+ Meer informatie

Kerkelijk besef

10 minuten leestijd

(10).

De volgende vraag, die onze Amsterdamse lezer mij stelde, was deze; „of ik wist van en dacht aan ds. Ledeboer's kerkelijk standpunt en aan zijn uitspraak over de Afgescheidenen: „Vleselijk begonnen, vleselijk voortgezet en — als God het niet verhoedt — vleselijk geeindigd, " dit n.a.v. de aanvang der Afgescheidenen om erkenning als nieuwe kerk. De vraagsteller vervolgt: , , 't Is ook uitgekomen, wat ds. L. voorzag over het vleselijk eindigen, „want 1892, vereniging Doleantie met Afgescheidenen enz."

Ik heb alles, wat door ds. L. geschreven en gepubliceerd is, nagegaan en als resultaat van mijn onderzoek kan ik u zeggen, dat ds. L. die door u genoemde uitdrukking nergens gebruikt heeft in de betekenis, die u er achter vermeldde. Ds. L. heeft deze uitlating in 'n gans andere zin gedaan dan in betrekking tot de Afgescheidenen.

Nu loop ik ? t gevaar, eigenlijk wat vooruit te grijpen op de behandeling van ds. L. en zijn Geref. Gemeenten, die in mijn reeks binnenkort aan de orde komt. Ik moet dan vanzelfsprekend ds. L.'s standpunt geheel behandelen, daarom nu voorlopig kort. Omdat nu eenmaal uw vraag gesteld is, wil ik die niet ontwijken.

Opdat u en anderen al vast zelf deze kwestie zult kunnen nalezen, geef ik hier 'n boek op, waar het onderhavige geval uitgebreid in staat. Enkele briefschrijvers hebben mij gevraagd, wat namen van boeken op te geven, waarin de historie van eigen gemeenten en van personen uit onze kring beschreven wordt. Aan hun verzoek hoop ik zeer spoedig gehoor te geven.

Thans heb ik voor mij de biografie van ds. Ledeboer, geschreven door ds. J. H. Landwehr, in leven Geref. predikant. Dit boek is tot heden de beste biografie, die er over ds. L. bestaat. Ik kan u en

iedereen aanraden, dit boek eens grondig te lezen (aangenomen althans, dat u dit werk nog niet kent). Speciaal de jeugdverenigingen wijs ik op het grote belang van het bezitten van dit werk in de verenigingsbibliotheek en .... laat het dan niet ongebruikt in de kast staan! Leest en bestudeert het, leest het desnoods meer dan één keer, wijdt er eens 'n hele serie onderwerpen (inleidingen) aan op jullie vergaderingen. Jullie hebt dan maandenlang stof. Wie het wenst te kopen, vrage zijn boekhandelaar uit eigen kring er om of plaatse zelf 'n kleine advertentie op de achterpagina van ons blad. Wellicht kunnen boekhandelaren uit eigen kring, dit dit lezen, zelf dit boek over ds. L. per advertentie aanbieden. Besturen en lezers, weest er dan vlug bij, want het boek is alleen nog maar antiquarisch te koop. De titel luidt: „L. G. C. Ledeboer, in zijn leven en arbeid geschetst door J. H. Landwehr, 2e druk, 1910. Let er op, de 2cle (veel vermeerderde) druk te lezen: in de eerste druk staat minder. Dat ds. Landwehr als Geref. predikant de geschiedenis onzer gemeenten tot 1910 niet bijgehouden heeft (hij ziet o.a. in hoofdstuk 8 het juist voor de Geref-Gemeenten van ds. Ledeboer en ook voor ons in 1957 zo belangrijke jaartal 1907 geheel over het hoofd), doet echter niets af aan de waarde van de gedegen studie, die hij van ds. Ledeboer en de zijnen gemaakt heeft.

Op blz. 188 bespreekt ds. Landwehr de door mij al genoemde brief van ds. Ledeboer aan koning Willem II. Ds. Landwehr voegt hier bij: „Wat er b.v. in staat over de continuïteit der kerk, is niet zo onduidelijk als de schrijver (= ds. Ledeboer) anders zijn kon." Met de continuïteit wordt bedoeld: de continue, de voortgaande historische lijn der aloude Geref. kerk in ons land.

Op blz. 87 (hoofdstuk 4) komt de uitspraak „Vleselijk begonnen, enz." voor. Deze is te vinden in ds. Ledeboer's boekje „Een woord aan mijn gemeente", 1844. Zo u lezen zult in bovengenoemde biografie, heeft ds. Ledeboer de door u genoemde uitspraak niet gedaan t.o.v. de Afgescheidenen, maar t.o.v. het zondige in eigen werk, zonder — en dat moge ik hier nogmaals extra beklemtonen — zijn kerkelijk standpunt te verloochenen. Als ds. Ledeboer ermee bedoeld zou hebben, eigen kerkelijk optreden te betreuren (zoals hieruit zo gaarne door niet-afgescheidenen gedestilleerd wordt), dan was hij vanaf 1844 tot aan zijn ster-ven in 1863 niet doorgegaan met het stichten van Geref. Gemeenten.

