouderling in het bijzonder ons voor een aantal forse vragen stelt. Weliswaar beroept hij zich voor zijn visie voortdurend op de Schrift, maar niet al zijn schriftbewijzen blijken even sterk te zijn. Bovendien is zijn visie mede bepaald door de maatschappelijke en kerkelijke structuren die hij in Genève aantrof. Toch mogen we daaruit niet concluderen dat Calvijns opvatting onschriftuurlijk is. Integendeel, Van Genderen heeft mijns inziens het gelijk aan zijn kant, wanneer hij van de calvijnse ambtsleer zegt: ‘In het Nieuwe Testament worden predikanten, ouderlingen en diakenen nergens zo naast elkaar geplaatst als in onze geloofsbelijdenis. Toch is dat daar niet willekeurig gedaan. Er staat een zorgvuldig luisteren achter naar wat de Schrift zegt over de goede orde in het huis van God, de gemeente van de levende God’. We moeten daarom wel weten wat wij doen wanneer we de hele ambtsleer — en dus ook het klassieke ouderlingschap — ter discussie stellen, zoals sommigen bepleiten. Wie dat wil, zal zich eerst grondig hebben te verdiepen in de wijze waarop de reformatie — en dan met name Calvijn

- de ambtsleer vanuit de Schrift hebben afgeleid. Voor mij is deze gereformeerde visie nog steeds maatgevend en onopgeefbaar, al heb ik op enkele details wel een paar vragen aan Calvijn te stellen.

2. Variabelen en constanten

Toch laat ons overzicht van de bijbelse gegevens en de visie van Calvijn ook zien dat er met betrekking tot het ambt van ouderling sprake is van ontwikkelingen en (lichte) verschuivingen. In de Schrift zelf ontwikkelde het ambt van oudste zich van een juridisch-politiek naar een meer kerkelijk begrip. Bovendien wordt in het NT soms meer nadruk gelegd op het feit dat een ouderling opzicht heeft en leiding geeft, terwijl andere passages veel meer in het licht stellen dat hij pastor — herder

- is. Bij Calvijn is het zo dat de noties van opzicht en tucht in het ouderlingschap sterke nadruk ontvangen, terwijl het pastorale element in zijn beschouwingen toch bepaald niet ontbreekt. We mogen hieruit concluderen dat het ouderlingschap een vaste innerlijke kern heeft, maar ook een zekere flexibiliteit kent. De situatie waarin de kerk verkeert en de noden en problemen die in een bepaalde tijd spelen, kunnen oorzaak zijn dat bepaalde taken sterk op de voorgrond komen te staan. Dat betekent natuurlijk niet dat de eigenlijke kerntaak ooit mag worden verwaarloosd of afgestoten. Maar omdat een ouderling ‘liefdevol oog en open oor’ heeft voor wat in de gemeente gaande is, zal hij daarop ook vanuit de Schrift op een verantwoorde wijze willen inspelen.

3. De kerntaak: pastoraat

Dat brengt ons natuurlijk bij de vraag: ‘Wat is de onopgeefbare kerntaak van de ouderling’? Mijns inziens is het antwoord in het licht van de Schrift en onze calvinistische traditie niet onduidelijk. Een ouderling is allereerst pastor — herder — die ‘de schapen’ kent, opzoekt en probeert in het rechte spoor te leiden. Het zal duidelijk zijn dat deze kerntaak vele kanten heeft. Fraai is dat samengevat in de nieuwe versie van het formulier voor de bevestiging van ouderlingen, zoals die vastgesteld is door de synode van 1971/′72. Daar wordt gezegd dat het tot hun taak behoort ‘de leden van de gemeente trouw te bezoeken en hun geestelijke leiding te geven. Zij zullen ouderen en jongeren opwekken tot de dienst des Heren en erop toezien, dat een ieder naar het gebod des Heren zich zal openbaren als een levend lidmaat van Jezus Christus. Zij moeten de gemeente wijzen op haar roeping, in deze wereld van het evangelie te getuigen en door handel en wandel anderen voor Christus te win-nen. Hen die niet naar de regel der Schriften leven, behoren zij te vermanen, en over hen die geen boetvaardigheid betonen, de christelijke tucht te oefenen. Als opzieners van de gemeente moeten zij waken tegen het binnendringen van alle dwaalleer, die haar zou kunnen afbrengen van de gehoorzaamheid aan Jezus Christus, en tegen elke ontheiliging van de sacramenten. Zij hebben toe te zien op elkaar en op de dienaren des Woords, voor wier leer en dienst zij mede verantwoordelijkheid dragen. Daarom dienen zij Gods Woord te onderzoeken en zich gedurig te oefenen in de overdenking van de verborgenheden des geloofs’.

