+ Meer informatie

Uitgangspunt bij het huisbezoek

10 minuten leestijd

Nu de tijd van het huisbezoek weer daar is komen ook, vooral bij hen die dit ambtelijk bezoek moeten afleggen, de vragen, die daarmede verbonden zijn, weer naar voren. En dat zijn er, voor wie over dit werk in de gemeente nadenkt, nogal wat. Nu ligt het niet in de bedoeling van dit artikel al deze vragen aan te snijden. Het gaat voornamelijk om één punt n.1. het uitgangspunt voor de benadering van hen, die wij bezoeken.

Wij gaan toch niet zonder enige lijn in onze gedachten op bezoek, in afwachting of er zich een gesprek ontwikkelt of niet.

Het kan zelfs aanbeveling verdienen dat de ouderlingen, al of niet onder leiding van een predikant, aleer men op huisbezoek gaat deze aangelegenheid samen eens doorspreken. Het verdient tooh wel aanbeveling dat er een zekere eenheid is in de wijze, waarop men de gemeente bearbeidt.

Dat men in de huizen op bezoek komt vloeit vcort uit het feit dat de gezinnen of alleenstaande personen bij de gemeente behoren. Het is een onderdeel van de pastorale zorg aan de gemeente, welke doelbewust dient te geschieden en op deze wijze leiding zoekt te geven tot geestelijke welstand van de gezinnen en de enkelingen. Men komt niet om een toespraak te houden, die zij, die bezocht worden, ondergaan en met een bevestigend „ja" of een instemmend knikken beantwoorden. Indien enigszins mogelijk dient er een gesprek te zijn. Wat dient nu bij dit gesprek het uitgangspunt, de basis, de achtergrond te zijn?

Aanvankelijk, vooral bij Calvijn, was dat het H. Avondmaal dat gevierd stond te worden. Men wekte tot deze viering op, sprak over de wijze waarop dit diende te geschieden en drong er op aan dat onderlinge moeilijkheden of onenigheden dienden te worden opgeruimd. Hierin was een zekere eenzijdigheid maar het had dit voor, dat men uitging van een gegeven in de gemeente en dat tot uitgangspunt nam.

Later zag men het huisbezoek meer als „zielsbezoek” en werd de nadruk gelegd op de persoonlijke gesteldheid van de bezochten. Dit geschiedde dan niet zelden naar een of ander schema van geestelijk leven dat de achtergrond vormde van het gesprek. Dat men hierbij aandacht schonk aan het persoonlijke element was juist. Hierbij dreigde echter het gevaar van een zeker methodisme. Men ging niet uit van in het leven van de gemeente aanwezige gegevens. Het gevaar was hierbij ook aanwezig dat men het gegevene in de gemeente zag als maar iets uitwendigs en het persoonlijk geestelijk leven als een zaak, die daar geheel los van stond.

Met deze opmerking is niet gesteld dat het huisbezoek een soort informatie-bezoek is, waarbij men een soort vragenformulier afwerkt — zoals soms gebeurd is — in de trant van: Gaat u trouw ter kerk? Gaan de kinderen naar de catechisatie? Hoe groot is uw bijdrage? Viert u trouw avondmaal? Wanneer men op deze wijze te werk zou gaan dan krijgt het ambtelijk bezoek een ambtenaarlijk karakter. En al wat ambtenaarlijk wordt in de kerk is een nare zaak. Om een goed uitgangspunt te verkrijgen voor een gesprek op het huisbezoek heeft men wel eens beproefd om een Schriftgedeelte te lezen en dit tot uitgangspunt van het gesprek te nemen. De kerkeraad stelt dan voor een bepaald huisbezoek-seizoen vast wat in in alle gezinnen gelezen zal worden en geeft enkele lijnen aan, die bij het gesprek in het oog dienen gehouden te worden. Zelf heb ik deze methode nooit beproefd maar het komt uiij voor dat het lang niet in alle gezinnen gelukt om daarmede een goed gesprek op gang te krijgen. De keuze is vrij willekeurig en de stof van het gelezene zal niet in alle gezinnen aanslaan. Gaan de bezoekbroeders zelf teveel spreken over het Schriftgedeelte dan krijgt het bezoek het karakter van een soort woordbediening in het gezin. En dat kan — hoe betekenisvol op zichzelf misschien ook — niet de bedoeling van het huisbezoek zijn.

