+ Meer informatie

Dagboek van een leven in dienst van zijn Meester

Kenneth MacRae, persoonlijkheid in de Schotse Hooglanden

9 minuten leestijd

„Er zijn geen aantrekkelijker bronnen voor de geschiedenis dan de dagboeken welke opeenvolgende generaties van onze voorvaders hebben nagelaten..." Op deze wijze introduceert prof. R. S. Rait het bekende tweedelige werk, „Scottish Diaries and memoirs". Dagboeken van bekende personen geven vaak een gedetailleerd beeld van de tijd, waarin zij leefden, maar de dagjournalen van de godvruchtigen geven hierbij een verslag van de hoogten en diepten van het geloofsleven.

De Engelstalige wereld heeft vele dagboeken voor het nageslacht bewaard, hoewel van deze eeuw nagenoeg niets is verschenen. Het laatst bekende dagboek, dat van de drukpers kwam, is de „Diary and letters" van Andrew Bonar de vriend van de onder ons bekende Robert Murray MacCheyne. Het verscheen in 1893.

Het is daarom opvallend dat de bekende „Banner of Truth trust" uit Edinburgh vorig jaar een uitgave van het dagboek van Kenneth MacRae, een bekende predikant uit de Free Church, liet verschijnen. Dit fraai uitgevoerde, geïllustreerde boekwerk, dat maar liefst 548 blz. bevat, is weliswaar geen complete uitgave van alle dagboeken, maar een selectie, welke de jaren 1912 tot 1963 bestrijkt.

Krachtig
De rechterflap van de stofomslag, die een gezicht op het plaatsje Lochgilphead in Argylshire vertoont, vertelt ons o.a. dat „het dagboek een krachtig getuigenis is van het werkelijkheid van de gemeenschap met God. Het is ook een diepgaand, tot nadenken stemmend verslag van een man, die de onvermijdelijkheid van het verval van het Christendom weigerde te accepteren, die de oorzaak van dat verval niet weet aan de wereld maar aan de kerk en die, ongeacht de mening van zijn tijd, „volhield" en anderen met de overtuiging inspireerde dat „het getij zou keren".

MacRae leefde in een tijd van groot geestelijk verval, dat ook niet voorbijging aan de kerk die hij zovele jaren diende. Hij weigerde echter deze achteruitgang lijdelijk te aanvaarden, maar verdedigde tot in de hoogste kerkelijke vergaderingen de plicht van de kerk om zich tegen de geest van ongeloof en wereldgelijkvormigheid teweer te stellen. Zowel in zijn eerste standplaats, Lochgilphead, als in de grote gemeente van Stornoway op het eiland Lewis, was het zijn gedurige arbeid om in afhankelijkheid van de bediening van Boven zielen voor Christus te winnen.

De wapenen, die hij van zijn hemelse Meester had ontvangen, bewaarde hij niet in een arsenaal van zwaarmoedige berusting, maar wendde hij gelovig aan om de strijd aan te binden tegen de „geweldhebbers van de eeuw". Zijn werk in de Hooglanden en op de eilanden van Schotland was vaak onbegrepen en weinig geprezen, maar de Zegen des Heeren ontbrak niet.

Contrast
lan Murray, de onvermoeide oprichter van de „Banner of Truth", heeft jaren lang de tientallen handgeschreven dagboeken doorvorst en is erin geslaagd om op een overzichtelijke en boeiende wijze het leven van „Ken" te doorwandelen. Men ontvangt niet alleen een duidelijk beeld van het godvruchtige leven van deze merkwaardige Hooglander, maar ook een heldere weergave van het kerkelijk leven in zijn dagen, waaruit blijkt dat deze eeuw een schril contrast vormt met de tijd waarin de oude Schotse schrijvers leefden en werkten.

Meer nog dan in ons land heeft de vrijzinnigheid onder het Schotse volk toegeslagen en velen van het evangelie, dat eenmaal zo rijk bloeide, doen vervreemden. Het huidige Schotland is een bewijs van het verwoestende werk van het proces secularisatie, waartegen de meeste kerken geen weerstand boden, maar eerder hielpen bevorderen.

