+ Meer informatie

De Schoolstrijd

6 minuten leestijd

(3.)

Drang naar Chr. Onderwas.

De afscheiding van het Nederlands Hervormde Kerkgenootschap (1834) bracht ook met zich mee een drang naar waarlijk Christelijk Onderwijs. Dit is zeer begrijpelijk. Zij, die niet meer konden blijven in een kerkgenootschap, waar Christus verloochend werd en waar leervrijheid heerste, daar de band aan de aloude Gereformeerde belijdenisschriften verbroken was, konden ook geen genoegen nemen met een school, waar aan de kinderen geen godsdienstonderwijs gegeven mocht worden op grond van Gods Woord en de drie formulieren van Enigheid.

Immers ging de ontkerstening van de Openbare school steeds door. Dit was een langzaam voortschrijdend proces, dat vooral sedert 1815 door de regering van Koning Willem I om politieke redenen krachtig bevorderd werd. In het jaar 1815 toch waren volgens besluit van de grote mogendheden Noord-en Zuid-Nederland, een Protestants en een Rooms land, tot één rijk verenigd. Eén van de middelen om de eenheid van alle Nederlanden (die sedert 1579 om godsdienstige oorzaken gescheiden waren) voor de toekomst te verzekeren was: het onderwijs in te richten volgens de geest der verdraagzaamheid. Neutraliteit alzo: kleurloosheid! Dit streven blijkt uit enkele kenmerkende symptonen, zoals:

In 1821 wordt door het gouvernement Noord-Holland voorgeschreven, dat er tweemaal per week op de school uit de Bijbel gelezen moet worden, maar — zonder de kinderen van de ouders, die daar bezwaar tegen hebben.

En volgens een schoolopziener in 1827 mocht het niet te merken zijn, of een onderwijzer Turk, Jood of Christen was!

En in de dertiger jaren is het zover gekomen, dat een zekere meester Beerda uit Suawoude ontslagen werd, omdat hij het Kort Begrip gebruikte op school, welk boekje behoorde tot het „opzettelijke leerstelsel van een bijzondere Kerkgenootschap" en daarvoor was toch op de Openbare School, die broederliefde en verdraagzaamheid moest aankweken, geen plaats! En vraagt ge, wie de tegenstanders waren van meester Beerda? Hoewel hij van allerlei dorpsbewoners vele kwellingen had te verduren, werd de actie vooral gevoerd door de schoolopziener (die tevens predikant was) en de plaatselijke Ned. Herv. predikant. Tekenend voor die dagen!

Toen de drang groter werd om eigen scholen te stichten, werd het steeds duidelijker, dat de Onderwijswet van 1806 daartoe geen onbelemmerde vrijheid gaf. Immers, deze wet eiste voor het oprichten van een bijzondere school authorisatie (d.i. goedkeuring) door het gemeentebestuur. Wanneer nu de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen een school aanvroeg, werd de toestemming door de gemeentebesturen wel gegeven. Ook nog wel, als een diaconie een armenschool wild^ oprichten. Maar werd de aanvraag gedaan door hen, die zich niet konden verenigen met de heersende geest bij het Openbaar Onderwijs, dan werd de aanvraag stelselmatig geweigerd.

In Dwingeloo zijn de Afgescheidenen zodoende gekomen tot een geoorloofde wetsovertreding, omdat men wist, Gode meer gehoorzaam te moeten zijn dan de mensen. Zonder authorisatie aan te vragen, richtte men een school in in een deel van het kerkgebouw. Vele waren de moeilijkheden met leermiddelen, leerkrachten en lokaliteit, maar die getroostte men zich gaarne. Gelukkig kwam de schoolopziener weinig op het dorp en als hij kwam, moesten snel de leermiddelen enz. weggeborgen worden. Toen er echter een nieuwe burgemeester kwam, kon men de school niet langer handhaven en enkele jaren voordat een nieuwe Onderwijswet kwam in het jaar 1857 (welke wet wat meer vrijheid gaf) werd de school opgeheven. In de buurt van Dwingeloo moeten meer van zulke clandestine scholen geweest zijn.

