+ Meer informatie

DE AANTREKKINGSKRACHT VAN EVANGELISCHE STROMINGEN

8 minuten leestijd

De bovenstaande titel, die door de redactie werd opgegeven, wijst naar een beteend verschijnsel Van evangelische stromingen gaat een grote aantrekkingskracht uit. Gemeenten blijken daar soms fors te groeien. Ook leden van onze kerken worden daardoor aangetrokken. Maar wie goed luistert, merkt meer. Krítische geluiden zijn hierover ook vaak te beluisteren. In dit artikel wil ik, na een positief begin, in ieder geval verschillende kritische vragen stellen.

POSITIEF

De evangelische stromingen zijn, evenals andere bewegingen, een reactie op iets dat binnen de kerken correctie nodig had. In het protestantisme is een nogal rationele (verstandelijke) geloofsbenadering binnengeslopen, in een (te) nauwe aansluiting bij de West-Europese cultuur. Zelfs stromingen die ‘bevindelijk’ heten, blijken niet geheel aan dit sterk rationele element te ontkomen. Het protestantisme moet aan zelfonderzoek doen of men niet is scheefgegroeid in deze richting, met als risico een te abstracte benadering van het geloof en soms een godsdienstig automatisme.

De evangelische beweging vormt een reactie hierop. Zij heeft de betekenis van Gods Woord middenin het dagelijkse leven willen beklemtonen alsmede het feit dat wij dit Woord nooit vrijblijvend kunnen overdenken, maar altijd voor keuzen staan. Tegelijk is een vernieuwde impuls gegeven om de boodschap ook naar buiten uit te dragen. Laten wij het als positief waarderen dat wij hierdoor herinnerd werden aan gevaren van bepaalde eenzijdigheden.

ER GEBEURDE MEER

Er gebeurde echter meer dan alleen correctie van eenzijdigheden. In de boodschap van de evangelische stromingen komen we veel praktische geloofswaarheden tegen, maar ook bijbelstudies die heel kort door de bocht kunnen gaan om iets te poneren. Lijnen naar het dagelijks leven worden wel vlot getrokken, maar bijbelse hoofdlijnen alsmede breedte en diepte van de gereformeerde traditie worden dan pijnlijk gemist: de breedte, d.w.z. de totaliteit van ons bestaan, dat door God wordt aangesproken; de diepte: d.w.z. wat begrippen als ‘zonde’, ‘genade’, ‘rechtvaardiging’ en ‘heiliging’ werkelijk betekenen. Dat mist men helaas vaak. De Heidelberger Catechismus geeft ons in deze dingen stellig een dieper inzicht. Daarbij dienen ‘rechtvaardiging’ en ‘heiliging’ dicht bij elkaar te blijven. Bij evangelische stromingen wordt het laatstgenoemde begrip gemakkelijk verzelfstandigd, om lijnen naar het dagelijks leven maar zo vlot mogelijk te trekken. De rechtvaardiging lijkt dan een gepasseerd station te worden. Verder wordt menselijke verantwoordelijkheid wel terecht beklemtoond, maar men slaat daarbij snel door naar overspannen actiegerichtheid. Weliswaar ken ik diverse goede, leerzame momenten van samenwerking met evangelische christenen in evangelisatieactiviteiten. Nooit echter vergeet ik een gezamenlijke bezinningsavond, vol actiegerichte kreten, steeds uitlopend in de mededeling dat er al veel meer gebeurt dan vroeger. Dit laatste telkens onderbouwd met vermeldingen van huidige activiteiten die ‘de vooruitgang’ moesten onderstrepen. Men proeft dan een geest, die slechts met het woord ‘activisme’ kan worden aangeduid.

ERVARINGSCULTUUR

Er speelt nog iets. Onze cultuur is veranderd. Andere aspecten van het mens-zijn, zoals gevoel en ervaring, gaan hun rechten opeisen. Ons hele waarheidsbegrip is daardoor aan het schuiven geraakt. Of wij hiermee beter uit zijn dan in een tijd waarin de verstandelijke aanpak hoogtij vierde, is te betwijfelen. Het lijkt erop dat het menselijk subject nog steeds het middelpunt van het bestaan is.

