+ Meer informatie

Naspreken of niet en hoe dan?

16 minuten leestijd

Dit artikel wil aanknopen bij wat in één van de vorige nummers geschreven is onder de titel: „Welke taal spreken wij?” In dat artikel heb ik getracht aandacht te vragen voor en enig inzicht te geven in het feit dat zich vooral in ons land ontwikkeld heeft; een spreken over de wijze, waarop de enkele mens deel krijgt aan het heil Gods. Over „de weg” zo men dan zegt.

Parallel daarmede loopt dan de vraag: hoe brengt men onder woorden de zaken die op deze weg ervaren worden?

Zo is ontstaan wat men de „tale Kanaäns” noemt.

Dit verschijnsel doet zich in ons land niet overal voor. Het meest in het midden, westen en zuid-westen van ons land; en dan voornamelijk in bevindelijke kringen en gezelschappen. Deze aardrijkskundige aanwijzing moet men niet te streng nemen; men kan het verschijnsel ook wel daarbuiten aantreffen.

Hoe moet nu, waar dit verschijnsel aangetroffen wordt, onze houding daartegenover en onze beoordeling zijn. Naspreken of afkeuren of een betere weg, en welke, gaan en wijzen.

Dat het hierbij om een belangrijke zaak, vooral ook voor ambtsdragers gaat, staat wel vast. Immers het spreken over Gods heilswerk is noodzakelijk alsook het deelhebben daaraan en er persoonlijk uit leven. De geestelijke leiding, die ambtsdragers moeten geven, moet daarover nadenken.

Eenzijdige beoordeling

Wie over het gebruik van „de tale Kanaans” ingelicht wil worden, zal daarvoor moeilijk afzonderlijke geschriften vinden die daarover verhandelingen geven. Voor zover ik weet zijn ze er niet. Wij zullen hier niet terecht kunnen bij de theologen maar bij de litteratoren met name de schrijvers van zgn. „streekromans”. Zo’n streekroman wil het leven van de mensen van een bepaalde streek of dorp leren kennen. Uiteraard blijft — vooral bij christelijke schrijvers, het godsdienstig leven niet buiten beschouwing. En daarin komen ook figuren en kringen voor die de „tale Kanaans” gebruiken.

Ik noem enkele titels:

Rudolf v. Reest „Gebondenen” en van dezelfde „Schapen zonder herder”.

D. Hogenbirk(v. d. Vliet) „Neveldijk” van dezelfde: „Morsdaelse mensen”.

Van Wijk: „Van ’s levens laagten”.

De structuur van deze genoemde werken doet — bij de één scherper dan bij de ander — het volgende beeld zien: Er komen figuren in voor bij wie de tale Kanaäns gebruikelijk is om over geestelijke zaken te spreken. Sommige van deze figuren hebben groot gezag omdat zij de zaken der woorden, die zij gebruiken bij ervaring kennen of dit voor-geven. Hun taal is vlot, vol van onderscheidingen in geestelijke ervaringen. Ook spreken zij zeer gevoelig, mysticistisch en vol vergeestelijkingen. Bij dit laatste worden situaties en ondervindin-gen van bijbelse figuren toegepast op eigen ervaringen. Zij lezen de Heilige Schrift als het beelden- en woordenboek te gebruiken voor het spreken over eigen en ander geestelijk leven. Elke „ziel” moet dit leren verstaan zal „hij” burger van Kanaän zijn en eenmaal thuiskomen. Veelal worden deze „spelonkiemensen” met hun aanhangers en napraters getekend als zulken bij wie nogal afstand is tussen hun praten en dagelijkse beleving, in sociaal en zedelijk opzicht.

Tegenover deze zwarte — en soms wel erg zwart getekende figuren — worden dan andere figuren getekend. Het is de kleine groep van hen, die de tale Kanaäns niet spreken maar oprecht en eenvoudig God zoeken te vrezen. Zij gaan daarom niet mee met wat er in de eerste kring en zijn geestelijke leidsman (-vrouw) gezegd en gedaan wordt en de oordelen, die daar over anderen geveld worden. Zij zijn vaak de toevlucht voor hen, die in de eerste kring het moeilijk hebben. De „kinderen Sions” zetten achter deze figuren — meestal zijn het enkelingen — een zwaar vraagteken of een zwaar uitroepteken van verwerping.

