+ Meer informatie

De droeve historie van een Indonesische kok

9 minuten leestijd

In een ver verleden kookte Mike Wovs^or In Djakarta voor de groten der aarde. President Soekarno, Chroesjtsjov, de prins van Japan, de ministerpresident van Mexico. Nu runt hij in Apeldoorn de toko Sunda Kelapa en het noodlijdende eethuis Palm Inn. Toch bleef hij een optimist. „Volgens mijn vrouw meer optimist dan realist."

Zijn woning aan een Apeldoorns woonerf heeft niets Indonesisch, of het moet de rommel rond de voordeur zijn. In de achtertuin bleef meer van de sfeer van Insulinde behouden. Als het even kan brengt Mike Wowor z'n luttele vrije momenten door onder de parasol.
Zijn leven is anders verlopen dan hij in '83 hoopte. Toen verwachtte hij met zijn zestigste jaar de schaapjes op het droge te hebben. Met zijn kokskwaliteiten moest het een koud kunstje zijn om een florerende keten van Indonesische eethuisjes op te zetten. Na verkoop ervan zou hij eindelijk tijd krijgen om in zijn hof onbekommerd te genieten van een kruidensigaret. In plaats daarvan draaft hij harder dan ooit. Het in '95 overgenomen eethuis Palm Inn hangt als een molensteen aan zijn hals. Aan alle kanten wordt aan hem getrokken. Door leveranciers, opdrachtgevers, de bank, zijn vrouw. „Het valt niet mee om optimistisch te blijven. Maar ik kan gelukkig nog steeds lachen."

Nederlandse sfeer
Wowor senior was werkzaam aan de universiteit van Djakarta, eerst als administrateur, later als referendaris. Het waren de beginjaren van de jonge republiek Indonesië. „Mijn vader stond achter de strijd voor de onafhankelijkheid, maar we zijn sterk westers opgevoed. Mijn moeder had een Nederlandse vader. Thuis bleven ze ook gewoon Nederlands spreken. Door de ontwikkelingen van het land werd je je bewust van je eigen identiteit, maar dat gevoel van verbondenheid aan Nederland gaat nooit weg. Dat is blijven bestaan, bij mijn ouders en ook bij mij. Mijn vader steunde het nationalistische streven van Soekarno naar een groot Indonesië. Alles wat aan het kolonialisme herinnerde, moest verwijderd. Het opvallend is echter, dat dat alleen op politiek gebied gold. In de persoonlijke sfeer bleef de relatie met Nederlandse mensen prima."

Beminnelijke man
Mike werd door zijn werk nog dagelijks aan het koloniale verleden herinnerd. Als leerling-kok was hij verbonden aan het elitehotel 'De Nederlanden', het latere Dharma Nirmale, pal naast het presidentieel paleis van Soekarno. Toen hij er in dienst trad, was dat nog in Nederlandse handen.
„Door de ligging van het hotel werden we vaak ingeschakeld bij speciale gelegenheden. Vooral wanneer er gasten uit het buitenland kwamen: de prins van Japan, Chroesjtsjov, de president van Mexico. Indonesië beschikte zelf nog niet over de kennis en de ervaring om op dat niveau recepties te verzorgen. Zo nodig assisteerden we ook in buitenpaleizen van Soekarno, in Bogor, of op Bali."
In de herinnering van Wowor leeft de eerste Indonesische president voort als een aimabel mens. „In de tuin stond hij vaak met de tuinman te praten. Als hij mij zag, informeerde hij wat er die avond op tafel zou komen voor de gasten. Je herkende in hem dan niet de leider die voor het volk fel en gedreven zijn ideeën predikte. Binnenshuis was het een beminnelijke man, met een bijzondere zwak voor lieve dametjes. Op een dag is het paleis nog beschoten door een luchtmachtofficier, omdat Soekarno diens vriendinnetje benaderd zou hebben."

