+ Meer informatie

VRAGENBUS

8 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan : I | T. MOLENAAR, Leede 18. Rotterdam-Zuid

W. L. v. P. te A. vraagt: „Kan men op de Theologische School der Geref. Gemeente enkel voor dominee studeren of ook zonder meer in de theologie? Wat kunnen de mensen, die dit laatste doen, dan daarna voor beroep kiezen?

Antwoord: Mij is niet bekend, dat op onze theologische school mensen zijn, die zonder meer theologie studeren. Zij die op de school worden toegelaten zijn eerst onderzocht door hun kerkeraad naar genadestaat en roeping. Hebben ze een attest gekregen, dan worden zij onderzocht door het curatorium. Valt dat onderzoek bevredigend uit, dan eerst worden zij ingeschreven als student op de school, waar zij zo lang studeren in de theologie en aanverwante vakken tot zij eindexamen doen en na geslaagd te zijn beroepbaar verklaard worden. Met deze toelichting vervalt Uw laatste vraag.

Zr. C. S. te Z. vraagt: Als iemand zelfmoord pleegt, moeten we aannemen, dat zo'n iemand verloren gaat?

Maar indien een persoon dat nu doet in een vlaag van krankzinnigheid, wat dan?

Antwoord: Als U zegt, dat wij moeten aannemen, dat er voor een zelfmoordenaar geen hoop is, dat zo'n iemand verloren gaat, dan ben ik het met U eens. Ik geloof, dat de Heere Zijn volk voor zelfmoord bewaart.

In Openb. 22 : 15 staat toch: Maar buiten zullen zijn de honden en de tovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de afgodendienaars en een iegelijk, die de leugen liefheeft en doet."

Ik weet, dat er wel zijn, die een andere mening hebben. Vele Gereformeerden redeneren aldus: „Aangezien niemand weet, wat er op het laatste moment tussen God en de stervende mens plaats heeft, mogen wij niet op Gods rechterstoel zitten, daar er maar één onvergefelijke zonde is n.1. die tegen de Heilige Geest.

Zelfs wijlen Ds van Reenen, wiens preken met zoveel graagte worden gelezen schrijft in zijn verklaring van de catechismus: „En mocht het ongeloof en Satan Gods kind zover krijgen, dat het de hand aan eigen leven staat, dan zal het zekerlijk voor het uitblazen van de laatste adem, door Gods Geest tot bekering gebracht worden en ondervinden dat het bloed van Jezus Christus Gods Zoon ook van die zonde reinigt."

Hierin ben ik het met Ds van Reenen niet eens. 'k Gevoel meer voor de redenering van Brakel, wanneer die schrijft:

„De eerste hoofdzonde van het zesde gebod is zelfmoord. Als men dadelijk of met opzet het leven zichzelven beneemt, 't zij met de strop, met verdrinken, met scherp, met vergift of op andere wijze, dezulken zijn boosaardige humeuren, wrevelig en verdrietig, geen ongemak kunnende noch willende verdragen; dezen verzaken God, hemel en hel en beelden zich in, dat zij met •hun dood hun ongenoegen eindigen, 't Is het werk van goddelozen. 't Is al levende in de hel, in de eeuwige verdoemenis te springen."

En wat nu een krankzinnige betreft, och over zulk een leven hangt zo'n waas, dat het beter is daar het zwijgen aan toe te doen.

Zelf ben ik de mening toegedaan, dat God in alle omstandigheden Zijn volk bewaart voor zelfmoord.

A. K. te M. vraagt het volgende: „Wanneer Gods volk ontdekt wordt aan zijn zonde en zichzelf gedurig meer en meer leert tegenvallen, wie is daar de werkende oorzaak van? De Heilige Geest of de satan?

Antwoord: Wanneer een mens door genade de goede keus mag doen met Ruth, die op de grens van Moab zei: „Uw volk is mijn volk en uw God mijn God", dan is het hart met zoveel blijdschap vervult, dat hij geen bezwaren ziet op zijn verdere levensweg. Dan hoort ge hem zingen: „Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort, Elk hunner zal in 't zalig oord. Van Sion haast voor God verschijnen."

De ouden zouden zeggen: „Welkom in de strijd."

Maar dat begrijpt zulk een mens niet.

Hoe wordt het echter bewaarheid, dat het pad des rechtvaardigen geheel effen is, maar toch een moeilijk pad.

De Heilige Geest, Die plaats maakt voor het werk en de Persoon van Christus, gaat zulk een mens steeds meer bearbeiden. De vrucht van die arbeid is, dat dat volk in eigen gewaarwording niet meer vooruitgaat, zoals ze eerst vast gedacht hadden, maar dat ze achteruitgaan.

Steeds meer worden zij ontdekt aan de breuk van het hart, aan het inklevend bederf. Ze leren zich telkens meer en meer tegenvallen en dat alles gaat gepaard met smart en berouw.