4. De ouderling en het wijkteam

Is dat alles niet té idealistisch of teveel gevraagd? Vooral voor ouderlingen die een grote wijk of een groot werkterrein kregen toegewezen, kan dit alles inderdaad een grote werkdruk betekenen. Bovendien dient iedere ouderling ook nogal wat tijd te besteden aan kerkenraadsvergaderingen etc. Vandaar dat sommige kerken ertoe overgaan om wijkteams te benoemen, waartoe een diaken behoort, één of meer bezoekdames en soms ook een pastoraal werker. De ouderling is dan de coördinator van een dergelijk team. Wat moeten we daarvan denken? In de eerste plaats heeft Bucer ons geleerd dat de pastorale zorg voor de gemeente niet alleen een zaak van de ambtsdragers is. De gemeente heeft ook de roeping om pastoraal naar elkaar om te zien. Daarom is er principieel geen enkel bezwaar tegen dat in een gemeente naast ouderlingen en predikanten ook kerkelijk werkers of dames van een wijkteam of van een zusterkring mensen bezoeken. Dat kan de ambtsdragers ontlasten en de band in de gemeente versterken. Het ligt ook voor de hand dat de (wijk)ouderling of de kerkenraad deze activiteiten coördineert. Het coördineren van en leiding geven aan allerlei gemeentelijke activiteiten is trouwens van oudsher een van de taken van een kerkenraad geweest. Toch moeten hier wel enkele kanttekeningen bij geplaatst worden. We moeten waken voor een versmalling van het ouderlingschap tot ‘alleen maar’ een coördinator van een team die geen bezoeken meer doet, of alleen nog bij hoge uitzondering. Mijns inziens is vanuit de Schrift en vanuit onze gereformeerde traditie duidelijk geworden dat het ouderlingschap in wezen pastoraal getoonzet is. Dat houdt in dat de ouderling de schapen van de kudde kent, opzoekt en pastoraal begeleidt. Bovendien, al heeft de pastorale zorg een gemeentelijke inbedding, dat betekent niet dat de predikant en ouderlingen geen pastorale roeping meer hebben! Integendeel, er zijn pastorale situaties die om een ambtelijk bezoek vragen. Ik denk bijvoorbeeld aan gevoelige pastorale problemen. Gemeenteleden zullen die alleen toevertrouwen aan iemand die zij volledig vertrouwen en wiens ambtsgeheim de waarborg is dat hij over de inhoud van hun gesprekken zal zwijgen. Bovendien is het een belangrijke taak van de ouderlingen om na te gaan wat de vrucht is op de prediking en hun bevindingen tijdens de ker-kenraadsvergadering door te spreken met de predikant. Dat kan er toe bijdragen dat het pastoraat vanaf de kansel en het pastoraat tijdens het huisbezoek elkaar wederkerig beïnvloeden. En dat is broodnodig voor het geestelijk welzijn van de ge-meente. Kort en goed: laat iedere ouderling allereerst werk maken van de pastorale zorg voor de (leden van de) gemeente. Dat is mijns inziens zijn kerntaak.

5. Het huisbezoek

Nu kan de vraag opkomen: is het huisbezoek zoals Calvijn dat invoerde nog wel van deze tijd? Moeten we niet naar andere vormen van ontmoeting zoeken? Nu zal duidelijk zijn dat ook in dit opzicht de ontwikkelingen sinds de 16e eeuw niet hebben stilgestaan. Dat houdt in dat er duidelijke (accents)verschillen aan te wijzen zijn tussen de visie van Calvijn en de wijze waarop wij vandaag het huisbezoek gewoonlijk gestalte geven. Zo wordt in onze tijd — om slechts enkele voorbeelden te noemen — veel nadrukkelijker onderscheid gemaakt tussen huisbezoek en tuchtbezoek dan in de dagen van Calvijn. Ook is de relatie tussen het huisbezoek en het heilig avondmaal veel minder exclusief dan in de 16e eeuw in Genève, al bewaart onze kerkorde nog steeds een herinnering aan dat verband (art. 23 K.O.). Tegenwoordig gaat het bij het huisbezoek veel meer om het regelmatige pastorale bezoek van de ambtsdragers aan de gemeente, waarbij in principe alle vragen van het leven in het licht van de Schrift aan de orde kunnen komen. Daarbij zal het echter vooral (dienen te) gaan om een gesprek over de persoonlijke verhouding tot God. Niettemin kan de visie van Calvijn nog steeds een bijdrage leveren bij onze bezinning. Ik vat die samen in vier overwegingen.

a. Ook al is het typische biechtkarakter bij het huisbezoek in Genève verdwenen, toch verloochent deze pastorale werkvorm bij Calvijn zijn afkomst niet helemaal. Het gaat hier immers om een vertrouwelijk gesprek waarin op een persoonlijke manier over de dingen van geloof en leven gesproken kan worden. Dat houdt onder meer in dat de inhoud van dergelijke gesprekken ook vertrouwelijk moet blijven en onder het ambtsgeheim van de zielzorger valt. Dat is naar mijn gedachte nog steeds een onopgeefbare voorwaarde voor de huisbezoeken en ook voor het pastorale werk in het algemeen.

