+ Meer informatie

Van het kerkelijk erf

7 minuten leestijd

Veel kerkbladen besteden aandacht aan het naderende Kerstfeest. Dr. J. van Gort uit Zeist doet dat in Ecclesia, het orgaan van de Vrienden van Kohlbrugge, door een preek van Gregorius van Nazianze uit 380 te bespreken. Wij laten hier enige gedeelten volgen.

Het moet gebeurd zijn in het jaar 380, op 25 december. In de kathedraal van een ver gelegen stad, te midden van een grote menigte, preekt een man. Hij is klein van stuk, oud reeds en van een zwakke gezondheid. Maar zijn woorden zijn krachtig, nieuw en van een grootse vlucht. Hier, in het centrum van macht en cultuur, hier ook waar het woeden van ketters en heidenen sterker is dan ergens elders, in deze tijd en op deze plaats wordt de man geroepen om „op de verschijning Gods en het geboortefeest van de Verlosser" een toespraak te houden. Hij doet dit met inzet van al zijn gaven. Allereerst klinkt zijn oproep tot vreugde om het verschenen heil:

Christus wordt geboren, verheerlijkt Hem;
Christus uit de hemelen, gaat uit Hem tegemoet:
Christus op aarde, wordt verhoogd!
Zingt voor de Heer, gij ganse aarde,
en -om beide samenvattend te noemen-
dat de hemelen zich verblijden en de aarde juiche,
vanwege de hemelbewoner, daarna aardbewoner.
Christus in het vlees, juicht met beving en blijdschap:
met beving, vanwege de zonde;
met blijdschap, vanwege de hoop!

(...) We vroegen enige aandacht voor een meer dan zestienhonderd jaar oude preek. Heeft ze ons vandaag nog iets te zeggen? We menen van wel! Laten we enkele redenen opsommen. Ze is uitgesproken in een turbulente wereld, een tijd van ernstige conflicten. Toch roept ze op tot uitbundige vreugde: het heil is in Christus verschenen; de duistere machten zijn overwonnen, definitief. Dat geeft moed om verder te gaan, toen en nu nog. De preek blijkt zeker geen zoetelijk verhaal vol sfeer en romantiek, maar stalt de schatten van de Schriften uit, in rijke mate. Is ook dat geen exempel van ware Woordverkondiging, heden nog? En daarbij: ze vraagt aandacht voor de praktische toepassing van het in Christus verschenen heil. Dat valt inzonderheid op, wanneer we weten van Gregorius' accent op de realiteit van de verlossing door het werk van de Heilige Geest. Wie van hieruit zijn kerstpreek nog eens naleest, constateert het veelvuldige gebruik van de tegenwoordige tijd: Christus wórdt geboren; de duisternis wórdt opgelost...

Ten slotte nog één citaat. Het leert ons hoe Gregorius reeds in 380 zijn hoorders van het heidense zonnefeest -en de ermee samenhangende gebruiken!- wil terugroepen en oproept tot een waardige viering van het Christusfeest. De woorden zouden anno 1991 gesproken kunnen zijn. We laten ons heden gezeggen:

„Laten wij daarom feestvieren, niet als een volksfeest, maar goddelijk; niet werelds, maar bovenwerelds; niet ons feest, maar dat van de Onze. (...) Hoe zal dat gebeuren? Laat ons niet de voordeuren omkransen, reien opstellen, straten versieren. (...) Laat ons niet weelderig zijn in de kleding, zacht en breedgolvend, waarvan geldt dat het beste nog nutteloos is; laat ons niet rondom schitteren met juwelen of stralen van goud. (...) Laten wij ons niet uitsloven om de een de ander in onmatigheid te overtroeven (...) en dat terwijl anderen honger lijden en tekort komen. (...) Maar wij, voor wie het Woord het onderwerp van aanbidding is, indien wij ook in enig opzicht behagen moeten hebben, laat ons behagen scheppen in het Woord, de goddelijke Wet en in allerlei verhalen, vooral dat waaraan dit feest zijn ontstaan dankt...

In Beweging, het reformatorisch wijsgerig informatief, gaat prof. dr. A. Th. van Deursen in op de gevolgen van het rapport van de Wetenschappelijke Raad van het Regeringsbeleid over de basisvorming wal betreft het geschiedenisonderwijs. We geven enige fragmenten door.

Zo stelt het rapport ons voor een eigenaardig probleem. Het vindt geschiedenis een belangrijk vak. Dat valt af te leiden uit de geformuleerde doelstellingen, maar het wordt bovendien door de opstellers uitdrukkelijk en met zoveel woorden gezegd. De Nederlandse samenleving is pluriform geworden. Ze heeft behoefte aan een samenbindend element. Onderwijs moet daarom zorgen voor „gedegen kennis van de Nederlandse taal, cultuur, literatuur en geschiedenis". Evident is daarom „het belang van goed geschiedenisonderwijs, dat de nieuwe generatie de culturele traditie van de Europese beschaving in haar vele facetten leert kennen". Maar wat doe je dan vervolgens om dat grote belang veilig te stellen? Je schrijft een lesrooster waarop voor dat vak minder tijd is uitgetrokken dan thans aan de mavo.
(...)

