+ Meer informatie

Evacué tussen hoop en vrees

8 minuten leestijd

Het is donderdag 2 februari. Toen ik vanmorgen opstond, weer enigszins op adem, had ik geen rust. Het is dan ook niet niks je huis achter te moeten laten zonder zelfs maar een buurman om een oogje in het zeil te houden. Na het ontbijt dus maar weer in de auto geklommen en richting Kesteren gereden.

Ik nader over de A15 de afslag met het vertrouwde ANWB-bord. De vorige twee afslagen waren afgesloten. Er was echter geen bewaking en ik hoop dat dat ook hier het geval zal zijn. En ja hoor, slechts de bekende rood-wit gestreepte palen, zoals je ze wel vaker langs de snelweg ziet, versperren de weg.

Zonder de minste moeite stuur ik mijn auto over de vluchtstrook achter de afzetting langs. Even later hobbel ik over de overweg het dorp in. Eigenlijk heb ik geen idee wat ik zal aantreffen. De snelweg was al opvallend rustig, maar nu kom ik helemaal niets meer tegen. Geen auto, geen fietser, geen mens, geen dier: Het is spookachtig leeg.

Ik draai de straat in, "onze straat", en dan ligt daar ons huis net zoals we het gisteren achterlieten. Alles kaal en leeg. Ik kijk langs de andere gevels. De lege ramen staren als holle, levenloze ogen terug. Er heerst een nadrukkelijke stilte. Zeker na de paniekerige drukte van gisteren.

Als ik daar zo even sta, begin ik me steeds minder op mijn gemak te voelen. Is het omdat ik hier eigenlijk niet hoor te zijn? Of is het de dreiging van het water op slechts enkele kilometers afstand? Het onwerkelijke van de situatie?

De stilte wordt plotseling verscheurd door een helikopter die laag over de daken klappert. Vlug steek ik de huissleutel in het slot en stap over de drempel. Uit een vluchtige inspectie blijkt dat alles nog onaangeroerd is. Uit de kast gris ik wat blouses voor de jongens, controleer nogmaals alle ramen en deuren en zit weer in de auto voor ik er goed en wel erg in heb.

Beklemmend
Ik rijd nog wat rond. De ene na de andere straat vertoont hetzelfde beeld: uitgestorven. Leeg gapende ramen waarachter hier en daar wat op elkaar gestapeld meubilair. Een drie-zitsbank met touwen aan een balkenplafond. Een piano op schragen. Maar geen levende ziel.

Het is niet voor te stellen dat op enkele kilometers afstand het leven bruist en borrelt alsof er niets aan de hand is. De verlatenheid is beklemmend en onwillekeurig denk ik aan de tekst: „Het is niet goed dat de mens alleen zij." Ik parkeer in de uitgestorven Dorpsstraat voor de donkere supermarkt. Hier was men gisteren met man en macht aan het redden wat er nog te redden viel.

Nutteloos schreeuwen de onvermijdelijke koopjespamfletten van achter het glas. Waar het anders een gerammel is van winkelwagentjes en auto's schots en scheef zijn geparkeerd, heerst nu een onnatuurlijke leegte. De slager even verderop heeft nog de moeite genomen op een vel papier levensgroot de reden van zijn afwezigheid te melden: „Tot onze spijt..."

Na een kwartiertje rondkijken en wat foto's maken rijd ik het dorp aan de andere kant uit: via de brug over de Rijn. Daar is wel een politiepost. Maar alleen voor het mij tegemoetkomende verkeer. Uitgaand verkeer wordt blijkbaar ongemoeid gelaten. Men keurt me niet eens een blik waardig. Even over de brug stop ik en stap uit. Dan loop ik terug de brug op.

Alarmerend
Met de armen op de leuning staar ik over de watervlakte. De gebeurtenissen van de laatste dagen komen me nog eens voor de geest... De berichten worden steeds alarmerender: Land van Maas en Waal ontruimd, Tielerwaard volgde, eerst nog vrijwillig, de volgende dag al verplicht. Het water stijgt. Dijken worden steeds instabieler.

De Betuwe werd weliswaar nog niet genoemd, maar we besluiten toch voortijdig maatregelen te nemen. De geplande verjaardagsviering van mijn vrouw Wilma wordt afgeblazen. Taarten en bowl staan klaar, maar we kunnen beter vast wat inpakken. Enkele in de omgeving wonende familieleden reageren nog wat verbaasd op ons telefoontje. Zo erg is het toch nog niet!

Anderen reageren opgelucht. Ze hadden er eigenlijk ook niet zo veel zin in. De ongerustheid is voelbaar. Dinsdag wordt een vrachtje van de meest waardevolle spullen al vast opgeslagen bij zus Riet in Ede. Als 's middags de kinderen thuiskomen met het bericht dat ze een paar dagen vrij hebben, begint het besef door te dringen dat het menens wordt.

Snel wordt nog voor woensdag geprobeerd een kleine vrachtauto te huren. Straks is er natuurlijk in de verre omtrek niets meer te krijgen. De telefoon blijkt echter volledig overbelast. We komen er bijna niet door, maar eindelijk lukt het dan toch. Dat is tenminste geregeld. De spanning ebt weer weg.