Andere figuren, die wij in deze lectuur tegenkomen zijn de redeneer-christenen, zij nemen alles maar aan. Het zijn de verbondsmensen en volgens de eerste groep vijanden van het ware leven, waarvan zij niets verstaan. Als gerusten te Sion leven zij, om te ervaren dat hun oordeel zeker is. Zo vallen zij onder het oordeel van de „Kanaänieten”.

Waarom ik deze korte schets gaf van dergelijke lectuur? Om te doen voelen dat zij ons niet de maatstaf geeft ter beoordeling van wat ons bezig houdt. Het oordeel dat hier gegeven wordt is te éénzijdig. Het is een zwart-wit tekening waarin uiteraard elementen van waarheid schuilen maar die uiteindelijk tot een zeer eenzijdig oordelen en veroordelen doet komen.

En dat naar meer dan één zijde. En dat gebeurt te gemakkelijker omdat men in streek of dorp de getekende groeperingen doet samen hangen met de kerkelijke scheidingen. Of soms ook daardoor kerkelijke scheidingen doet ontstaan.

Nu ik lectuur over het onderwerp dat ons bezighoudt, ter sprake breng — lectuur die dit onderwerp te eenzijdig benadert —, wil ik ook nog de aandacht vestigen op een uitgave waarin op andere wijze hetzelfde onderwerp benaderd wordt.

Het is het werk van Cornelius Lambregtse getiteld: „In Zijne arm de lammeren”. Lambregtse is een Zeeuw van afkomst, die lang geleden naar Amerika emigreerde. Hij is opgegroeid in de krin-gen waar de tale Kanaäns gebruikt werd. Hij tekent met warmte het gezin waarin hij opgroeide en geeft een bezonnen oordeel dat niet eenzijdig is. De bedoeling van zijn boek is, volgens een door de E.O. opgenomen en uitgezonden vraaggesprek met Lambregtse, deze: Hij wil geen zwart-wit tekening geven maar doen zien dat er temidden van veel traditionisme in spreken en doen in godsdienstig opzicht ook ware vreze Gods leeft, die een schriftuurlijk stempel draagt, echt is en als zodanig gewaardeerd dient te worden. De schrijver is m.i. in dit doel volkomen geslaagd.

Er is een geestelijke taal

Om tot een nader oordeel over het gebruik van de tale Kanaäns te komen, dient vast te staan dat er een geestelijke taal is. Dat hangt samen met het heilswerk van God de Here zelf. Wanneer God de Here ons doet delen in zijn heil en ons tot nieuwe mensen maakt, doet Hij ons de geestelijke werkelijkheden verstaan en daar ook over spreken. In 1 Kor. 2 : 1-15 wordt dit gezet in het grote kader van Gods heilswerk. Dit werk is iets nieuws in deze gevallen wereld. Het zou niet worden gekend, het zou niet verstaan en er zou niet over gesproken worden als God zelf daarvan geen getuigenis gegeven had en door de Heilige Geest mensen daarvan overtuigd had, zodat ze daarin betrokken werden waardoor dit werken Gods een levenszaak voor hen geworden is. Zij leven er uit en spreken er van.

Men kan hierbij verschillende kringen onderscheiden.

De kring der Apostelen (Paulus is het grote voorbeeld) wordt door de Geest Gods tot getuigen van Jezus Christus. Zij geven mondeling en schriftelijk getuigenis.

Door de apostolische arbeid wordt de gemeente vergaderd; zij gaat het heil geloven, belijden, zingen en daarom bidden.

De ambtsdragers zetten in gebondenheid aan het apostolisch getuigenis het werk der apostelen voort vooral in de verkondiging.

Dit alles krijgt een toespitsing in de enkelingen die in persoonlijke betrokkenheid delen in het heil Gods.

Van allen geldt dat de taal uitdrukking geeft aan het heil des Heren. Er komt geen eigen aparte taal. Het heil gaat in in alle talen en dialecten. Hand. 2.

Het spreken in „talen”, waarvan later sprake is, is iets anders al staat het met deze nieuwe vervulling wel ergens in verband.

Met het oog op het boven gezegde spreekt Paulus in 1 Kor. 2: „Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God opdat wij zouden weten, wat ons door God uit genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is”, vers 12-14.