Zo blijkt ook hier weer, dat de prachtige bedoelingen van het rapport over de basisvorming niet te rijmen zijn met een beperking van het aantal lesuren. Wie veel met geschiedenis wil, maar in het meedelen van feiten uiterst spaarzaam is, maakt de leerlingen niet weerbaar. Hij maakt ze alleen manipuleerbaar. Laten we nog één leerboek opslaan, dat Geschiedenis in Onderwerpen heet. Daar komt de zogenaamde verzuiling ter sprake. Maar wanneer? Aan het einde van de jaren zestig van de twintigste eeuw. Dan blijkt het een bestaand systeem te zijn, dat in de moderne samenleving niet meer paste. Waar het vandaan kwam, vermeldt het boek niet. Met geschiedenis van dat gehalte wordt geen enkel goed doel gediend. Hoe eerder het wordt afgeschaft, hoe beter.

Daarvoor zou dan de politiek haar verantwoordelijkheid moeten nemen. Vindt ze daarentegen dat geschiedenis wel moet worden onderwezen, dan dient ze daarvoor ook de voorwaarden te scheppen.

In het maandblad Kerk gaat mevrouw J. J. Ruiter, voorzitter van de landelijke werkgroep "Kerk en vrouw", die in de Christelijke Gereformeerde Kerken functioneert, in op de positie van de vrouw binnen deze kerken. Enige gedeelten nemen we over.

De Christelijke Gereformeerde Kerken kennen geen vrouwelijke ambtsdragers. Niet tot ieders genoegen. Begin van dit jaar vormde een groep vrouwelijke gemeenteleden de landelijke werkgroep "Kerk en Vrouw". Doel: de discussie over de positie van de vrouw op gang brengen. „Kerkbreed" als het even kan. „Maar een kerkscheuring is het ons niet waard", legt voorzitter mevrouw J. J. Ruiter uit. Omzichtigheid troef dus.
(...)

Dat de voorzichtigheid van de werkgroep effect heeft, leidt de voorzitter onder meer af uit de aandacht die de werkgroep geniet van het in chr. gereformeerde kring gezaghebbende weekblad De Wekker. Ook uit de reacties die de werkgroep uit de plaatselijke gemeenten krijgt, valt op de maken dat er voor het onderwerp "kerk en vrouw" veel belangstelling is. Van de (inmiddels gepubliceerde) lezing "Gelijk of heel anders", die een lid van de werkgroep, drs. W. A. van der Klis, op de eerste plenaire vergadering in april hield, zijn inmiddels al heel wat exemplaren besteld.
(...)

In groepjes en individueel wordt ei gestudeerd op de visie van deze theologie die meent dat, vanuit het scheppingsverhaal bezien, man en vrouw gelijkwaardig zijn. God schiep hen immers beiden naar Zijn beeld en gelijkenis. Een probleem acht mevrouw Ruiter echter, dat mensen die vinden dat de vrouw niet gelijkwaardig is aan de man, dit ook vanuit de Bijbel menen te kunnen verdedigen.

Er zijn vrouwen die zich half gemeentelid voelen, aldus de voorzitter. Anderen vinden dat er voor de komende generaties iets veranderen moet. „Zowel mannen als vrouwen gaan inzien dat de positie van de vrouw in de maatschappij een heel andere is dan binnen de kerk. Dat vrouwen die buiten de kerk mondig zijn, in sommige gemeenten geen enkel recht van spreken hebben".
(...)

Het logische gevolg van de gelijkwaardigheid van man en vrouw zou zijn dat vrouwen ook ambtsdrager kunnen worden, vindt mw. Ruiter. Persoonlijk zou ze daar ook voor zijn. „Daar wil ik niet omheen draaien. Ik geloof niet dat er bijbelse gronden zijn om de vrouw uit het ambt te weren". Ze denkt dat over niet al te lange tijd de vrouw diaken kan worden. „In het nieuwe diakonaal handboek wordt ook al iets in die richting gezegd".

De afnemende animo voor het ambt onder de mannen zou de vrouwen weleens in de kaart kunnen spelen. „Maar ik zou het betreuren als een tekort aan ambtsdragers de doorslag zou geven om vrouwen tot het ambt toe te laten".

Op de vraag hoe lang haar adem is, antwoordt ze: „Zolang er maar voortgang is en ik het idee heb dat we iets voor elkaar betekenen, heb ik een vrij lange adem. Maar ik hoop dat deze zaken bespreekbaar worden in de gemeenten, zodat de werkgroep zich heel snel kan opheffen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.