De juichkreten van de pseudo-evangelischen tijdens het bezoek van de Amerikaanse evangelist D. L. Moody in 1870 bleken" eerder symptomen te zijn van een versnellingsproces van het verval. Kenneth MacRae kwam op jeugdige leeftijd onder de invloed van een van de discipelen van deze „revivalist" en geraakte in de greep van hun gevaarlijke methodes. De hoorders werden hierbij gedwongen tot een soort mechanisch geloofsvertrouwen, waarin werd voorbijgegaan aan de noodzakelijke kennis van de verlorenheid.

Ook Kenneth meende het ware geloof te bezitten, totdat hij er in 1909 achter kwam, dat „rebellie en ongeloof nog steeds zijn meesters waren". De Heere maakte hem een onderwerp van zijn genade en zijn zelfgemaakte bekering moest ten onder gaan. Hij schreef: „Ik was in de uiterste nood, maar in plaats van God aan te roepen smaalde ik Hem; totdat mijn wil, genegenheden en gemoed, ja mijn gehele leven in een oogwenk werden veranderd".

Het zoetsappige evangelie, dat hij in de United Free Church hoorde, kon hem nu niet langer meer bekoren. Hij sloot zich aan bij de „remnant" van de Free Church en werd lid van de St. Columba gemeente in Edinburgh.

Weerstanden
De massale integratie van de twee grote afgescheiden kerken in 1900 tot de United Free Church stuitte vooral in de Hooglanden op weerstanden. De „Wee Frees" wilden de beginselen van de oude Free Church trouw blijven en zagen geen heil in de vereniging met de United Presbyterian Church, die de Westminster Confessie op een aantal essentiële punten had veranderd.

Het was deze kleine groep, die zich na de fusie tot de wereldlijke rechter wendde, teneinde haar rechten op het erfdeel van de Free Church en haar bezittingen te bepleiten. Zij appelleerde zelfs bij het Hogerhuis, dat wonderwel oordeelde dat alle kerkelijke goederen hun toekwamen!

MacRae karakteriseerde het verschil tussen Free Church en de United Frees als volgt: „Aan de ene kant ontving ik de prediking van Christus gekruist, elke als honing voor mijn ziel was en in de andere kerk had ik die hatelijke en zielverwoestende zogenaamde Schriftkritiek".

De overgebleven Free Church vormde, te zamen met de Free Presbyterian Church, ontstaan in 1893, het kleine overblijfsel, dat in de sporen van de' godzalige vaderen wenste te gaan. Beide kerkgenootschappen hadden de meeste aanhang in de Hooglanden, waar het evangelie van Gods genade zo diep wortel geschoten had. En „overtuiging van zonde, eerbied, heilige vreugde, geestelijke gesprekken en ware gemeenschap waren de kenmerken van de godsdienst in de Hooglanden in de beste dagen." Onder dit volk voelde Kenneth zich thuis.

Contrast
Het contrast tussen de Hooglanden en het zuiden, dat niet alleen „fysiek en cultureel" vras, openbaarde zich weldra ook in de kleine Free Church. Toen MacRae tijdens zijn studietijd tot de bediening des Woords toegelaten werd, bemerkte hij het verschil in geestelijk klimaat duidelijk. In een plaats in het zuiden vond zijn prediking weinig ingang, zodat hij moest aantekenen; „Ik ben bang dat ik hier de grenzen van geestelijke dodigheid heb bereikt. Hoe verschillend zijn de Laaglanders van ons eerbiedig volk in de Hooglanden."

Een kerkkoortje moest de gemeentezang opluisteren en de avonddiensten werden magertjes bezocht. In veel plaatsen in het zuiden bespeurde hij lauwheid en onverschilligheid in geestelijke zaken. De werkelijkheid van zonde en genade ontbrak. Hij voelde zich meer thuis onder de „Men", de geoefende vromen, die konden getuigen van een bevindelijke kennis van de vergeving van hun zonden. Zij streefden niet naar een „hoge standaard van Christelijk leven", zoals hij b.v. bij schrijvers als Spurgeon waarnam, maar „de grote mannen van het noorden maakten nergens anders aanspraak op, dan op hun eigen zondigheid en op de kracht van het offer van Christus."