Intussen moeten christenen wel iets doen met het feit dat zij in zo’n tijd leven. De evangelische beweging koos daarbij ervoor om zich tamelijk ongecompliceerd aan te sluiten bij deze ervaringscultuur. Dit verklaart ongetwijfeld de grote ‘successen’ die zij boekte en de groei van gemeenten. Dat er aantrekkingskracht uitgaat van evangelische stromingen mag zodoende ook niemand verbazen (overigens worden meer mensen uit kerken aangetrokken dan uit de wereld). De vraag is echter: hoe ver kun je in deze belevingscultuur meegaan, zonder elementen van het evangelie te verwaarlozen? Met name denk ik aan het feit dat de zondige mens in zijn zoeken naar God in elke cultuur telkens vanuit God zelf moet worden gecorrigeerd. En tevens aan de scherpe kant van het kruisdragen, die onvermijdelijk hoort bij de navolging van Christus.

Door nauwe aansluiting bij de ervarings- en emotiecultuur zal de aantrekkingskracht van gemeenten stellig worden bevorderd. Maar is dit hetzelfde als de aantrekkelijkheid die kerken moeten hebben voor God en voor Christus?

KRITISCHE VRAGEN

Wij staan voor de moeilijke opgave om nu te onderscheiden tussen (enerzijds) verantwoord rekening houden met bijbelse gegevens en de cultuur waarin men leeft en (anderzijds) willekeurig bijbelgebruik, activisme en meedeinen op de golven van de belevingscultuur.

Het zou niet billijk zijn om de laatste dingen zonder meer te verwijten aan de evangelischen. Toch stel ik hen enkele kritische vragen.

Bij overgangen naar evangelische gemeenten valt mij op dat men vaak argumenteert vanuit eigen beleving van hetgeen men daar vindt (en elders mist). Maar wie bij zulke belangrijke zaken als kerklidmaatschap slechts argumenteert vanuit eigen beleving, vergeet iets wezenlijks. De kerk van Christus leeft vooral van wat nu juist alle beleving overstijgt: het Woord van Boven, Gods spreken; een Woord dat voorts tot ons komt in een traditie van eeuwen.

Een vraag bij verschillende belevingsvormen in evangelische kring blijft ook in hoeverre wij te maken hebben met een antwoord op goddelijk spreken of met puur menselijk gevoel.

Vervolgens: omgang met de bijbel wordt vaak ingekleurd door hetgeen individuele beleving oproept. ‘Nieuwtestamentisch’ heet dit vaak, aanknopend bij ons individualistische levensklimaat. Waar blijven bij genoemde benadering het verbond en het werk van God in alle levensverbanden? Mogen alle teksten zomaar worden toegepast op individuele zaken, waardoor een individu zich voelt aangesproken? En dan: wat is uiteindelijk het diepste geheim van het geloof? Is dat de menselijke keus òf is dat ten diepste juist de overgave aan Gòds stem die, vóór alle gevoelens en beslissingen uit, beslag op ons legde? De evangelische beweging overaccentueert vaak het eerste.

Tenslotte: waar blijft de kritische instantie van het evangelie in allerlei uitingen van de evangelische wereld? Bij een nauwe aansluiting bij de belevingscultuur is zoiets als ‘het sterven van de oude mens’ wel heel moeilijk te prediken.

Zorgwekkend vond ik dat gebleken is dat De Telegraaf de populairste krant is bij verschillende evangelische leiders (zie Nederlands Dagblad d.d. 6 juli 2005).

Dit lijkt verdacht op een parallel van zowel kerkelijke als maatschappelijke aanpassing aan de menselijke belevingswereld.

