+ Meer informatie

„Dat je niet zo allenig ben, dat vind ik 't voornaamste"

Herinneringen van een hospita

9 minuten leestijd

Studenten kwalificeerden Willemien Schouls als de beste hospita van Leiden. Ze is 81 jaar, heeft dertien kinderen en 41 kleinkinderen. Sinds de dood van haar man houdt ze kostgangers. Niet voor het geld, maar voor de gezelligheid. Aan jongens is ze nooit begonnen. Die kunnen terecht bij haar vrijgezelle zus van tachtig. Adverteren doet ze niet. Als het ene meisje vertrekt, staat het andere al op de stoep. „Ik ben makkelijk he. Dat komt omdat je een groot gezin heb gehad. Dan kijk je niet zo nauw." Herinneringen van een hospita.

„Ik was de oudste van tien kinderen. Zes meisjes en vier jongens. M'n vader was een mannetje van alles, weet u wel. Hij tuinierde, had grote broeikassen, groenten en zo meer. Wij moesten meehelpen.

Ik zal u wat vertellen. We woonden in Zoeterwoude, onder de brug naar Leiderdorp. Op de Hoogmadese weg had m'n vader een schuur met een paar koeien, voor eigen gebruik. Zo was dat vroeger, 's Morgens moesten we al vroeg uit bed om met een hondekar de melk te gaan halen. Die hond, die trok zo hard dat de klompen tegen je gat aan vlogen.

De melk brachten we op de Hogendijk bij een melkwinkel. We konden zelf niet eens die kit oppakken. We waren nog maar een jaar of acht, moet u rekenen. En dan naar huis en door naar school, in Leiderdorp. School met de Bijbel. Ja, zo zijn wij opgegroeid.

M'n vader had ook wat varkens. Als er biggen kwamen zaten we ermee op schoot achter de kachel, want die beesten moesten warm blijven. Ja, 't was wel even anders dan tegenwoordig. We waren elf jaar toen we al in een dienstje gingen. Niet net als nu, studeren. Dat was er niet bij. Je moest werken."

Professor Vollenhoven
„Ik vond dat niet erg. Ik was blij dat ik van school afwas. Dat lag ons niet zo. En vroeger was dat toch ook niet zo erg, dat leren. Ik zeg wel 's: al hebben ze tegenwoordig geen broek an d'r lijf, leren moeten ze. Dat is toch zo. Dat ben u toch wel met me eens zeker.

Iedereen moet leren. En azze ze dan geleerd hebben he, dan vinden ze geen baan. Moet de vrouw geld verdienen, want die man heeft geen werk. In de Bijbel staat dat een man in het zweet zijns aanschijns z'n brood zal verdienen en de vrouw in het gezin. Dat is toch zo. Maar tegenwoordig is het andersom.

Op m'n zestiende kwam ik bij professor Vollenhoven, op 't Rapenburg. Denk maar aan Pieter Vollenhoven, dat was een neef van 'm. Ja, 'k ben nog in deftige diensten geweest hoor. Hij was ongetrouwd, een heel aardige man.

Maar z'n huishoudster, dat was een loederkop. Mot u begrijpe, ik kwam van Zoeterwouw af lopen. Er was geen fiets, geen auto, niks. Kwam ik vijf minuten te laat, dan liet ze me vijf minuten voor de deur staan. Eerlijk hoor. Tegenwoordig zou je zeggen: daag, doe 't zelf maar. Maar vroeger was je zo brutaal niet."

Gevuld Juliaantje
„Ik heb 't er nog lang uitgehouden. Vijf jaar. Toen ben ik uit werken gegaan. Dat was vroeger he. Allemaal bij professors. En ook nog een dag bij de burgemeester. Je kreeg een rijksdaalder voor een dag. Dat heb ik gedaan tot m'n vierentwintigste. Toen ben ik getrouwd en kwamen de kinderen.