In het jaar 1837 verscheen van de hand van Mi-Groen van Prinsterer een boekje, waarin hij het opnam voor de Afgescheidenen (,, De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst"). Hierin toonde hij ook hun recht aan om dat onderwijs aan hun kinderen te doen geven, waartoe zij zich bij hun Doopseed jegens God en zijn Gemeente verbonden hadden.

Steeds sterker wordt in het land de roep om vrijheid van onderwijs. Niet alleen de Protestanten, maar ook de Roomsen verlangen deze vrijheid. De hoop werd gevestigd op de grondwetswijziging van 1840, maar deze bracht in dat opzicht teleurstelling.

Het K.B. van 1842.

Koning Willem II wilde nu aan de bezwaren van zijn onderdanen t.o.v. de onderwijswetgeving tegemoetkomen. Hij stelde nu een Staatscommissie in, die hem van advies moest dienen, waartoe ook Groen behoorde. Groens mening week zozeer af van die van de overige leden, dat hij een minderheidsrapport indiende bij de koning. Daarin kwam Groen op voor:

1. de facultatieve splitsing van de openbare school in een Protestantse, Roomse en Joodse school. Zo kon er naar zijn mening belijnd godsdienstonderwijs op de openbare school gegeven worden.

2. onvoorwaardelijke vrijheid voor het oprichten van bijzondere scholen. Nu was er vrijheid behoudens authorisatie door de plaatselijke Overheid. „Behoudens authorisatie vrijheid te hebben is dunkt mij ook het voorrecht van de slaaf, " aldus Groen.

Doch de overige leden van de Staatscommissie waren van oordeel, dat de voorstellen van Groen zouden leiden tot vernietiging van het Onderwijs. Vooral prof. Hofstede de Groot, leider van de opkomende Groninger richting, was Groens felle tegenstander.

Er kwam in 1842 een Koninklijk Besluit, dat enkele zaken betreffende het Onderwijs nader regelde, doch dit K.B. stelde bitter teleur. De voornaamste bepalingen waren:

1. De verplichting om authorisatie aan te vragen bij bet gemeentebestuur, als men een bijzondere school wilde oprichten, bleef gehandhaafd. Weigerde een gemeentebestuur, dan stond er beroep open bij de Gedeputeerde Staten.

2. Het onderwijs zou een belang blijven van louter burgerlijk-maatschappelijke aard. (We zien dus wat er over was gebleven van de „Christelijke deugden" uit de wet van 1806.)

3. De eis, dat het onderwijs neutraal moest zijn werd scherp geformuleerd en aan alle geestelijken werd het recht toegekend om censuur uit te oefenen op de gebruikte leerboeken.

Deze laatste bepaling was de ergste. Zij maakte het voortaan mogelijk, dat de Joodse Rabbijn en de Roomse Pastoor het gebruik van de Bijbel op de openbare school konden weren. Wat een moeilijke tijd brak er nu aan voor die onderwijzers, die getrouw wensten te blijven aan wat zij zagen als hun roeping, nl. om de jeugd hen toebetrouwd allereerst te onderwijzen uit Gods Woord en hen bekend te maken met de weg der zaligheid, daarin geopenbaard.

Hier mag niet verzwegen worden de naam van B. Gangel te Appeltern, die getrouw bleef in zijn onderwijs. Een jong pastoor protesteerde tegen het Bijbels onderricht door Gangel gegeven, maar Gangel ging door. De pastoor ging samenspannen met de Hervormde predikant en vele Hervormden, die Gangel te „fijn" vonden, met de schoolopziener en met de burgemeester. Onnoemelijke plagerijen heeft Gangel moeten verduren. Daarna werd hij voor 6 weken geschorst en daar hij nog niet toe wilde geven tenslotte ontslagen. Gelukkig stond voor deze getrouwe werker een andere werkkring open.

Er zijn er meer geweest, die zo hebben moeten lijden voor de naam en de zaak des Heeren. De ruimte zou ons ontbreken van hen allen te verhalen, maar laten we deze dingen in gedachte houden. De tijden konden wel weer eens aanbreken, dat het onze onderwijzers verboden werd onderwijs te geven uit en naar Gods Woord!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.