Voor hen was de hoogste trap in dit leven: te ervaren de grootste der zondaren te zijn en nochtans te vertrouwen op de algenoegzaamheid van de verdiensten van de Middelaar tot vergeving van hun zonden. Zij legden geen grond in hun godsdienst, bevindingen en werkheiligheid, maar steunden alleen op de aangebrachte gerechtigheid van hun Borg. De leer van Gods vrije genade voor hulpeloze en vijandige schepselen sprak MacRae geheel aan.

Na zijn studie aan de Free Church College in Edinburgh te hebben voltooid, verbond hij zich in 1915 aan zijn eerste gemeente, Lochgilphead. Gedurende zijn vijfjarig verblijf in dit kleine plaatsje aan de zee kon hij gewagen van Gods nabijheid en tegenwoordigheid. Hoe meer de Heere echter Zijn liefelijk aangezicht over zijn ziel deed lichten, des te meer zag hij het gebrekvolle van zijn arbeid en prediking.

Op een zondagavond preekte hij naar zijn gevoel „een slechte preek", „maar de Heere toonde mij dat de zegen niet van mijn preek afhangt maar van Zijn kracht. O, wat een heerlijke nacht had ik! Welk een vreugde, wat een genoegen, wat voor stralen van de schoonheid van mijn Verlosser! Ik ontving een, zeer grote vrijheid in het gebed en hoe veranderde toen de droge preek voor mij!"

Gebed
Een opmerkelijke trek van het geestelijke leven van MacRae was de kracht van het gebed. Hij worstelde met de Allerhoogste om een zegen voor zijn kudde en was niet tevreden, voordat de Geest de beenderen in een overvloedige mate deed beroeren. De inzinking van het geestelijk leven in zijn dagen was, volgens hem, niet zozeer een gevolg van de terugtrekking van Gods Geest, maar de oorzaak lag in het nalaten van het gebed!

Zo schrijft hij: „Ik was geneigd om te denken dat de Heere zo'n smart was aangedaan door de zonden van het volk, dat hij,had opgehouden om de kracht van het evangelie in enige beduidende mate te betonen, maar het kwam mij voor de geest, dat Hij even gewillig en bekwaam is om te verlossen als Hij altijd geweest is en dat degenen die Hem hierom bidden de zegen zullen verkrijgen."

Een bezoek aan het nabijgelegen eiland Arran versterkte hem in de gedachte dat de Heere Schotland nog niet geheel had verlaten. MacRae assisteerde bij een „Communion season" en merkte tijdens de diensten een meer dan gewone ernst op. Hij vernam van" twee jonge meisjes, die al enige tijd onder een werk van overtuiging van zonden verkeerden.

Op de zaterdag van de Avondmaaltijd, die naar Schotse gewoonte van donderdag tot maandag duurde, gaf de kerkeraad gelegenheid om de „tokens" (penningen) voor de toelating uit te reiken. Behalve de leden, de „Communion members", trad niemand toe. Een van de genoemde meisjes, Jessie, verliet bij de uitnodiging de kerk en de oude ouderling, Mac Allister, zag dat zij in de „vestry", het predikantenkamertje, verdween. „Zij huilde en toch was zij kalm. Ik kon zien dat haar ziel tegenover de eeuwige werkelijkheden stond; ... niets anders nam haar in beslag".

Met tranen in de ogen vroeg de plaatselijke predikant wat haar hiertoe had bewogen. „Haar antwoord kwam, zacht, duidelijk en in volle ernst, als een zucht of een zachte klacht, doch zonder een snik: „Om van mijn zonden verlost te worden." Het schouwspel zal mij altijd bijblijven. Het huilende kind, de oude man die met zijn emoties vocht en tevergeefs streed om die in bedwang te, houden, zijn stem schokte en de oude ouderling aan het andere eind van de tafel met een grote tederheid op zijn gezicht."

MacRae vermaande haar „om voor alles op Christus te zien, dan zou haar vertrouwen niet beschaamd worden, om op Hem te zien in gehoorzaamheid aan Zijn Woord, opdat haar ziel gered mocht worden". En de volgende zondag mocht Jessie zich verheugen in het gebruik van de tekenen van haar Verlosser in het vaste vertrouwen dat Hij ook voor haar zonden geleden had.

(In de krant van morgen hopen wij het tweede gedeelte, van dit verhaal te plaatsen)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.