+ Meer informatie

Van het Zendingsveld

Willem Carey. Wachten op Gods tijd.

4 minuten leestijd

(31.)

Laatst hoorde ik de uitdrukking: „Als God me bekeren wil, dan kan Hij dat evengoed doen aan de zeedijk dan in de kerk." Wat een dode lijdelijkheid! Eigen wil en zin doordrijven boven de middelen waar te nemen, die de Heere niet alleen heeft geschonken, maar zelfs gebóden om die te gebruiken, 't Is schuldige plicht, daar wij uit Gods handen zijn voortgekomen en de Heere de grote Wetgever is, de Heere der heren en de Koning der koningèn.

Een soortgelijke uitdrukking moest ook Willem Carey aanhoren, 't Was predikanten-conferentie te Leicester, waar verschillende zaken werden besproken. Verwonderen we ons dat Carey de zending ter sprake bracht? Hij stelde de vraag of het bevel van Christus aan de Apostelen om heen te gaan in de gehele wereld om het Evangelie te prediken aan alle volkeren, niet de plicht was van al Gods knechten.

Daar lag de vraag in het midden. Wie zal antwoord geven en hoe zal dat antwoord luiden? Aan de gezichten is wel te zien, dat het een vraag is, waarmee weinigen zijn ingenomen. De een zegt dit, de ander dat, maar wat er gezegd wordt komt daarop neer, dat Carey die muizenissen maar uit zijn hoofd moet bannen.

Wat hebben we ons te bekommeren om de heidenen?

Zie, daar staat een oude leraar op. Die zal wellicht aan Carey's zijde gaan staan. Zo zouden we verwachten. Maar hoor, de oude man is de felste tegenstander: „Ga zitten, jonge man, " roept hij Carey toe. „Wat verbeeldt ge U? Gij zijt een misselijke ijveraar om met zulk een vraag te komen. Als God de wereld bekeren wil, kan Hij dat best doen zonder uw hulp." (Horen we de man die over de zeedijk praatte? ) En verder gaat de grijsaard: „Als er wat gedaan moest worden, dan zullen we moeten wachten op een tweede Pinksterdag, die de gaven der wonderen brengt."

Het spreekt wel vanzelf, dat Carey tegen deze stroom niet oproeien kon. Teleurgesteld gaat hij naar huis, maar diep in zijn hart is bij hem de wetenschap, dat zijn collega's dwalen en dat hij het bij het rechte eind heeft.

Als weleer bij Luther, vloeien de woorden uit zijn pen. Hij moet schrijven. Het is niet te stuiten. Het is het gebod des Heeren om alle creaturen te onderwijzen;

vroèger niet all , maar ook nü. Het gebod geldt altijd, zolang we in deze bedeling zijn. Ernstig worden de lezers opgeroepen om te bidden voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk, maar niet alleen bidden, ook werken. En dat werken zou dan moeten bestaan in het afzonderen van geld. Als ieder elke week een penning weglei voor de zending, wat zou er dan al niet kunnen gebeuren!

Ook gaf Carey een duidelijk overzicht van de verschillende volken en velerhande godsdiensten in de Oude-en Nieuwe wereld; van de gebieden, die tot nu toe waren bewerkt en de stand van zaken daar op heden.

De titel van het geschrift, dat wel genoemd wordt „het eerste en het grootste zendingsgeschrift in het Engels" luidde: „Onderzoek naar de verplichtingen der Christenen om middelen te gebruiken ter bekering van de heidenen."

Kwamen de stellingen van Luther „heet van de pen" aan de kerkdeur terecht, helaas, zo zou het niet gaan met Carey's geschrift. Er was geen medewerking, gans geen belangstelling en zelf zag hij geen kans om zijn \verk te laten drukken, daar het hem aan geld ontbrak.

Wat een ontmoediging! Zou nu al zijn werk tevergeefs zijn? Hoe wonderlijk zijn Gods wegen, maar ook hoe diep gaan ze veelal. Jozef komt in de gevangenis terecht; de jongelingen in de vurige oven; Daniël temidden van de leeuwen; Paulus en Silas met hun voeten in de stok. Hoe moeilijk is het te wachten op 's Heeren tijd. Wat duren zes jaren lang! En toch, zes jaren moet Carey wachten eer er een ietsje verandering valt te bespeuren. Maar dan !

31 Mei 1792 is het weer predikantensamenkomst en Willem Carey moet preken. Hij doet dit naar aanleiding van Jesaja 54 : 2 en 3:

„Maak de plaats uwer tent wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide; verhinder het niet; maak uwe koorden lang, en steek uwe pinnen vast in. Want gij zult uitbreken ter rechter-en ter linkerhand; en uw zaad zal de Heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen.

Nu zou er wat te horen zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.