Vader des vaderlands
In 1962 werd Dharma Nirmala bij het paleis ingelijfd, als onderkomen voor de lijfwacht van de president. Wowor vertrok naar het internationale restaurant Mirassa, waar hij als chefkok ging samenwerken met een Franse, een Japanse en een Chinese collega.
Zijn achting voor Soekarno bleef onaangetast. „Je zag hem als de vader des vaderlands. Nu kijk ik daar wat anders tegenaan, al beschouw ik hem nog steeds als een groot man. Het is hem gelukt Indonesië tot een onafhankelijke eenheidsstaat te smeden. Veel Afrikaanse landen worden sinds hun onafhankelijkheid geplaagd door twist. Tegenstellingen worden dermate op de spits gedreven dat ze elkaar zelfs uitmoorden. Soekarno heeft altijd de noodzaak van samenwerking benadrukt. Daarin was hij zijn tijd ver vooruit.
Om zo'n immens land, met zo veel verschillende volken en culturen bij elkaar te houden, dat vind ik knap. Natuurlijk waren er gebieden die naar onafhankelijkheid streefden, maar zeker in die tijd was Indonesië beter af met de eenheidsstaat, denk ik. In die ontwikkelingsfase had het land een sterke, dictatoriale man nodig."

Bedreigd
De desillusie kwam voor Wowor toen Soekarno aan ging pappen met communistische leiders. ,A^chteraf zeg ik: In zijn hart is hij nooit een communist geweest. Hij was een pure nationalist. Een pragmaticus. Omdat hij met het Westen mot had, zocht hij steun bij de communisten. Maar het spreekwoord zegt: 'Wie met pek omgaat, wordt ermee besmeurd'.
De Partai Komunis Indonesia ging zich steeds agressiever opstellen. In 1964, het jaar voor de coup, werden bijna dagelijks demonstraties gehouden door de communisten. Ook in de wijk waar wij woonden veroverden ze in snel tempo de sleutelposities. Dat ging rap, héél rap. Je begon je bedreigd te voelen. Ook onze familie werd geïntimideerd. De communisten hadden het geld en de macht.
Soekarno bleef pleiten voor vreedzame samenwerking, maar hij had politieke krachten losgemaakt die hij zelf niet meer in de hand had. Met gevolg dat hij door zijn eigen stommiteit de zondebok werd. Hij heeft zich te veel voor het karretje van de communisten laten spannen. Terwijl hij in zijn eigen redevoeringen het communisme nooit gepropageerd heeft."

Heksenjacht
Na het ingrijpen door generaal Soeharto was Wowor actief betrokken bij de zuiveringsacties. „Er werd een soort burgerwacht ingesteld. We kregen allemaal een pistool en moesten iedereen oppakken die had geheuld met de communisten. Dat is een heksenjacht geworden waarvan ook onschuldigen het slachtoffer werden. Daar ontkom je in zo'n situatie niet aan. Voor een aantal mensen was het een goed moment om een vete te beslechten, door de tegenpartij af te schilderen als een communist."
In '69 verliet de Indonesiër zijn vaderland. Uit economische motieven. „Ik maakte enorm lange dagen en je verdiende maar karig. Daarom ben ik naar Europa gegaan, als officierskok op een Engels vrachtschip. Dat was geen succes. Ik had geregeld ruzie met de kapitein, een kolonialistische Engelsman, die meer dronken dan nuchter was. In Hamburg ben ik afgemonsterd en vandaar naar een neef gegaan, die voor de NAVO in Duitsland werkte. Op zijn advies ben ik doorgereisd naar Nederland."

Toko
Via een meubelfabriek belandde de voormalige topkok bij de Philipsvestiging in Apeldoorn, waar hij opklom tot medewerker internationale-orderafhandeling. Het waren de magere bedrijfsperspectieven die hem ertoe brachten z'n oude stiel weer op te pakken. „Ik hoefde niet weg, maar je voelde steeds de dreiging. Dan gingen er honderd uit, dan tweehonderd. Stapte je vrijwillig op, dan kreeg je een kleine financiële handdruk. Ik dacht: 'Weet je wat, ik keer terug naar m'n oude beroep'. In '83 ben ik met de toko begonnen. Dat leek me wel leuk. Een beetje koken en een beetje handel drijven. Ik kan goed koken, dus het leek me eenvoudig om een bedrijf op te zetten en dat uit te bouwen tot een keten van toko's en restaurants."
De realiteit was minder zonnig. „Het probleem is dat ik niet echt een manager ben. Het runnen van een bedrijf vraagt heel wat meer dan alleen maar koken. In het begin liep het goed. Er waren in die jaren nog niet zo veel Indonesische eethuisjes. Ik verkocht kant en klare gerechten, we verzorgden feestjies en de bekendheid van de toko nam snel toe."