b. Ik zou niet terug zou willen keren naar de al te strenge koppeling tussen huisbezoek en avondmaal zoals die bij Calvijn functioneerde. Niettemin zal het al of niet avondmaalvieren van belijdende leden van de gemeente een belangrijk thema dienen te blijven tijdens het regelmatige huisbezoek. Daarvoor zijn niet alleen historische, maar vooral ook pastorale redenen aan te voeren.

c. In Genève had het huisbezoek ook een catechetische component: het was bedoeld om een onderzoek in te stellen naar de kennis van de leer en daarin zo nodig ook nader onderwijs te geven. Nu kan het mijns inziens niet de bedoeling zijn dat het huisbezoek de vorm krijgt van een uitvoerige gezinscatechese, zoals in de 17e eeuw in de kringen van de puriteinen wel gebeurde. Laat echter het onderricht uit de Schrift en in de leer van de kerk tijdens deze bezoeken wel ter sprake komen! Juist van daaruit kan op een pastorale wijze worden ingegaan op misvattingen en op vragen van het hart. Zo kan ook leiding gegeven worden aan het geestelijke leven. Dat vraagt van de ouderlingen wel dat zij — zoals het oude bevestigingsformulier zegt — ‘Gods Woord naarstig doorzoeken en zichzelf gedurig oefenen in de overlegging van de verborgenheden van het geloof’,

d. Wellicht roept de relatie tussen huisbezoek en tucht de meeste tegenspraak op. Toch mag dat verband in elk geval ook vandaag niet (geheel) uit het oog verloren worden. Tijdens het huisbezoek stellen de bezoekende broeders en het bezochte gezin zich immers samen onder de tucht van het Woord. Dat kan inhouden dat het Woord ook in zijn vermanende kracht ter sprake moet komen. Echt pastorale bezoeken zijn namelijk nooit vrijblijvend.

6. Enkele praktische zaken

We sluiten af met enkele praktische kanten van het ouderling zijn in deze tijd. Onderzoek laat zien dat vooral beginnende ouderlingen nogal eens klagen over ‘rolonduidelijkheid’. Zij voelen zich onzeker omdat zij niet goed weten wat nu precies van hen wordt verwacht. Het is alsof zij in het diepe zijn gegooid, zonder dat ze goed weten hoe ze moeten zwemmen. Hier dient de oude vraag zich aan of het niet goed is dat beginnende ouderlingen enige opleiding of op zijn minst enige begeleiding ontvangen. Laat daarom bij het aantreden van nieuwe ouderlingen een deel van de eerste kerkenraadsvergadering die zij meemaken worden besteed aan het maken van heldere afspraken en een goede afbakening van taken. Het is ook mogelijk dat een jonge ouderling een oudere broeder als ‘mentor’ krijgt toegewezen. Maar laat uw jonge ouderlingen in elk geval niet in het onzekere hun eigen weg zoeken. De kans is dan zeer groot, dat zij onnodig veel tijd besteden om zelf het pastorale wiel opnieuw uit te vinden! Het vraagt tijd om in het pastorale werk in te groeien en de gemeenteleden en de gezinnen echt te leren kennen. Onderzoek geeft aan dat beginnende ouderlingen ongeveer twee jaar nodig blijken te hebben om ingewerkt te raken. Daarom brengt de aard van het (pastorale) werk met zich mee dat het niet goed is, als ouderlingen te kort dienen in het ambt. Het verdient aanbeveling om te overwegen of het dienen in een eerste periode niet langer moet duren dan de vaak aangehouden termijn van vier jaar. De keerzijde van het zojuist genoemde punt is dat de kerkenraad er ook op toe moet zien dat ouderlingen door hun pastorale en andere taken niet overbelast raken. Veel ouderlingen doen hun ambtelijk werk naast een volledige dagtaak. Dat houdt in dat het ambtelijk werk een behoorlijke aanslag kan betekenen op de tijd die zij anders aan hun gezin, een cursus, hobby’s etc. zouden kunnen besteden. Laat daar voortdurend oog voor zijn. Zo nodig zal de kerkenraad moeten overgaan tot een herschikking van taken en/of een herindeling van de wijken. Een apart punt is de relatie van de kerkenraad tot de professioneel opgeleide kerkelijke werker. Er zijn in het recente verleden door diverse synoden een aantal regelingen opgesteld die als bijlagen in de kerkorde zijn opgenomen. Toch blijken in de praktijk van het gemeentelijke werk de regelingen niet altijd helder te zijn. Het behoeft geen betoog dat het van groot belang is dat hierin de uiterste zorgvuldigheid wordt betracht, opdat de pastorale zorg voor de kudde Gods optimaal functioneert!

TENSLOTTE

Wat ben je als ouderling nu eigenlijk: opziener, herder of coördinator? Eigenlijk ben je het alle drie, maar vooral toch: herder! Dat is ook het geweldige van het ouderlingschap: herder te zijn onder de opperherder, Jezus Christus, die gekruisigd is én opgestaan!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.