Op woensdagmorgen laden we samen met neef Albert op ons gemak de eerste helft van de meubels in de vrachtauto. De jongens mogen mee de spullen wegbrengen en Wilma blijft met de vier maanden oude Jaap-Willem achter. De rit naar Ede verloopt vlot. In Ede wordt uitgeladen en we worden onthaald op een verkwikkende kop koffie.

Onderwerp van gesprek is natuurlijk het hoogwater. Herinneringen van vroeger worden opgehaald. Dan beginnen we aan de terugtocht. Nu gaat neef Johan mee voor aanvullende spierkracht.

Dijkdoorbraak!
Maar, o wee! Voor de brug bij Rhenen blijkt ineens een kilometers lange file te staan! Daardoor verrast en nog wat onwennig achter het stuur van de gehuurde auto schuif ik mee op in de rij. Wat het oponthoud veroorzaakt is nog niet te zien. We arriveren bij de brug. Het wemelt van de ME-ers. Pohtiebusjes en -motoren staan links en rechts in de berm.

Met een onbehaaglijk gevoel zie ik meer dan de helft van het verkeer voor mij afbuigen naar Rhenen. Een blondgestaarte politievrouw tikt op het portierraam: „Wilt u rechtdoor?" Ik knik. „Dan is dat op eigen risico. Er is een dijkdoorbraak."

Ik voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. „Ik moet wel, ik moet daar evacueren", stamel ik verbouwereerd. In je achterhoofd had je nog steeds het idee gehad, dat het wel niet zo'n vaart zou lopen. En nu... Hoe snel kom ik die brug over? Zullen ze er nog zijn? Kunnen we nog laden? Hoe lang duurt zo iets, voor het water er is?

De rij auto's voor mij lijkt maar niet op te schieten. Een schietgebedje welt op. In nood hebben we de Heere ineens nodig. Anders houden we Hem maar voor 't lest. Maar eindelijk ronk ik dan toch door de Dorpsstraat. Alles lijkt hier rustig. Of komt dat omdat de helft al weg is?

Wanneer ik naast ons huis stop, zie ik een wit gezicht voor het raam. De opluchting staat er op te lezen. Het bericht van de vermeende dijkdoorbraak heeft Wilma al een uur geleden bereikt. En dan geen auto, een door overbelasting niet werkende telefoon, buren verderop die genoeg aan zichzelf hebben... Samen met een baby van vier maanden op jezelf aangewezen!

Inderhaast
In een ijltempo laden we de rest van de meubels in. Ook de koelkast en het fornuis gaan nu mee. Evenals de inhoud van twee vriezers, de planten en allerhande grut. Zelfs het aquarium, compleet met vissen, vindt een plaatsje in de vrachtauto. Ten slotte de inderhaast gepakte koffers met kleren.

Inmiddels ijlen er meer vrachtauto's en auto's met aanhangers de straat in. Ik controleer nog snel even de ramen en deuren, de stroom eraf en dan weg: richting A15. Ik ben de file op de brug nog niet vergeten.

Wanneer we langs Ochten komen zien we een lange rij vrachtuato's uit het dorp komen. Zoals ons later zal blijken voor de onmiddellijke evacuatie van de inwoners. Ze schieten zo te zien geen meter op. We draaien de snelweg op.

Aan deze kant personenauto's volgepakt met mensen en huisraad, erachter van alles wat maar enigszins op een kar lijkt. Aan de andere kant van de vangrail colonnes legertrucks met amfibievoertuigen, rijen marechausseebusjes, ambulances. Daar worden we ook niet vrolijker van. Bedrukt arriveren we tenslotte in Ede: Evacués, wie had dat ooit gedacht!

Welkom...
Nu een dag later zo uitkijkend over het water, lijkt de hele wereld een en al rust. Daar ligt Rhenen. Gelukkig ligt het stadje hoog. Het water omspoelt de voet van de huizen. Het kerktorentje van Kesteren aan de andere kant van de Rijn lijkt nu even onbereikbaar als de maan. Eigenlijk wonen we tussen de rivieren in een grote badkuip. Hopelijk loopt die de komende dagen niet vol.

Plotseling schrik ik op uit mijn mijmeringen door een gepiep achter mij. Een metaalachtige stem kraakt: „U bevindt zich in verboden gebied." Op de brug staat een surveillancewagen. Ik meesmuil wanneer ik bedenk waar ik een halfuur geleden nog was, maar wandel toch maar terug.

Het is vier dagen later: Maandag 6 februari. Opnieuw draai ik de A15 af. Een bord roept: „Welkom thuis". Gelukkig hebben de dijken het gehouden! Het heeft er wel om gespannen. Met vijfenveertig vrachtauto's is in drie dagen en nachten 60.000 kuub zand aangevoerd. Dat we bewaard zijn voor een overstroming mag een wonder heten.

Zoveel paniek was achteraf echter niet nodig geweest. Was de dijk doorgebroken dan had het nog vele uren geduurd voor het water alle natuurlijke obstakels had overwonnen en Kesteren had bereikt. Achteraf..

Voor Ochten had het er overigens wel even anders uitgezien. Daar is niet voor niets voor gevochten. Als we samen in de kale maar droge woning staan, zegt mijn vrouw gesmoord: „Het heeft allemaal nog mogen meevallen. Eén komt daarvoor de dank toe!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.