Ook in hoofdstuk 12 (blz. 220-224) van de biografie vindt u nogmaals de uitlating „Vleselijk begonnen, enz." uitvoerig besproken. U ziet, hoe nauwlettend we moeten omgaan met uitspraken.

In hoofdstuk 5 (blz. 92 e.v.) komt ds. L.'s ware kerkelijke standpunt breedvoerig ter sprake. Lezen, jongens! Lezen, ouderen, die ook ons jeugdblad meelezen!

Wat we na lezing van de biografie zullen opmerken, is dit: dat het veelal voor zuiver-Ledeboeriaans gehouden standpunt (de Herv. Kerk niet loslaten) door ds. Ledeboer zelf absoluut niet is ingenomen. Dit „Ledeboeriaanse kerkelijk besef" is er wel geweest en het is er misschien nog, maar het is eigenlijk „meer-Ledeboeriaans" dan hij zelf was. Zoiets komt meer voor: in het na Napoleon's val herstelde koninkrijk Frankrijk waren sommigen koningsgezinder dan de Franse koning zelf en ook bij het Calvinisme na Calvijn waren en zijn er in sommige landen, die meer-Calvinistisch willen zijn dan Calvijn zelf was.

Als wij, twintigste-eeuwse leden der Geref. Gemeenten, nazaten der negentiende-eeuwse Kruisgemeenten èn der Geref. Gemeenten, gediend door ds. Ledeboer, werkelijk hun juiste kerkelijk standpunt begeren na te volgen en hoog te houden, moeten wij ons allereerst conformeren aan het door deze voortrekkers ingenomen standpunt, moeten en mogen wij dus nimmer opgeven, dat de kerkelijke goederen toebehoren aan hen, die er vanaf de vorige eeuw (toen het onrecht geschied is) recht op hebben.

Nog één citaat van ds. Landwehr over ds. Ledeboer's kerkelijk standpunt neem ik over (blz. 223): „De historische continuïteit der kerk zocht Ledeboer niet in de Ned. Herv. Kerk, maar beslist, volgens zijn herhaald getuigenis, in zijn eigen gemeente. Hij beschouwde de Ned. Hervormden als degenen, die zich van hem en de zijnen hadden afgescheiden." U ziet het: niet één uitspraak, maar herhaaldelijk! Zie ook wat ds. Ledeboer schreef in zijn boekje „Spiegel dezes tijds", blz. 22—23. Dit is ook te vinden in ds. Landwehr's boek. Alzo blijkt, dat ds. Ledeboer's kerkelijk standpunt geen ander geweest is als dat der Afscheiding. Veelal haalt men ook deze uitspraak van ds. Ledeboer aan: „De Hervormde Kerk is onze en God zal ze ons op Zijn tijd wedergeven", om eruit te concluderen, dat hij de Herv. Kerk nog altijd als de (ware) kerk beschouwde. Dat hij deze mening niet toegedaan was, kunnen we opmaken uit al zijn geschriften, waarin hij zijn kerkelijk standpunt uiteenzette: het Herv. genootschap staat buiten de Kerk des Heeren. Wilt ge weten, wat ds. I, . letterlijk geschreven heeft? Dit: „Wij maken geen aanspraak op enige voorrechten van het Herv. genootschap, want die hebben zij net zo min als dieven, die in ons huis lopen, ons binden en ons goed beroven. Het is het onze en God zal het ons weergeven op Zijn tijd en de vijanden verdrijven." Dus: de voorrechten, de kerkelijke goederen en bezittingen behoorden volgens ds. Ledeboer toe aan de voortzetting der oudvaderlandse Geref. kerk. Hierin stemde hij dus volkomen overeen met het kerkelijk standpunt der Kruisgemeenten, die immers óók geen afstand wilden en konden doen van wat hun rechtens toekwam. Dat hij geen werk maakte van die aanspraken, doet niets af van het feit, dat hij de aanspraken erkende.

Ik herhaal, wat ik reeds schreef in mijn 5de artikel: dit recht is nog niet vergaan, verjaard. Het is en blijft een onvervreemdbaar recht. Laten de juristen en de juridische studenten onder onze gemeenteleden zich in deze materie eens verdiepen! Er is genoeg literatuur over verschenen en het wordt hoog tijd, dat wij dit punt eens volledig belicht krijgen. Dit soort onderwerpen is de moeite van behandeling waard.

