+ Meer informatie

MAAR JE HEBT HEM/HAAR TOCH NOG… Enkele gedachten over ‘rouwverwerking tijdens het leuen’ ook wel genoemd ‘anticiperende rouw’

8 minuten leestijd

GOOI A.U.B. DAT BLOEMENVAASJE WEG

Een man van begin veertig komt kort na het overlijden van z’n vader z’n moeder opzoeken.

Z’n oog valt op een bloemenvaas, die er nog steeds staat. ‘ama, als ’t u blieft, gooi dat vaasje weg’ zegt hij. De zoon kan het vaasje niet langer zien, het herinnert hem aan z’n vader, die in z’n verwardheid het bloemenvaasje pakte en eruit ging drinken. Evenals dat moment dat vader niet meer wist welke schoen bij welke voet hoorde, of hulpeloos met zijn broek in handen stond en geen idee had hoe hij die aan moest doen, en dan de woordenschat die zo geslonken was dat je het aantal kunt tellen op de vingers van je hand.

Een kind heeft het moeilijk als je de mens, die je de belangrijkste dingen heeft geleerd, de mens tegen wie je opkeek, ziet verglijden naar een hulpeloos mens die dingen doet waar je je voor geneert.

Moeder hoort haar zoon, maar moeder kan nog wel heel andere dingen opnoemen, ze heeft het ergste nog maar verzwegen. De momenten dat ze bedreigd werd door haar man, de klappen die echt uitgedeeld zijn, de momenten dat het ook haar te veel werd en ze niet goed reageerde, de nachten dat haar man liep te spoken. En niet te vergeten altijd maar weer dezelfde vragen, die je al wel honderd keer had beantwoord, maar die telkens weer terugkwamen. Om tureluurs van te worden. En dan die keer dat hij aan je vroeg: ‘Ben je nu mijn moeder of m’n zus?’, terwijl je al meer dan 45 jaar getrouwd bent.

‘JE MOET MAAR DENKEN DAT HIJ HET NIET MEER WEET

Je probeert een ander te helpen met wat algemene wijsheden. Dat kan goedkoop klinken. Toch is het wel belangrijk om iets meer te weten hoe het nu komt dat iemand die ‘dement’ wordt of is, doet zoals hij doet. Informatie daarover kan je helpen Er is goede lectuur over te vinden. Een heel verhelderend boek daarover met veel voorbeelden vind ik het boek van Huub Buijssen, De beleving van dementie. Het Spectrum 2007. In dit boek wordt o.a. gewezen op twee wetten van dementie. De kennis van deze wetten kan helpen in de omgang met dementerende mensen.

We staan even stil bij gestoorde inprenting en bij oprollend geheugen.

Om bij de gestoorde inprenting te beginnen, moeten we onderscheid maken tussen het korte en lange termijngeheugen. Wat we waarnemen komt eerst binnen in het korte termijngeheugen. Vervolgens wordt dat gewoonlijk binnen een halve minuut overgebracht naar het lange termijngeheugen. Bij dementie is het overbrengen van gegevens van het korte naar het lange termijngeheugen gestoord. De herinnering van wat meer dan een halve minuut geleden waargenomen is, is verstoord. Dat verklaart waarom steeds weer dezelfde dingen gevraagd en gezegd en gedaan kunnen worden. Nu is dit uiteraard nooit voor 100 procent toe te passen, met name bij veel emotie kan er toch meer onthouden worden.

Daarnaast is er sprake van een oprollend geheugen. Een mens draagt als het ware een zeer omvangrijk dagboek mee over zijn leven. Heel veel gegevens zijn opgeslagen, de dingen die we meegemaakt hebben en geleerd hebben. Bij dementie gaat het lange termijngeheugen afbrokkelen, het rolt als het ware van achteren naar voren op, de laatste delen van de dagboeken verdwijnen het eerst, maar er verdwijnt steeds meer. Ook hier geldt dat bijzonder ingrijpende gebeurtenissen wat meer kans hebben om langer bewaard te blijven. Heel beknopt vermeld ik deze gegevens.

‘JE DOET HEM TOCH NIET WEG?’

Dikwijls is er in de zorg voor een dementerende veel verborgen verdriet. Het is ten eerste een zware belasting voor degene die de centrale verzorgende is. Vaak is dat de man of vrouw of een van de kinderen. Soms is er een soort van takenverdeling binnen de familie. Maar dikwijls komt de zorg op één mens neer. Het betekent dat je er voortdurend op bedacht bent wat de dementerende doet (soms gevaarlijke situaties), je moet organiseren om even de meest noodzakelijke dingen te doen. Daarnaast is er het bedrieglijke dat een dementerende mens soms op anderen nog een heel aardige indruk maakt. Hij/zij weet handig vervangende woorden te vinden en uit te spreken. Bovendien kan voor een tijdje ‘verwacht’ of ‘gewenst’ gedrag worden getoond. De buitenstaander denkt: ‘Het valt eigenlijk wel mee’, maar de werkelijkheid is niet echt gezien.

