+ Meer informatie

De kerkelijke appelprocedure (3)

9 minuten leestijd

In het eerste artikel is aandacht besteed aan de achtergronden en uitgangspunten van de nieuwe appelprocedure.

In het tweede artikel ben ik ingegaan op de eerste bepalingen uit het appelreglement, de artikelen 1 tot en met 3. In artikel 3 zijn regels gegeven over de totstandkoming van besluiten. Mijn stelling was dat veel problemen voorkomen zouden worden, of in elk geval beter hanteerbaar zouden zijn, wanneer kerkelijke vergaderingen zich aan die regels - pas besluiten na een goede voorbereiding en na toepassing van hoor- en wederhoor - zouden houden. In dit artikel ga ik in op de vraag hoe appel moet worden ingesteld en hoe een kerkelijke vergadering een ingesteld appel moet ontvangen. Het gaat dan om de artikelen 3 (gedeeltelijk), 4 en 5 van het appelreglement.

Het instellen van appel

Wie appel instelt moet daar wel wat voor doen. Je kunt “niet zo maar even” in appel komen tegen een beslissing van een kerkelijke vergadering. Zo'n beslissing heeft een serieus karakter. Artikel 31 van de kerkorde brengt dat tot uitdrukking door aan te geven dat wat een kerkelijke vergadering uitspreekt “voor vast en bondig [zal] worden gehouden, tenzij bewezen wordt dat dit in strijd is met het Woord van God, de belijdenis of de kerkorde”. Als je tegen zo'n uitspraak ingaat, mag er dus wel wat van je worden verwacht. Je moet je daar goed op voorbereiden. Een goed voorbereid en goed onderbouwd appelschrift komt de behandeling van het appel trouwens ook ten goede. Een kerkelijke vergadering die maar ongeveer moet raden waar het de appellant om gaat, valt niet te benijden.

Vandaar dat artikel 4 eisen stelt aan het indienen van appel. In artikel 5 wordt geregeld wat de gevolgen zijn wanneer niet aan die eisen is voldaan. Voordat we aan die eisen toekomen, is het goed om te vermelden wie appel kan instellen tegen een besluit. Artikel 4.1 bepaalt dat “iedere belanghebbende” appel kan instellen. Wie belanghebbend is, is geregeld in het al besproken artikel 1.3. Bij twijfel of iemand die appel instelt wel belanghebbende is, geeft artikel 1.3 dus de doorslag. Dat komt vaker voor in het reglement: dat je voor de uitleg van de ene bepaling in de andere bepaling moet zoeken. Het is goed om daar rekening mee te houden.

Artikel 4 geeft eerst aan dat je pas appel kunt instellen tegen een schriftelijk meegedeeld besluit, dus niet tegen een mondeling meegedeeld besluit. Als een kerkenraad (maar het geldt ook voor een classis) wel iets heeft besloten maar dat niet op papier heeft gezet, kun je er nog geen appel tegen instellen. Dat zou problemen kunnen geven wanneer de kerkenraad/classis het besluit ook niet op papier wil zetten. Artikel 4.2 tackelt dat probleem. Als er wel een besluit is genomen, maar het wordt niet op papier gezet, kun je daar als belanghebbende om verzoeken. Het besluit wordt dan, naar mag worden aangenomen, alsnog op schrift gesteld (in een brief aan de belanghebbende, of bijvoorbeeld in het kerkblad). Gebeurt dat niet binnen vier weken, dan kan de belanghebbende ook tegen een niet op schrift gesteld besluit in appel komen.

Dat laatste moet wel tijdig gebeuren. De appeltermijn bedraagt één maand na dagtekening van het besluit voor personen en kerkenraden (artikel 3.4). Voor andere kerkelijke vergaderingen gaat de termijn van één maand pas lopen na de eerstvolgende vergadering van de kerkelijke vergadering die in appel wil komen. Dat klinkt ingewikkelder dan het is: wanneer een classis bijvoorbeeld in appel wil komen tegen een besluit van een PS, dan gaat de termijn van één maand niet lopen na de datering van het besluit van de PS, maar na de eerstvolgende classisvergadering. Op die manier wordt voorkomen dat de appeltermijn al voorbij is wanneer de classis haar eerstvolgende vergadering heeft (dat is meestal meer dan één maand na een vergadering van een PS).

Een appel moet niet alleen tijdig worden ingesteld, het moet ook schriftelijk gebeuren en ingediend worden bij de roepende kerk van de kerkelijke vergadering die over het appel moet oordelen. De appellant moet een afschrift van het appelschrift sturen naar de verweerder (de kerkenraad of de meerdere kerkelijke vergadering waartegen het appel zich richt), zegt artikel 4.3.

Bovendien moet het appelschrift ook aan een aantal inhoudelijke eisen voldoen. Die staan vermeld in artikel 4.4. In het appelschrift moet worden aangegeven tegen welk besluit het zich richt en wat de korte inhoud van dat besluit is. Vervolgens moet het appelschrift vermelden wat de gronden zijn van het appel. Uit het appelschrift moet duidelijk worden dat en waarom het besluit in strijd is met Schrift, belijdenis en/of kerkorde. Een appellant kan dan ook niet volstaan met de stelling dat hij het oneens is met een besluit. Hij zal ook moeten aangeven waarom hij het niet eens is met dat besluit. Bij de motivering zal hij aansluiting moeten zoeken bij de drie appelgronden van artikel 31 KO, Schrift, belijdenis en kerkorde. Terzijde merk ik op dat deputaten kerkorde en kerkrecht van de laatste GS de opdracht hebben gekregen zich te bezinnen op uitbreiding van deze appelgronden. Naar verwachting zullen deputaten de GS van 2016 een voorstel doen tot uitbreiding. Vooralsnog gaat het echter om de genoemde drie gronden.