De begeerte, die God zelf in het hart' heeft gewerkt, om voor de Heere te leven in oprechtheid des harten, doet zo'n pelgrim getuigen bij ogenblikken: „Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen." Maar het volbrengen vindt hij niet. Althans niet in zichzelf.

Daarom rust, met eerbied gesproken, de H. Geest niet, voordat hij op die plaats komt, dat hij het net aan de andere kant leert werpen, opdat hij aan de ene zijde zal verstaan, dat uit hem geen vrucht meer zal zijn in eeuwigheid en aan de andere zijde, dat hij moet leren leven uit Hem, Die gezegd heeft: „Uw vrucht worde uit Mij gevonden."

U merkt wel, dat kan het werk des satans niet zijn. Die legt het aan op het eeuwig verderf van de mens, terwijl de H. Geest altijd Christus verheerlijkt in het hart van Zijn volk en dat volk zo de zaligheid bekomt.

A. K. te M. vraagt of een ongedoopte weieens verhoord wordt als hij bidt.

Vrager denkt zelf van neen, omdat er in Gods Woord staat: „God hoort de zondaar niet."

Antwoord: Daarmee ben ik het niet eens. We gaan maar weer naar Gods Woord.

We geloven, dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen, nietwaar?

Nu lees ik in Gen. 16, dat God tot Hagar komt en haar de belofte doet: „Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet geteld zal worden."

In Gen. 17 komt God tot Abraham, met de instelling van de besnijdenis. Ismaël was toen al 13 jaar.

Vergelijk Gen. 16 : 16 met Gen. 17 : 1.

Als God dus tot Hagar komt is ze, om het zo eens tezeggen, nog ongedoopt. Het sacrament van de besnijdenis was toen nog onbekend.

Natuurlijk is „de doop van Hagar", maar beeldspraak, want zij is nooit gedoopt geweest, omdat het teken des verbonds gedragen werd in het vlees van de man, die daarin de vrouw vertegenwoordigde, omdat de vrouw in de man is, zoals Paulus later zegt.

U zult misschien zeggen: „In Gen. 16 lees ik niet, dat Hagar gebeden heeft." Goed! Maar dan zou ik zeggen: „Ofschoon ze niet gebeden heeft, heeft God haar toch een belofte gegeven." En dat wil toch nog al wat zeggen.

Van Cornelius, de Romein, lees ik, dat hij geduriglijk biddende was en dat God hem verhoorde, want zo lezen we in Hand. 10 : 3: En de engel zeide tot hem: w gebeden en aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God." In vers 48 wordt pas vermeld, dat Cornelius gedoopt werd.

Met die tekst „God hoort de zondaars niet" moet u oppassen. Daarmee wordt bedoeld, dat de Heere mensen, die in openbare zonden brutaal voortleven, niet, hoort.

Die tekst slaat dus niet op een ongedoopte.

A. K. te M. vraagt of het mogelijk is, dat Gods vólk korter of langer tijd door een boezemzonde wordt overheerst.

Antwoord: Bij mijn antwoord blijf ik het liefst op Bijbels terrein.

Denk eens aan Loth. De Heere Jezus noemt Loth een rechtvaardige, die zijn ziel dagelijks kwelde aan de goddeloosheid van Sodom en toch

Hij werd gevangen gehouden door zucht naar rijkdom en hebzucht. Dat waren Loth's boezemzonden.

Van Hizkia, de zeer godvruchtige koning van Juda, staat opgetekend dat hij gedreven door zucht naar roem en eer al de schatten, die in zijn huis waren, liet zien aan de afgezanten van Babels koning.

Daarover ontstond het ongenoegen Gods. Loth moest Sodom verlaten, met achterlating van alles wat hij had en Hizkia werd aangezegd, dat' alles wat hij bezat eenmaal weggevoerd zou worden naar Babel.

De Heere rekent met zijn volk aan deze zijde van het graf af. Zo heeft elk van Gods kinderen te kampen met één of meerdere hoofdzonden.

De één heeft te strijden met zijn hoogmoedig bestaan, wat hem veel doet zuchten: „Weerhoud o Heer Uw

knecht, Dat hij zijn hart niet hecht, Aan dwaze hoovaardij.

Een ander zit vast aan de jjdelheden van dit leven en die moet i.z.h. weer vragen: „Wend, wend mijn oog van de ijdelheden af, Opdat ik leef' Uw woorden mag bewaren", terwijl een derde wel mag bidden: „Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen", in verband het geplaagd worden met hebzucht en begerigheid.

Zo zouden we door kunnen gaan.

Gelukkig als Gods volk veel last heeft van het inklevend bederf, dan wordt het gebed geboren:

„En wordt mijn vlees door 't kwade licht verrast, Ai, laat het m\j toch nimmer overheren".

Dat drijft hen uit tot Hem, Die gezegd heeft: „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk Mijn Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.