+ Meer informatie

PREDIKING EN EVANGELISATIE

8 minuten leestijd

In dit artikel wil ik graag de aandacht vestigen op twee boeken die zich bezighouden met bovenstaand thema. Beide verschenen bij uitgeversmaatschappij Kok aan het einde van het vorige jaar.

Prof. Runia, juist dezer dagen 25 jaar hoogleraar, eerst voor meer dan de helft van die periode in Australië, doceert in Kampen homiletiek. Dat is predikkunde. Hij schreef een boekje (96 blz., prijs f. 19,90) onder de titel: Heeft preken nog zin?

De secretaris van de Evangelische Alliantie, ds. W.J. Bouw, verzorgde de redactie van het boek Evangelisatie. Wat verstaan we er onder? De ondertitel luidt: Een bezinning vanuit de bijbel en vanuit de praktijk over evangelisatie en zending (199 blz., prijs f. 25,-). Dit boek telt niet minder dan tien auteurs, waaronder ook de professoren Versteeg en Verkuyl.

Deze beide publikaties laten zien dat preken en evangeliseren nog steeds de aandacht hebben van scribenten. Beide boeken zijn te typeren als een stimulans voor het uitvoeren van de opdracht om het evangelie aan de gemeente te prediken en aan de wereld om ons heen te brengen. Als zodanig zijn we blij met deze boeken.

Laat mij iets meer over de inhoud mogen vertellen. Runia verdeelt zijn boek in vier hoofdstukken. Onder de titel „Actualiteit” gaat hij in op de moeite die velen hebben met de preken die zij aanhoren, op de geringe waardering die er bij kerkmensen voor de prediking bestaat, en ook op de aarzeling van theologische studenten ten aanzien van de opdracht om te preken. Moet er werkelijk nog wel gepreekt worden, vraagt Runia in dit hoofdstuk. Hij meent dat er onderscheiden moet worden tussen preken in de zin van verkondigen èn in preken zoals dat ’s zondags in de kerk geschiedt. Dit onderscheid staat voor hem gelijk met een algemeen-theologische en een bijzonder-theologische vraagstelling. Hij betreurt het dat deze onderscheiding in de gangbare handboeken voor de predikkunde niet voldoende scherp aan de orde wordt gesteld. Het eigenlijke probleem ligt voor veel mensen, zo meent Runia, niet in de vraag of er nog wel verkondigd moet worden. Het eigenlijke probleem ligt bij de vraag of de preek zoals ze die horen, nog wel de echt bedoelde is.

Het is mij niet geheel duidelijk geworden, wat Runia met dit onderscheid denkt te winnen. Op geen enkele manier trekt Runia in twijfel dat er gepreekt moet worden. De verkondiging is een vast onderdeel geweest van de christelijke samenkomst. Zelfs stelt hij duidelijk dat er tussen de prediking aan de gemeente en die buiten de kerk geen wezenlijk verschil bestaat. Gradueel moge er onderscheid zijn, principieel gaat het om dezelfde boodschap.

Prediking blijft nodig. Wij hebben het heil niet uit onszelf. Het moet ons aangezegd worden. Het heil bestaat in wat God gedaan heeft in Jezus Christus. De heilsfeiten moeten verkondigd worden. Door de verkondiging van wat God gedaan heeft, komt een mens tot geloof. Het gaat om een persoonlijke relatie tot God en Christus, die niet buiten de kennis omgaat, doch die ook niet in kennis opgaat. Voor het leggen en onderhouden van die relatie is de verkondiging nodig.

In het derde hoofdstuk gaat Runia in op „Preken vandaag”. Het komt me voor dat hij dan toekomt aan wat hij zelf noemde het bijzonder-theologische. Dan valt op dat hij instemt met prof. Firet, die van de preek schreef dat ze geen levensvoorwaarde voor de kerk is. Zij behoort slechts tot een bepaalde cultuur. Er zouden ook andere middelen gevonden kunnen worden. Dat is tot heden nog niet gelukt. Niettemin is dat theoretisch denkbaar. Runia noemt dit een nuchtere en zakelijke benadering.

Op dit punt heb ik moeite met het betoog van Runia. Wie het citaat van Firet in de context van diens betoog leest, ontdekt al spoedig dat Firet niet zo helder spreekt over het kerugma en de verkondiging als Runia dat in hoofdstuk twee doet. Wat Runia aan Firet op het bijzonder-theologische punt toegeeft, heeft bij Firet ook consequenties voor het algemeen-theologische.

Het is jammer dat Runia dit niet aan de lezers duidelijk maakt. De aansluiting bij Firet moet verdergaande consequenties voor Runia hebben dan hij nu doet voorkomen. Die consequenties wil Runia, lijkt me, niet. Hij staat verder van Firet af dan zijn waardering voor Firets standpunt doet vermoeden.

Runia maakt een scherp verschil tussen preek en gesprek. Zelf zou ik dat verschil iets minder groot willen achten. In beide gaat het immers om het doorgeven van het Woord van God. Kenmerkend voor het gesprek acht hij de ontmoeting. Het is een gedachten-wisseling, waarin het soms zover kan komen dat het heil wordt aangezegd. Als ik het goed begrijp is dat aanzeggen van het heil niet het wezen van het pastorale gesprek. Daarin zou ik juist wel het wezen willen zoeken.