Opschortende werking

Uit het voorgaande volgt dat aan een appel diverse eisen worden gesteld. Het moet tijdig worden ingesteld (niet te vroeg en niet te laat), bij het juiste adres (de roepende kerk van de vergadering die over het appel beslist), in de juiste vorm (schriftelijk) en met de juiste inhoud (aanduiding van het bestreden besluit en vermelding van de appelgronden). Die vereisten zijn niet alleen terecht om de al vermelde redenen, maar ook vanwege een ingrijpend effect van een appel. Het appel tegen een primair besluit (het besluit van de eerste kerkelijke vergadering) heeft opschortende werking (artikel 4.5). Het besluit mag dus niet worden uitgevoerd. Die opschortende werking duurt voort totdat het appel is afgewezen. Wordt het appel gegrond verklaard, dan duurt de opschortende werking voort totdat een nieuw besluit is genomen door de kerkelijke vergadering die het primaire besluit had genomen. Wordt ook tegen dat nieuwe besluit weer appel ingesteld, dan heeft dat appel opnieuw opschortende werking.

Een appel heeft maar eenmaal opschortende werking. De opschortende werking eindigt wanneer op het appel is beslist en het appel ongegrond is verklaard. Wanneer het appel gegrond is verklaard, eindigt de opschortende werking wanneer een nieuw primair besluit is genomen. Als ook tegen dat nieuwe primaire besluit weer appel wordt ingesteld, eindigt de opschortende werking als op het appel tegen dat nieuwe besluit is beslist.

Als het niet (meteen) goed gaat

Bij zoveel eisen, kan het gebeuren dat er wat mis gaat. Een appel wordt te laat ingesteld, of is niet gemotiveerd. Wat zijn daarvan de gevolgen? De hoofdregel is neergelegd in artikel 5.1. Zo'n appel is niet-ontvankelijk. Het wordt niet inhoudelijk behandeld. Mij valt op dat het begrip niet-ontvankelijk op kerkelijke vergaderingen nogal eens oneigenlijk wordt gebruikt, ook voor situaties dat een appel inhoudelijk niet juist is. Het is goed om het begrip (niet-) ontvankelijk te reserveren voor de in artikel 3 en 4 vermelde vereisten van tijdigheid en inhoud van een appel. Ieder appel dat daaraan voldoet, ook al is het inhoudelijk nog zo zwak, is ontvankelijk.

Maar, als niet aan alle eisen is voldaan, valt dan altijd, en meteen, het doek? Nee, dat is niet altijd het geval. Artikel 5 voorziet in een aantal escapes. Allereerst kan een buiten de termijn van één maand ingediend appel toch ontvankelijk worden verklaard (artikel 5.2). Dat is het geval wanneer het een appel van een persoon (dus niet een kerkelijke vergadering) betreft tegen een besluit dat, in strijd met artikel 3.3, niet vermeldt dat en gedurende welke termijn er appel tegen kan worden ingesteld. Dan is wel nodig dat aannemelijk is dat degene die het appel instelt door het achterwege blijven van die melding is geschaad. Wie er een gewoonte van maakt tegen alle besluiten van zijn kerkenraad appel in te stellen, weet na een paar keer echt wel dat de appeltermijn één maand bedraagt. Als dat een keer niet op het besluit is vermeld, is zo'n “beroepsappellant” daardoor niet gedupeerd.

Het kan ook zo zijn dat het appelschrift niet voldoet aan de hiervoor besproken inhoudseisen. De appellant krijgt dan een termijn van vier weken om alsnog de gronden van het appel te vermelden (artikel 5.5). Laat hij die termijn ongebruikt, dan kan zijn appel alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard. Hetzelfde geldt voor het achterwege blijven van het versturen van een afschrift van het appelschrift aan de verweerder. Ook die omissie kan hersteld worden binnen vier weken (artikel 5.4). Het is wel van belang te bedenken dat die hersteltermijn pas gaat lopen nadat de appellant daarvan officieel in kennis is gesteld.

Een goede voorbereiding bespaart veel tijd

In de praktijk wordt pas tijdens de kerkelijke vergadering beoordeeld of een appel ontvankelijk is. Dat is ook logisch omdat de beslissing over de ontvankelijkheid een beslissing over het appel is, en zo'n beslissing nu eenmaal is voorbehouden aan de vergadering. Het is jammer van de tijd en moeite wanneer pas tijdens de vergadering wordt vastgesteld dat niet aan de inhoudseisen voor een appel is voldaan. De vergadering kan dan niet door, maar moet dan wachten op het verstrijken van de appeltermijn van vier weken voordat inhoudelijk over het appel kan worden gesproken. Het verdient dan ook aanbeveling dat de roepende kerk van de kerkelijke vergadering meteen na binnenkomst van een appelschrift beoordeelt of het appelschrift voldoet aan de vereisten en, zo niet, een termijn van vier weken voor herstel geeft. Bij onduidelijkheid over de tijdigheid van het appel kan alvast een toelichting worden gevraagd aan de appellant: bevatte het besluit een vermelding van de appeltermijn en waarom is de appellant daardoor geschaad? Steeds meer classes hebben een permanente scriba, aan wie die taak kan worden gemandateerd. Als dan de vergadering plaatsvindt, kan er meteen een oordeel worden gegeven over de ontvankelijkheid en kan de vergadering zich bezig houden met de inhoud van het appel. Daarover in een volgend artikel meer.

Mr. Bert de Hek is ouderling van de kerk te Genemuiden en heeft zitting in het deputaatschap Kerkorde en Kerkrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.