Restaurant
Twee jaar geleden ging een oude wens van Wownr in vervulling. Naast de toko begon hij een heus restaurant. Nu verfoeit hij de dag waarop hij samen met een neef Palm Inn overnam. Ook zijn compagnon bleek zakelijk inzicht te missen. „We zijn te lichtvaardig en wat mijzelf betreft te optimistisch begonnen. Het werd een flop. Na een jaar gingen we alweer uit mekaar en dreigde ik failliet te gaan.
Zo ver is het gelukkig nog niet gekomen, al ligt Palm Inn wel als een loden last op m'n schouders. De klandizie begint nu te groeien, maar ik zit met een te grote schuld. Dat is iets waar je slapeloze nachten van krijgt. Wat we nodig hebben is een goede promotie, een professionele aanpak van de dingen. Aan de kwaliteit van het eten ligt het niet. Dat zegt iedereen. Het probleem is dat ik me voor honderd procent op het koken concentreer en daardoor te weinig tijd overhoudt voor het management. Dat ligt me niet. Ik bemoei me te veel met de details in plaats van met de grote lijnen.

Harder
Dat wreekt zich volgens de Indonesische ondernemer te meer, nu de Nederlandse samenleving verhardt. „Vooral de laatste jaren. Vroeger was het leven hier eenvoudiger. Prettiger. Je ziet nu een verzakelijking optreden, in het gedrag van de mensen onderling, de samenwerking tussen bedrijven, de regelgeving door de overheid. Zeker op economisch gebied gaat het keihard toe. Daar moet ik een beetje aan wennen. Ze zeggen niet voor niks dat je vooral op de kleine lettertjes moet letten. Ik ben te goed van vertrouwen. Dat levert soms problemen op."
Daarbij signaleert de Indonesiër bij zijn eigen landgenoten een onvermogen om effectief samen te werken. „Het is nooit tot een bundeling van Indische toko's gekomen. Daardoor missen we de mogelijkheden die vereniging van krachten biedt, zoals Soekajno. heeft geleerd. Neem ketens als de AKO, Bruna, Videoland. Die staan sterk. Bij ons lukt dat niet. Het zit denk ik in onze volksaard. Ik ben voorzitter van de Bond van Minahassers geweest. Nook kon je tot eenheid komen. Bij de Molukkers is het precies zo. De Chinezen kunnen wel samenwerken. Daardoor hebben die het veel beter gedaan. Van de Indische toko's is inmiddels het grootste deel gesneuveld."

Lekkere hapjes
Door de financiële misère zijn bezoekjes aan Indonesië voor Wowor momenteel uitgesloten. Dat maakt de last van Palm Inn dubbel zwaar. „De band met het land blijft bestaan. De natuur, de cultuur, de sfeer, het volk... Als we er een bestaansmogelijkheid hadden, zou ik zo terug willen. Al zijn we op papier Nederlandse staatsburgers, je blijft Indonesiër."
Tegelijk moet hij erkennen dat ook Indonesië niet meer de oude is. „Economisch onrwikkeh het land zich enorm, maar dat gaat gepaard met een sterke Amerikanisering. Slechts een deel van de bevolking profileert van de economische groei. De tegenstellingen worden groter, het egoïsme neemt toe. Wat dat betreft kan ik misschien net zo goed hier blijven. Mijn grote droom is dat ik nog eens een goedlopend restaurant zal krijgen. Waar ik mensen kan verwennen met Indonesische specialiteiten. Lekkere hapjes, door onszelf klaargemaakt."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.