In de geschiedenis zien we nu twee manieren waarop over de geestelijke zaken gesproken wordt, zich ontwikkelen. Allereerst is er een echt schriftuurlijke wijze waarop dit geschiedt. Voorbeelden zijn b.v. Calvijn en Luther en hun directe tijdgenoten. Vooral eerstgenoemde is in dit Schriftuurlijk spreken over het werk Gods zeer sterk en heeft daardoor grote invloed gehad.

Naast deze wijze van spreken over het geestelijke leven is ook een andere ontstaan. Het begin daarvan is al te vinden in de Middeleeuwen, bij de mystieke figuren als Tauler en Ruusbroek en hun geestverwanten. De woorden, die zij gebruiken, hebben meer gevoelswaarde en spreken op hun beurt meer tot het gevoel. Zij zijn niet zelden ontleend aan het liefdeleven waarbij wat de Schrift zegt op deze wijze verstaan wordt. Dit geschiedde vooral in de prediking in de kloosters.

In latere dooperse groepen, die naast en tegenover de Reformatie ontstonden, nam men deze wijze van spreken over. In deze kringen kwam men over het algemeen steeds verder van het directe spreken der Schrift af te staan en leefde bij eigen ontvangen openbaringen, die men op eigen manier onder woorden bracht.

Omdat men in deze kringen volle nadruk legde op het eigen doorleven en verstaan van geestelijke zaken zocht men naar woorden om dit doorleven tot uiting te brengen.

Het is uit deze situatie te verstaan dat er een mystiek — en mysticistisch taalgebruik ontstond met eigen accenten, woordbetekenis, verkleinwoordjes en vaststaande uitdrukkingen. De band aan de Schrift bleek daarbij in op de klank af aangehaalde of verkeerd verstane bijbelwoorden. Zo ontstond een geestelijke groepstaal. Niet zelden werd dit een factor tot afzondering binnen of buiten de kerk, waartoe men behoorde. Men denke hier aan de zgn. gezelschappen, die soms ook deze trekken vertoonden. Nu is soms op zeer harde en felle wijze geoordeeld over dit gebruik van een geestelijke taal. Het zou aanstellerij en dweperij zijn, hoogmoedigheid om wat bijzonders te willen zijn en wat niet al. Rondom de verschijning van „Het innige christendom” van Schortinghuis is er een felle woordenstrijd gevoerd waarin harde oordelen over dit werk gegeven zijn, die niet verdiend waren.

Men bedenke dat een werk van Schortinghuis als het genoemde in de tijd waarin het verscheen, een reactie was op de kerkelijke situatie in het begin van de 18e eeuw. In het kerkelijk leven heer-ste de vormelijkheid en in de theologische beschouwingen won het rationele element sterk veld.

Een werk als van Schortinghuis legde nadruk op het „innige” d.i. bevindelijke christendom. Daarbij koos hij positie tegen de vormelijkheid en tegen de verstandelijkheid. Geen wonder dat hij daarbij een eigen taal sprak.

Ook moeten we niet vergeten dat het leven in de ware vreze des Heren een sterk gevoelselement heeft. Het is een behoefte om daaraan uiting te geven en anderzijds wil men dit ook horen in pre-diking en pastorale bearbeiding.

Daar komt nog bij dat het spreken op een eigen wijze over geestelijke zaken ook een waarschuwend element inhoudt. Het wil zeggen dat men geen christen is op grond van eigen mening, maar het in een eigen weg wordt.

Het is daarom dat een eigen geestelijke taal onderscheidend wil werken om zo het echte van het ingebeelde te onderscheiden. Men kan zich afvragen of de opsomming van de brede reeks van kenmerken van het echte het middel is om te komen tot de zekerheid of men op de goede weg is en of een levend geloof al deze kentekenen nodig heeft; het is niet te ontkennen dat in al de onderscheidingen die een werk als dat van Van de Ketterrij verzameld heeft van al de standen van het geestelijk leven, voor wie dit verstaan kan, de werkelijkheden van het geestelijk doorleven van de weg des heils worden weergegeven. Wie dat beseft zal niet alleen een hard oordeel vellen.

Het is dan ook wel begrijpelijk dat in kringen en streken waar deze taal gesproken wordt, dit als een herkenningsen erkenningsteken in het onderling verkeer gehanteerd is en wordt, al is dit zonder meer niet juist. Zeker niet als men iemand alleen om het niet spreken van deze taal Kanaäns buiten het koninkrijk Gods zou zetten.