Samenvattend: dreigt er in de evangelische wereld niet een bedenkelijke verschuiving in de bijbelse visie op het mens-zijn en zelfs op het christelijk geloof en op de vraag wat waarheid ten diepste is?

VERZOEKING

De evangelische beweging kan onze eenzijdigheden corrigeren (zie boven). Het is goed als anderen ons een spiegel voorhouden. Je moet dat niet negeren. Samenwerking op gebied van evangelisatiewerk kan ook heel zinvol zijn. Maar vanwege bovengenoemde vragen meen ik toch dat het bewaren van kritische afstand tegenover evangelische stromingen eveneens nodig is. Bedenkelijke verschuivingen moeten wij beslist vermijden. Opmerkelijk is dat voor zo’n kritische benadering soms duidelijk begrip bestaat bij evangelische broeders en zusters. Men staat daar dan open voor gesprek hierover. De moeiten liggen eerder binnen onze kerken zelf. Predikanten krijgen te maken met goedbedoelende gemeenteleden die op ‘successen’ van de evangelische richting wijzen met een niet-uitgespro-ken zinspeling op de mogelijkheid om ook zo te gaan preken en werken.

Dit lijkt mij een verzoeking van goedkoop opportunisme. Wanneer wij blindelings afgaan op ‘successen’ elders, met veronachtzaming van het goede van onze eigen traditie, zitten wij ernaast! Het gevaar is dan dat wij goede dingen uit onze gereformeerde traditie inruilen voor een veel oppervlakkiger benadering. Uiteindelijk betekent dit een verlies.

‘Praktisch’, ‘aanstekelijk’, ‘aantrekkend’ christendom is belangrijk. Maar deze woorden kunnen ook verpakking worden van iets dat geen echte verrijking betekent. In een onlangs in Amerika verschenen boek werd, naast oorzaken van kerkelijke leegloop, ook aangegeven dat getalsmatige groei van gemeenten daar lang niet altijd een weerspiegeling is van echte, geestelijke groei. Niet zelden geldt zelfs het omgekeerde (Nederlands Dagblad d.d. 18 juli 2005, i.v.m. het boek ‘Why churches die’).

NIET ONSZELF AFSLUITEN

Intussen moeten we ons niet voor de evangelische richting afsluiten. Mogelijk kan er iets zijn van wederzijdse aanvulling of correctie. Dat kan in verschillende organisaties. Ook in het theologisch tijdschrift Soteria meen ik dat soms te zien. Het gebeurt daar overigens op een hoger niveau dan discussies over aantallen en groeiresultaten. Een tragische vergissing is het ook wanneer wij in reactie op evangelischen menen dat alles bij ons gewoon hetzelfde moet blijven. Ook de gereformeerde traditie moet een weg vinden in de ervaringscultuur. Zonder mee te deinen met deze cultuur zullen wij wel rekening ermee moeten houden. Wellicht kunnen wij dan soms zelfs iets leren van evangelischen. Overigens bieden m.i. buitenlandse ‘evangelicals’ ons daarvoor meer dan de nederlandse.

De kerkenraad waartoe ik behoor, wijdde een studiemorgen aan vragen die hier liggen m.b.t. onze cultuur. Binnen bepaalde grenzen proberen we nu om bijbels verantwoord in eredienst en pastoraat toch meer rekening te houden met enkele aspecten van ‘ervaring’. Niet omdat we zonodig evangelischen willen nadoen. Wel omdat de bijbel ons leert dat de totale mens, met al zijn levensaspecten, in de dienst van de Here wordt betrokken. Ook omdat wij moeten opletten, dat wij het contact met de cultuur om ons heen niet verliezen. Een gemeente staat namelijk ín een cultuur, maar wel zo dat zij niet ván deze cultuur mag worden.

Deze laatste zin is een blijvende opdracht voor reformatorische èn evangelische christenen.

Ds. W.P. de Groot (1947) is predikant van de gemeente van ’s-Gravenmoer. Tot 2002 was hij enige tijd docent evangelistiek en apologetiek aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.