Bijna ieder jaar een. Ze riepen wel 's: gevuld Juliaantje. Dat was werkelijk zo. Nou, ik vond het niet erg hoor. Als er weer een geboren was dacht ik wel 's: nou hoop ik maar dat 'r eventjes tussen zit. Maar was het weer zo, dan ging ik niet zitten treuren. Dat help je niet. Ik zag alleen tegen het krijgen op. Tegen de kinderen zelf helemaal niet.

't Is hier wel niet zo groot, maar er gaan veel schapen in een hok. Zeker als ze klein zijn. Dan legden we ze overlangs in een tweepersoonsbed. Konden er drie in, in plaats van twee."

Verjaardag
„Om drukte heb ik nooit gegeven. En 'k was gelukkig sterk. Plafond witten, behangen, vloerbedekking leggen, deed ik allemaal zelf. M'n man werkte wel hard, maar we hadden niet zo'n dikke portemonnee. Het was een voorrecht dat ik ontzettend veel ouwe kleren kreeg. Die draaide ik en dan maakte ik er kleren uit voor de kinderen. Ik heb wel nachten opgezeten om te naaien. Eerlijk hoor. Je moest ze toch aangekleed hebben.

Nu merk ik wel dat ik ouder word. Je kan niet meer zo veel hebben als vroeger. Als ik nu jarig ben huur ik Irene, tegenover de kerk. Dan zitten er ongeveer honderd mensen. Je getrouwde kinderen, je kleinkinderen, je zusters... Ik zal u 's even de foto's laten zien van m'n kinderen. M'n ongetrouwde zus zou zeggen: komt ze weer met d'r foto's. Dat ken ik doen, maar jij niet, zeg ik dan."

Apekoppen
„Kijk 's, heb je die honden al gezien? Die maak ik zelf. Deze met die drie kleintjes uit een ouwe bontjas. Heb-ie toevallig nog geen ouwe bontjas voor me? Zot mens he? O ja, ik zou je de kinderen laten zien. Da's m'n oudste dochter. Dat de tweede. En da's de derde.

Ja, ik heb ze in soorten. Is er een verjaardag, dan zitten ze met z'n allen om de tafel heen. Ze zoeken mekaar altijd op. Elf dochters, 't is toch wat eigenlijk he. Dat is er weer een. Ze hadden vroeger allemaal zulk mooi haar. Nou hebben die apekoppen het allemaal afgeknipt. Moet je toch kijken, wat een prachtige koppen met haar ze hadden. Dan word ik zo kwaad he. Zeg ik: wat heb-ie nou weer met je hoofd gedaan? Maar ze zijn allemaal even lief voor me.

M'n man is tien jaar geleden overleden. Dat vind ik wel erg hoor. Daar kom je nooit overheen. Daarom heb ik ook die meisjes in huis genomen. Niet voor het geld, maar voor de gezelligheid. Als je allenig zit, kook je niet zo snel voor je eigen. Heb je een paar meisjes aan tafel zitten, dan is dat gezellig. Daarvandaan heb ik het gedaan.

'k Heb er leuke meiden bij gehad. Maar je moet ze wel vrij houden. Er was er een bij die als een eigen dochter voor me was. Op een gegeven moment wou ze zelf gaan koken. Ging ze boven de kerk aan de Nieuwe Rijn wonen. Ik heb gezegd: ik zou nog niet voor niks in die ouwe troep willen zitten. Maar zij wel."

Ballen gehakt
„Ik krijg ze eigenlijk altijd van recommandatie. Ds. Bogaard kwam wel 's met een meisje aan. Of ze vroegen zelf: mogen we bij u wezen. Pas kreeg ik een boekje, waar een fotootje van me in stond. De beste hospita van Leiden, stond erbij. Da's gekkigheid hoor. Er zijn nog wel meer goeie.