Na deze opmerkingen is het nodig aandacht te schenken aan de gevaren, die aan het hanteren van zulk een geestelijke taal kleven.

Het eerste gevaar raakt de prediking en de pastorale arbeid. Wat de prediking aangaat denk ik aan de tekstkeuze. Wie sterk gebonden is aan de beschouwing van de heilsweg en het spreken daarover, zal liefst een tekst kiezen, die de weg en het spreken daarover raakt. Uiteraard zal dan ook de uitleg van de tekst door hetzelfde standpunt beheerst worden.

Het komt in de gereformeerde gezindte van Nederland voor dat de verklaring van de tekst op de kortst mogelijke manier gegeven wordt en dat dan in elke preek een weergave van de „weg” gegeven wordt opdat de hoorder zich daaraan zou kunnen toetsen. Begint dit gedeelte van de preek dan weet de goede hoorder al bij voorbaat wat er volgt over wat de onbekende „hij” of „de ziel” ervaart op de levensweg.

Soms draagt de mededeling van de weg een wettisch karakter d.w.z. ieder, die onbekeerd is wordt aangezegd dat dit móet geschieden. Hier wordt niet verkondigd dat al wat op de weg ervaren wordt, weldaden van Gods genade zijn, die Hij, naar zijn belofte schenken wil. Het gaat in de prediking en alle pastorale arbeid niet allereerst om de kennis van de weg en al wat daarop ervaren worden moet, maar om de aanraking met de levende God, waardoor wij leren kennen wie wij voor Hem zijn maar ook wie Hij nochtans voor ons wil zijn. Dat wordt ons verkondigd in de bediening van het heilig evangelie en verzegeld in teken en zegel van het sacrament, dat God geeft.

Het gevaar is groot dat een dergelijk spreken over de weg in preek en persoonlijke bearbeiding de jongeren in de gemeente niet aanspreekt. En bij de ouderen wekt het een gevoel van ernst dat leidt tot lijdelijkheid of een oppervlakkig begeren dat het hun ook eens mocht gebeuren op deze weg te komen om daarvan te kunnen vertellen. De vrees dat hen dit wel niet te beurt zal vallen legt hun leven onder een drukkende somberheid.

En omdat men de doorbraak van deze somberheid alleen verwacht van een bijzondere werking van de Heilige Geest, verliest men de betekenis van de middelen der genade uit het oog waardoor het de Geest behaagt te werken. Men kan op deze wijze een gevangene worden van eigen en anderer ernstige bedoeling en beschouwingen.

Nog hoor ik het een oude broeder zeggen, die jaren aaneen de Here zijn eigen beschouwingen voorgehouden had hoe het met hem gaan moest, „Ik heb het verloren”. Het waren weinig woorden maar veelzeggend. En zijn leven bewees het. Hij leerde luisteren en dat gaf hem vreugde.

Nu nog een enkele opmerking over de juiste weg.

Het staat onder ons vast dat een persoonlijk doorleven van de geestelijke zaken nodig is omdat het behoort tot wat God de Here in ons werkt. Het moet echter ook voor ons vaststaan dat een nauwkeurige omschrijving en indeling van het geestelijk leven en een gebruik van de woorden die precies omschrijven wat dit leven te ervaren heeft, geen geestelijk leven geeft.

Zeker de kerk spreekt haar eigen taal; daar is zij de kerk voor. Toch kan zij in een bijzondere „tale Kanaäns” haar spreekpatroon niet vinden. Daarvoor heeft deze teveel gevaren en eenzijdigheden.

Prof. dr. M. J. A. de Vrijer gaf in 1942 een mooi werk getiteld: „Schortinghuis”. Dit werk geeft veel over Schortinghuis zelf maar ook geeft het in hedendaagse spelling een brede, overzichtelijke weergave van Schortinghuis’ „Innige Christendom”.

Aan het slot van het eerste deel van zijn werk geeft dr. De Vrijer een hoofdstuk over „Schortinghuisianisme”. Hij tekent daarin verschillende groepen waarin met beroep op „oude schrijvers” gepleit wordt voor een geestelijke taal, die een vast patroon geeft met tientallen onderscheidingen die tesamen de weg des levens uitmaken en maatstaf zijn voor elke enkeling zelf en voor anderen en als leidraad voor geestelijke leiding in prediking en pastorale arbeid dienen.