In verband met het uitgangspunt bij het uisbezoek heeft men wel op eenzijdige wijze nadruk gelegd op bepaalde facetten van d’eze abtelijke arbeid in de gemeente des Heren.

Men ging dan uit van de ambtelijke arbeid van Christus als Middelaar. Hij is de grote profeet en leraar, de enige hogepriester en de eeuwige koning. Door de ambtsdragers verricht hij mede deze arbeid aan en in zijn gemeente. Men heeft daarbij nu gevraagd op welk element uit de ambtelijke arbeid van Christus nu in het huisbezoek de nadruk moet vallen. Sommigen hebben de klemtoon gelegd op het profetische element in deze arbeid. (Zo bijv. dr. A. Kuyper). Men zag het huisbezoek dan als een verlengstuk van, en als een toespitsing van de prediking. In de prediking werd heel de gemeente aangesproken en onderwezen, in het huisbezoek kwam het dan aan op de zeer bizondere toepassing van het woord op de in het huisgezin aan d'e orde zijnde noden en vragen. Zo staat het onderwijzend element bij het huisbezoek in het middelpunt.

Anderen hebben de nadruk anders gelegd. Zij stelden het priesterlijk element in de arbeid centraal. (Bijv. ds. A. W. Wiersenga in zijn werk „Weidt mijne schapen”. Het gaat er dan om in priesterlijke bewogenheid in te gaan op de persoonlijke gesteldheid van degenen die bezocht worden. Hierbij komt d'an meer het persoonlijke bevindelijke element aan de orde, waarbij daarin, al naar de behoefte is, leiding gegeven kan worden. De bezochten moeten dan het gevoel krijgen dat ze in hun vragen en zoeken door de ambtsdragers verstaan worden.

Tenslotte hebben anderen (o.a. dr. A. A. v. Ruler) het accent gelegd op het koninklijk element in de arbeid van het huisbezoek. Men kan er dan in zien een zekere vorm van tucht over de gemeente, waarin het koninklijk regiment van Christus over zijn gemeente tot uitdrukking komt Christus leidt zijn gemeente door zijn ambtsdragers.

Het lijkt mij niet juist op één van de facetten van de ambtelijke arbeid zo sterk de nadruk te leggen dat deze geheel het huisbezoek beheerst. De functionering van deze onderscheiding is in dé ambtsbediening van Christus zelf ook niet zó gescheiden dat elk op zichzelf staat. Christus' ambtswerk is een geheel. Het is daarom ook niet juist om in het werk van de ambtsdragers zo sterk te onderscheiden tussen het profetische, priesterlijke en koninklijke element in hun arbeid. Hier moet veel meer op de éénheid ervan dé nadruk vallen.

Daar komt nog bij dat de benadering van het huisbezoek alleen van de ambten van Christus uit en de weerspiegeling daarvan in het werk van de ambtsdragers te eenzijdig is voor mijn gevoel.

Op deze wijze wordt de gemeente als zodanig teveel uit het oog verloren. Zeker mag in de beschouwing van het huisbezoek een plaats gegeven worden aan wat Christus door Zijn ambtsdragers doet, maar deze arbeid geschiedt in en aan de gezinnen en personen, die tot de gemeente behoren. En deze gemeente is ook een schepping Gods voortvloeiend uit het heil dat Hij op aarde openbaart. De werkelijkheid van- en in deze gemeente is ook mede bepalend voor de visie op het huisbezoek.

Deze werkelijkheid kan men van twee zijden benaderen. Eenerzijds van de zijde Gods. Hij heeft aan de gemeente vele weldaden geschonken, waarin alles aanwezig is, waaruit de gemeente, wanneer zij met een levend geloof daarin geworteld is, kan leven.

Anderzijds is er de werkelijkheid' van de gemeente. In haar zijn niet allen deelgenoten van een levend geloof, en als zij dat kennen komt dat lang niet bij allen tot die ontplooiing, die mogelijk is en voor de rechte geestelijke welstand van de gemeente ook nodig is.