Waarom beschouwde ds. L. eigen 'gebouwen als „noodgebouwen" en waarom heeft hij nooit gewild, dat er een stenen kerkgebouw zou verrijzen? Omdat hij de Herv. Kerk niet wilde loslaten? Neen, want we zagen, clat hij clie niet als kerk beschouwde. Maar juist omdat hij van heler harte geloofde, clat de Heere op Zijn tijd recht doen zou aan Zijn erfdeel. En clat tiengevolge cle kerkgebouwen ter beschikking zouden komen van de eigenlijke, cle ware Kerk. Dat ds. L. dit zelf niet meer beleefd heeft, doet niets af aan zijn oprecht geloof in deze en aan het rechtvaardige van zijn standpunt. Ook nü, in onze tijd is het nog niet gebeurd en als wij het louter menselijk bekijken, lijkt het er minder op clan ooit tevoren. Maar als wij in onze dagen hetzelfde dierbare geloof bezaten, dat ds. L. had, als wij hetzelfde rotsvaste vertrouwen hadden, dat God op Zijn tijd recht doen zal, als wij persoonlijk èn als kerkformatie ons verootmoedigen voor de Koning der Kerk wegens al onze ontrouw, als wij met de profeet, wiens

naam ons jeugblad draagt, gingen belijden: „Wij hebben gezondigd door af te wijken van Uw geboden en rechten, bij U is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, " wie onzer durft dan te ontkennen, dat er voor de Heere iets te wonderlijk of te onmogelijk is? Dan zal de Heere opstaan tot de strijd.

De laatste vraag uit Amsterdam luidde: „wat verstaat u onder de ware Kerk in Nederland? " Ook dit loopt weer wat vooruit op mijn volgorde van artikelen, zover ben ik nog niet. Maar 'n antwoord krijgt u weer, al is 't voorlopig misschien nog niet afdoende.

Niet uit vrees of bangheid om die klip te omzeilen, geef ik het antwoord op dit moment nog negatief. Later D.V. in de regelmatige volgorde, volgt het positieve. Uit mijn artikelen is duidelijk geworden, dat de ware kerk in Nederland niet is, waar de leugenleer gelijke of soms nog meer rechten heeft dan Gods Woord. Kort gezegd: waar de 3 kentekenen (art. 29 N.G.B.) ontbreken, daar is de kerk niet. Waar die kenmerken zijn, daar is de Kerk.

Alleen deze 3 kenmerken dienen wij te hanteren. Niet, hoe onze mede-kerkleden zich gedragen, niet hoe ambtsdragers leven, neen, neen, het gaat niet om mensen en menselijke maatstaven. Het punt, waar alles om gaat in de ware Kerk, is cle zuivere bediening van Woord en sacrament.

Om misverstand te voorkomen: ware kerk is hier bedoeld in de uitwendige, uiterlijke verschijningsvorm in dit ons land. DE ware Kerk is cle levende kerk, cle vrijgekochten door het bloed van Christus, dat is de inwendige zijde van cle Kerk. Er is maar één kerk vanzelf, geen twee kerken. De éne, heilige, algemene, Christelijke Kerk openbaart zich naar twee kanten: in-en «inwendig. Twee delen van één kerk. We hebben het in onze serie dus over clie uitwendige verschijningsvorm, en wel over de ware vorm na 1816 en 1834.

Letten wij er wel op: DE Kerk is groter clan onze kerk!! Maar vergeten wij ook nimmer: men kan hier op aarde behoord hebben tot de ware kerk (zuivere Kerk in uitwendige zin dus, ergens in 'n land), zonder tot DE ware Kerk behoord te hebben.

Hoe vreselijk zal — als dit het geval nog is — dan onze verantwoordelijkheid zijn, eenmaal in de grote dag der zuivering, de oordeelsdag. De weg (en de Kerk) geweten, maar die niet bewandeld; buiten de schaapskooi van Christus. Onze verantwoordelijkheid zal ontzagwekkend groter zijn dan clie van heidense steden zoals Tyrus en Sidon of zelfs Sodom en Gomorra. Of uitgedrukt op hedendaagse wijze: groter clan van hen, clie nooit tot enige kerk behoord hebben! Groter dan van de voetbal-kampioenen, sportmaniakken en filmsterren, clie doordrenkt zijn van de geest dezer eeuw en leven met hun mascottes als cle Baalim van deze tijd.

DE ware kerk echter verlangt, hijgt naar die grote dag met een zeer groot verlangen: „Kom, Heere Jezus, ja kom haas tig!"

KERMAN,

p.a. Adminastratie „Daniël", R. v. Catsweg 244a, Gouda.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.