Maar goed, als er dan zo’n verschil is tussen preek en gesprek, moet men niet zo gemakkelijk de preek door een andere vorm vervangbaar achten. Op bladzijde 54 spreekt Runia toch weer positief over de preek als een onopgeefbaar element in de christelijke eredienst. Ik heb er wat moeite mee, te zien hoe deze stelling zich verdraagt met de lof die aan Firet wordt toegezwaaid.

Het slothoofdstuk in Runia’s boek is gewijd aan pluraliteit. Dat wil zeggen: er is zo’n veelheid van opvattingen over het Evangelie zelf, en over de betekenis ervan in ons leven, dat men soms wanhoopt aan eenheid in de prediking. Van de zijde van de Vrije Universiteit bijvoorbeeld is er juist een uitgebreide studie verschenen, die deze pluraliteit toejuicht. Op die bundel gaat Runia juist deze weken in het Centraal Weekblad in. Zijn kritiek is dat men niets meer voelt van de nood in de verscheidenheid van opvattingen.

Ik heb de indruk dat Runia in dit boekje de zaken iets minder duidelijk en scherp stelt. Hij wijst er wel op dat een eenheid als concentratiepunt moet blijven. Niettemin maakt hij niet duidelijk wat er gebeuren moet, als deze eenheid wezenlijk ontbreekt. Hier had toch wel ingegaan moeten worden op functie en bindende kracht van de belijdenis.

Het hoofdstuk eindigt met een uiteenzetting over ethische vraagstukken en over politieke prediking. Runia wijst op het betrekkelijke daarvan en waarschuwt tegen afglij-dingen. Die doen zich voor doordat het offer van Christus op de achtergrond gaat raken. Een wettische inslag en een monotoon karakter dragen zulke politieke preken. Zij laten het hart van het Evangelie niet meer zien. Het gaat, zo is de kritiek, om vooropgezette politieke oplossingen. Het is mij niet duidelijk hoe Runia zijn boekje toch kan eindigen met een citaat van Moltmann, die zich juist aan deze politieke prediking schuldig maakt. Is nu uitgerekend Moltmann de woordvoerder, die het pleidooi voor het Evangelie als een persoonlijke boodschap moet helpen afsluiten?

Men ziet dat ik bij waardering toch ook wat vragen heb. Het is moeilijk om in moderne vragen zijn weg te vinden. Runia tracht met mildheid en welwillendheid te waarderen, waar dat mogelijk is. Zelf zou ik liever beginnen bij wat de Schrift ons gebiedt en vandaar pas tot de vragen van de dag en hedendaagse auteurs komen. De tweedeling die Runia aan het slot van het eerste hoofdstuk als zo belangrijk bepleit, mist haar uitwerking in de rest van het boekje. Dat is jammer. Het lijkt mij dat het antwoord op de vraag in de titel positiever verwoord had kunnen worden dan nu geschiedt. Intussen verhindert deze voorzichtige kritiek mij niet te zeggen, dat het antwoord gelukkig toch positief luidt.

Over het andere boek wil ik iets korter zijn. Het opent met een prachtig hoofdstuk van prof. Versteeg over het zendingsbevel, zoals de drie evangelisten dat in verschillende bewoordingen hebben weergegeven. De verscheidenheid van bewoording heeft haar achtergrond in de eigen bedoeling van elk van de drie evangelisten. Zo komt het zendingsbevel in zijn veelkleurigheid aan de orde. Dit is niet alleen een knap, maar ook een bijzonder verrijkend en tegelijk goed leesbaar hoofdstuk. Alleen hierom al is het boek de moeite waard.

Verder wordt er een stuk informatie gegeven over wat in kringen van de evangelische beweging tegenover de opstelling van de Wereldraad van kerken wordt gezegd. De sociale verantwoordelijkheid wordt terecht benadrukt. Men tracht te ontkomen aan de verzoeking om het Evangelie in sociale stellingname te doen opgaan. Prof. Verkuyl levert een bijdrage, die ook eerst elders verscheen. Hij wil een brug slaan tussen de „evangelicals” en de „ecumenicals”. In elk geval waardeert hij het optreden van de evangelicals. De artikelen zijn nogal verschillend van lengte en van soortelijk gewicht. Het boek valt te typeren als een bijbelse bezinning op wat evangelisatie is. Het beantwoordt derhalve aan wat in de ondertitel wordt gezegd. Mij was het welkom geweest als men wat kritischer geschift had en zo verschil in niveau tussen de artikelen wat had voorkomen. Met waardering wijs ik nog op de bijbelstudie van drs. A. Noordegraaf over missionaire gemeente. Overigens is ook dit artikel eerst elders verschenen.

Het boek lijkt mij een waardevolle bezinning op en stimulans voor het evangelisatiewerk. Daarom wilde ik het graag samen met dat van dr. Runia onder de aandachtvan de lezers brengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.