Maar ik ben makkelijk he. Dat komt omdat je een groot gezin heb gehad. Dan kijk je niet zo nauw. Willen ze 's wat hebben, dan zeg ik: ga je gang maar hoor. Vanavond komen er weer een paar eten. Er was er een die m'n preischotel wilde proeven. Die heb ik nu in de oven staan. Kunnen ze 'm straks zelf opwarmen, want ik moet naar een verjaardag. Dan laat ik ze gewoon tobben.

Soms zit de hele tafel vol. Dan hebben ze bijbelkring, weet je. Nou, dan maak ik huspot of zo. Dat doe ik zelf. Maar na het eten moeten zij de vaten wassen. En dat doen ze hoor. Zonder problemen. Geld hoef ik er niet voor te hebben. Je houd toch altijd eten over. Ja toch. Willen ze per se wat geven, dan heb ik een zendingsbussie in de keuken staan.

Zondag loop ik de kerk uit, kijkt een jongen me ineens aan. Die zegt: nou zie ik het, u ben die vrouw van die lekkere ballen gehak. Ik zeg: nou, je mag nog wel 's een keer komen eten horen. Ze zitten hier altijd graag. En waarom, dat weet ik niet."

Trappie
„Eigenlijk had ik een gastenboek bij moeten houden. Dan had ik al heel wat namen gehad. Menselieve nog toe. Ik heb een meissie gehad, die kwam net tot 't knoppie van de deur. Die kreeg verkering met een jongen die temet tot de bovenpost komt. Ik zeg: je mag wel een trappie meenemen om bij 'm te komme. Ja, we lachen wat af.

Er zijn hospita's die zeggen: om elf uur thuis en dit moet wel en dat mag niet. Dat doe ik niet. Je moet niet op iedere slak zout leggen. Het gebeurt wel dat ze laat thuiskomen. Ik vind dat niet zo erg. Ze hebben allemaal een sleutel. Ze houden ook hun eigen kamer bij. Het ene meissie is netter as het andere, maar dat was bij m'n dochters ook.

Narigheid is er eigenlijk nooit geweest. Ik hou niet van ruzie. Dat vind ik verschrikkelijk. En ze zijn allemaal even aardig voor me. Met Seniekelaas krijg ik altijd wat. Weet je waar de twee die ik nu heb met m'n laatste verjaardag mee aan kwamen zetten? Zo'n radioklok voor de tijd, weet je wel. Die staat nou boven, op m'n slaapkamer. Het gaat mij niet om cadeaus hoor, maar je vindt 't toch leuk. Of ze nemen 's een bloemetje mee."

Niet zo allenig
„Kijk, as je problemen heb leg dat vaak an je eigen. M'n dochters zeggen wel 's: moeders heb nooit geen chagrijnig gezicht. Nee, dat klopt. Ik ben gelukkig geen chaggerijn. M'n zusters ook niet. We zitten soms te gieren van het lachen, om niks. Maar we zitten ook wel 's te huilen hoor. Da's fijn he, as je samen kan lachen en huilen.

Aan jongens ben ik nooit begonnen. En m'n zus van tachtig heeft niet anders dan jongens. Al vijfentwintig jaar. Grappig he. Die is nooit getrouwd geweest, dus die vindt dat wel leuk. Ik wil alleen maar meissies. En ik doe maar net of 't m'n eigen dochters zijn.

Ze zitten natuurlijk veel boven. Ze moeten studeren. Maar je weet toch dat er iemand in huis is. En bij de koffie maak je samen een praatje. Gewoon over gezellige dingen. Over de studie praten we nooit. Daar heb ik geen verstand van.

Aan tafel zitten ze er wel 's over te klessen. Nou, ik luister er niet eens naar. Ik begrijp er toch geen bal van. Geen bal. Dat geeft ook niks. Ik eet gewoon door. En je heb toch de gezelligheid. Dat je niet zo allenig ben, dat vind ik 't voornaamste.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.