De centrale verzorgende wordt niet begrepen en soms houdt die ook zelf de dingen het liefst binnenshuis. Niemand hangt immers graag de ‘vuile was’ buiten. Maar we moeten leren dat dementie geen vuile was is, ook al heb je de neiging je te generen voor wat de dementerende bij tijden doet of zegt.

Ondertussen wordt de last voor het thuisfront echt te zwaar. Sommige mensen die van wat dichterbij de situatie meemaakten, hadden het al eens geopperd: ‘Zou u toch niet eens aan opname in een verpleeghuis denken?’ Die vraag kan moeilijk, maar ook bevrijdend zijn. De verzorgende groeit er misschien ook naar toe, je merkt dat het te zwaar wordt en datje dan ook niet meer goed met de ander omgaat. Maar tegelijk heb je als je eraan denkt, het gevoel dat je die ander ‘wegdoet’. En anderen zeggen soms met of zonder woorden: ‘Je doet hem/haar toch niet weg?’

HIJ/ZIJ IS NIET MEER DEZELFDE

Bij dementerende mensen ga je steeds meer van die ander verliezen. Hij of zij is niet meer dezelfde als voorheen. Je kunt niet meer met elkaar overleggen, ook niet meer liefde beleven die van twee kanten komt. Het kan gebeuren dat je partner een ander in het verpleeghuis erg lief vindt en naar jou kijkt alsof je een vreemde bent.

Als kind bezoek je je moeder en je merkt dat ze je niet meer kent. Even een blijk van blijde verrassing als ze je ziet, maar dat heeft ze met een vreemde ook. Die ander is er nog wel fysiek, maar niet meer echt zoals je hem of haar gekend hebt. Je verliest steeds meer. Dat betekent rouw, voortgaande rouw, terwijl de mens, om wie je rouwt er lichamelijk nog is. Dat doet pijn, en de vraag kan komen wat het ergste is: iemand kwijt te raken door de dood of door dementie.

‘Toch ben ik blij dat ik nog enkele keren in de week naar mijn vrouw toe kan gaan’, zei een man. Hij ging trouw, ook al herkende zijn vrouw hem op geen enkele manier meer. Hij bleef gaan, hij kon immers toch nog een blijk van liefde geven, al ontving hij niets meer terug.

Zo kan het, maar het is ook begrijpelijk wanneer mensen het anders ervaren en het met meer kunnen opbrengen om frequent op bezoek te gaan. Er kan het verlangen komen naar het moment dat die ander er niet meer is en je dat ook vertelt aan God. Laten we niet te spoedig een oordeel klaar hebben.

Dikwijls worden mensen geplaagd door een schuldgevoel: had hij toch niet thuis kunnen blijven? Ben ik wel geduldig, zorgzaam of liefdevol genoeg geweest? Zo is er sprake van een bijzondere rouw, nog voordat iemand gestorven is.

VERSCHILLENDE ELEMENTEN VAN ROUW

Evenals bij rouwverwerking na een overlijden komen we ook bij de rouw rond dementie verschillende elementen tegen. We denken dan in hoofdzaak aan de elementen van ontkenning, verzet en aanvaarding. Je wilt er niet aan dat je die ander gaat verliezen. Op een gegeven moment kun je er niet onderuit, er is echt iets mis, je kunt er boos over zijn, teleurgesteld, opstandig. Uiteindelijk moet je leren te aanvaarden, wat nog weer anders is dan berusten.

Hoe ga je als ambtsdrager met deze dingen om? Hier ligt denk ik een taak voor de diakenen. Het zal belangrijk zijn dat er echte belangstelling is en daadwerkelijke hulp. We moeten eerlijk, maar wel voorzichtig de reële situatie onder ogen zien. Dementie is geen schande, maar een ziekte. Als anderen ingeschakeld worden bij de zorg helpt dat niet alleen in de directe zorg, maar ook bij het voorkomen van een isolement. Leg in een zo vroeg mogelijk stadium van dementie contacten, opdat later die contacten zo natuurlijk mogelijk kunnen doorgaan.

Wat de pastorale zorg betreft, is het ook voor de verzorgende dikwijls troostend dat de dementerende nog lang bepaalde bekende liederen, bijv. Ps. 116:1 en 81:12 (uiteraard o.b.), Johan de Heer liederen e.d., herkent. Ook bidden en Bijbellezen kunnen rust geven.

Heb aandacht voor de verzorgende(n). Laat iets van je waardering merken, en schrik niet te erg als dingen eens fout gaan. Probeer er over te praten en eerlijk de moeite en zwaarte van de zorg bij de HERE te brengen.

Soms is er een uitzien naar het einde, ook dat mogen we in handen van de HERE leggen.

Als dan het overlijden komt, is er een leegte, met gevoelens van bevrijding, van gemis, verdriet maar ook wel zelfverwijt. Er kan ook de vraag zijn naar het ‘waarom ?’ Jes. 46:4 mag tot bemoediging zijn: ‘Tot de ouderdom ben Ik dezelfde, en tot de grijsheid toe zal Ik u torsen.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.