Soms heeft men deze beide zijden waarop ik wees geheel geïdealiseerd. Men zag het dan zo: De beloften die de Here aan zijn gemeente gaf houden in dat al wat daarin toegezegd is ook in werkelijkheid’ har eigendom is; voor de gemeente blijft dan alleen maar de noodzaak, daar dankbaar uit te leven. Naar deze visie zijn ook de beide werken, die d's. C. Vonk over het huisbezoek schreef opgezet. Het eerste deel draagt tot titel: „Huisbezoek in Gods gemeente"; het tweede sluit daarop aan met de titel: „Huisbezoek naar Gods geboden” De wet wordt daarin dan alleen gezien als de regel der dankbaarheid, waarnaar de beweldadigde gemeente Gods heeft te leven. Bij een dergelijke benadering wordt de werkelijkheid in de gemeente teveel uit het oog verloren.

Deze werkelijkheid is zo dat de gemeente allereerst een beloftegemeenschap is. De beloften Gods zijn haar en haar zaad toegezegd en deze beloften worden haar betekend en verzegeld in de sacramenten. Zondag 27 van de Heidelb. Catechismus belijdt nadrukkelijk dat de kinderen niet minder dan de volwassenen in Gods verbonden en zijn gemeente begrepen zijn. Maar in deze beloftegemeenschap klemt juist de vraag of zij ook geloofsgemeenschap is, of elk voor zich deze beloften verstaat, of men de noodzaak van daaruit te leven kent m.a.w. of men daar werkzaam mee is en daarin door een levend geloof groeit en vastigheid vindt.

Vanuit deze visie dient men de gemeente op het huisbezoek te benaderen. Men is dan in de lijn van de Schrift en de belijdenis. Van de Schrift, die telkens de noodzaak stelt om door de Heilige Geest geleerd' de beloften en eisen van Gods verbond op de juiste waarde te leren schatten en van de belijdenis der kerk, die doorklinkt in de onderscheiding, die het doopsformulier kent, waar onderscheid gemaakt wordt tussen datgene, wat wij in Christus hebben, en de toeëigening door de Heilige Geest daarvan in de harten. Men moet van deze onderscheiding geen absolute tegenstelling maken alsof dit laatste geheel iets anders zou zijn dan het eerste. Neen, ook dit wordt juist aan de gemeente belooftq\

Het huisbezoek dat deze kijk op de gemeente in het oog houdt vindt in deze gemeente drie van God gegeven zaken, waarvan men moet uitgaan of die men althans, voor een vruchtbaar gesprek voortdurend in het oog moet houden. Het eerste is de bediening van het Woord; het tweede: de bediening van de sacramenten;

het derde: het leven in de gemeenschap van het verbond.

Dit zijn weldaden, die de Here aan zijn gemeente als beloftegemeenschap geeft. De huisbezoekers moeten niet de houding aannemen als deze weldaden maar uitwendig” en voorwerpelijke zaken zijn en dat het op het huisbezoek om het inwendige en onderwerpelijke gaat. Het behaagt de Here om in en onder de bediening van deze zaken, die Hij zijn gemeente schenkt, het leven te doen vinden en de verwondering te doen genieten dat men als een schuldig en verloren zondaar daaruit mag leven.

Men heeft, wanneer men deze weldaden in het oog houdt, telkens weer een uitgangspunt, in datgene, waarmee de Here zelf tot ouderen en jongeren in de gemeente komt. Wat de dienst des Woords betreft is er een veelzijdige mogelijkheid om daarvan uit de bezochte gezinnen of enkelingen te benaderen. Ik kan in dit artikel niet al de mo'gelijkheden die bier zijn, aan geven. Het lijkt mij trouwens ook niet nodig.

Een andere weldaad, die de Here aan zijn gemeente geeft zijn de tekenen en zegelen bij het Woord. Hieromtrent is veel misverstand en vaagheid in de gemeente. Er is overschatting en geringschatting omtrent deze weldaden.

Het huisbezoek heeft uitgaande van deze weldaden ook hier veelzijdige mogelijkheid voor een gesprek.

Niet minder is dat het geval met het derde punt dat ik verbondsgemeenschap noemde. Gemeenschap is altijd wederkerig; men heeft elkander nodig. Hoe beleeft men deze zaak naar binnen maar ook naar buiten.

Het komt mij voor dat wanneer men op het huisbezoek deze drie gegevens, die tot de weldaden der gemeente behoren, in het oog houdt, zonder daar nu een vaststaand schema van te maken men een uitgangspunt heeft van waaruit men alle punten, die bij het bezoek in de gemeente aan de orde behoren te komen benaderen kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.