Aan het slot van dit hoofdstuk stelt De Vrijer de vraag wat voor dergelijke opvattingen genezend kan werken. Hij wijst dan op drie zaken: 1 de Schrift, 2 de belijdenis, 3 het goed verstaan van de oude schrijvers, waarop men zich beroept.

Laat ik met eigen woorden en zeer verkort over deze drie iets zeggen:

De Schrift spreekt over de bemoeienis Gods met de mens na zijn val. Deze werkelijkheid van Gods komen tot de mens is vol souvereiniteit, heiligheid, genade en liefde. Daarin verheerlijkt God zichzelf, vernedert de mens, die Hij toch wil behouden. Dit alles heeft zijn volheid in Christus Jezus, die ons geworden is van Godswege, wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing opdat hetzij: Wie roemt, roeme in de Here. Om Gods bijzondere bemoeienis heeft Hij er recht op dat de mens zich bekere tot die God voor wie hij schuldig is, maar die goddelozen rechtvaardigt om niet.

God de Here heeft er lust in de mens Zelf te leiden door Zijn Geest waardoor de mens luistert naar Gods Woord en „Amen” leert zeggen op het heilswoord en heilswerk Gods.

De belijdenis der kerk belijdt met vreugde dat de heilsopenbaring Gods met al haar facetten de vaste grond voor het geloof is en niets en niemand anders.

Ook kent deze belijdenis het spreken over de mens in zijn verlorenheid, onwil, armoede en zwakheden, die door de Drieenige God, Vader, Zoon en Heilige Geest overwonnen worden, al blijft de mens daaronder zuchten en daarmede worstelen.

Het belijden der kerk vangt ook deze mens op en wil Hem telkens weer en telkens meer heenleiden naar het Woord dat verzekering doet van Gods heil in Christus, dat verzegeld wordt door de sacramenten.

Wat de „oude schrijvers” betreft, zij worden vaak eenzijdig gehanteerd. Zeker, zij zeggen veel over de ervaringen van de mens op de weg des levens maar zij willen de gelovige niet doen rusten in de zekerheid dat zijn weg echt is en dat hij al de onderscheidene ervaringen met bewustheid heeft doorleefd. Neen, de oude schrijvers wijzen vooral ook de kleinen in het geloof heen naar de beloften Gods, die alles inhouden en naar de sacramenten, waarin zij Gods ruimte, vreugde en licht mogen horen en zien. Wat de „wijzen” onder de „ouden” geschreven hebben mag niet eenzijdig en gedeeltelijk gelezen worden maar in zijn geheel. Dat is eis en daar hebben zij recht op.

Op dezelfde wijze spreken ook de liturgische geschriften, die de kerk opstelde en gebruikt. De vastigheden van Gods heil zijn bestemd en geschikt om de gelovige in zijn wisselende gesteldheden op te vangen en te leiden.

Wie deze wijze van spreken naspreekt, spreekt ook een tale Kanaans al is die anders, dan die in de loop der eeuwen is ontstaan.

Wie deze eerste niet verstaat maar anders spreekt moet men niet uit de hoogte en hard behandelen. Men moet tonen hun taal ook te verstaan en in een ernstig en liefdevol herderlijk spreken Gods heil te verkondigen.

Daartoe wil de kerk in haar formulier tot de bevestiging van ambtsdragers opwekken dat dezen Gods Woord onderzoeken en zich gedurig oefenen in de verborgenheden des geloofs. Biddende oefening leert de taal der geestelijke zaken verstaan en spreken. De Heilige Geest wil daarbij leren. Hij zal naar de belofte des Heren alle dingen leren. Hij neemt het uit de volheid van Christus en onderwijst ons.

Dr. K. Schilder zegt in zijn werkje „Kerktaal en leven”: „Zo is dan de tale Kanaans in den waarachtigen zin, de gratie der geroepenen Gods”.

En ergens anders: „Waarachtige tale Kanaans wordt geboren, niet gemaakt; gevonden, niet gewild; opgelegd, niet gekozen; in berusting aanvaard, maar niet met wellust verheerlijkt”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.