+ Meer informatie

DE KERKERAAD EN HET TOEZICHT OP DE PREDIKING

26 minuten leestijd

In het midden van de gemeente, waartoe ik mag behoren, werden enige weken geleden nieuw gekozen ambtsdragers bevestigd. Toen het daartoe dienende bevestigingsformulier werd voorgelezen ben ik opnieuw onder de indruk gekomen van de zware verantwoordelijkheid die in méér dan één opzicht op de ambtsdragers van Christus’ Kerk rust. En wat in dat formulier, zowel in de oude als in de nieuwe versie, te lezen staat is dan nog maar een korte samenvatting van wat op menige plaats in de Heilige Schrift over die verantwoordelijkheid is opgetekend.

Alle eeuwen, sinds de tijd waarin God Zijn Koninkrijk in onze aardse werkelijkheid manifest deed worden, heeft God grote zorg getoond voor Zijn volk op weg naar dat Koninkrijk. Telkens weer riep en roept God mensen uit het gelid om aan hen in de zorg voor dat volk onderweg bijzondere verantwoordelijkheden toe te vertrouwen.

Reeds in het Oude Testament komen we die zorg van God tegen. Het volk Israël beschikte over oudsten, mannen die bij het volk in aanzien stonden en die in zaken van volksbelang met gezag uitspraken deden en adviezen uitbrachten. Van een officiële instelling van het ambt van oudste is in het Oude Testament weliswaar niet direct sprake, maar uit alles wat over het optreden van het college van oudsten te lezen staat is duidelijk dat God op grond van hun ouderdom, gerijpte ervaring en levenswijsheid aan hun ambt een autoratief karakter toekende. In het Mozaïsche tijdperk deden de oudsten als officiële representanten van het volk al zéér sterk van zich spreken. God stelde er prijs op dat zij bij moeilijke ondernemingen en vóór het nemen van belangrijke beslissingen werden geraadpleegd. Toen Mozes opdracht kreeg het volk Israël uit Egypte te leiden diende hij zich blijkens Exodus 3 : 16 en 18 eerst met de oudsten te verstaan. Zijn opdracht moest hij tot onderwerp van bespreking met hen maken en op zijn audiëntie bij de koning van Egypte moesten de oudsten hem vergezellen. Ook né de exodus bleef het instituut van de oudsten een rol van betekenis spelen. Onder hun toezicht sloeg Mozes water uit de rots (Exodus 17 : 5 en 6); Mozes introduceerde hen bij de broodmaaltijd van Jethro (Exodus 18 : 12). Bij het oproer in de woestijn vond Mozes de oudsten aan zijn zijde (Numeri 16 : 25); toen Aäron en zijn zonen het priesterambt aanvaardden vond die plechtigheid plaats in aanwezigheid van de oudsten (Leviticus 9 : 1). Behalve in juridische en sociale zaken droegen de oudsten ook verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de ware religie. Zij hadden zich in te zetten voor de geestelijke kennis van het volk. Zo hadden zij er blijkens Deuteronomium 31 : 9-13 samen met de priesters op toe te zien, dat de wet des Heren op het Loofhuttenfeest periodiek ten aanhore van heel Israël werd voorgelezen. Toen Jozua ná de nederlaag voor Ai God om bijstand vroeg werd hij daarin bijgestaan door de oudsten.

Verderop in het Oude Testament, ik denk aan de profeten Joël, Ezechiël en Zacharia, namen de oudsten in godsdienstige aangelegenheden een centrale plaats in. In situaties die om boetedoening en vasten vroegen diende het initiatief van hen uit te gaan. Een scherp oordeel trof hen wanneer godsdienstig verval over het volk was gekomen, mede als gevolg van vervlakking en afglijding in het leven van de oudsten.

Samenvattend kan worden gezegd dat de geschiedenis van het volk Israël, zoals we die in het Oude Testament beschreven vinden, een grote plaats toekent aan het ambt van de oudsten, aan wie met betrekking tot de godsdienstige en zedelijke belangen van het volk door God grote verantwoordelijkheden waren toevertrouwd.

Ook in het Nieuwe Testament

De lijn van de oudsten zet zich in het Nieuwe Testament voort. In het Sanhedrin en in de synagogen komen we ze opnieuw tegen. Het Sanhedrin als bestuurscollege en als opperst gerechtshof hield zich bezig met méér dan gewone godsdienstige zaken. Het bestond uit drie groeperingen: ouderlingen, overpriesters en schriftgeleerden. In het Nieuwe Testament is verband aanwijsbaar tussen het Sanhedrin en het college van oudsten uit de voortijd. In Handelingen 5 : 21 wordt het Sanhedrin aangeduid als „al de oudsten der kinderen Israëls”. Met deze benaming sluit het Nieuwe Testament aan bij de Oudtestamentische traditie. In Lucas 22 : 66 en in Handelingen 22 : 5 wordt het Sanhedrin ook wel aangeduid met de naam „presbyterium”, dat is raad of college van presbyters of ouderlingen. Blijkens Lucas 7 : 3 werden niet alleen ouderlingen als leden van het centrale bestuur in Jeruzalem gevonden, maar zij kwamen ook voor in de plaatselijke Joodse gemeenten. Aan de synagoge van Kapernaum bijvoorbeeld waren ouderlingen verbonden. Zij waren het die enkele representanten naar Jezus zonden met het verzoek de knecht van de Romeinse hoofdman te genezen.

De verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij de godsdienstoefeningen in de synagogen lag bij de oudsten.

Dr. Ph.J. Huijser noemt in zijn boek „de ouderling en de prediking” het ouderlingschap een stuk van de erfenis die de christelijke kerk onder de Heilige Geest van het jodendom heeft overgenomen. Gaan we in het Nieuwe Testament het leven van de joden-christelijke gemeenten na dan wordt voor het eerst van ouderlingen in de gemeente van Jeruzalem melding gemaakt. Uit Handelingen 15 blijkt dat de ouderlingen in Jeruzalem met groot gezag waren bekleed. Hun stem was belangrijk wanneer diep ingrijpende leergeschillen moesten worden beslecht. In hun aanwezigheid brachten Paulus en Barnabas verslag uit van hun zendingsactiviteiten in de heidenwereld, gevolgd door een comité-generaal van apostelen en ouderlingen samen, waarin het gerapporteerde werd geëvalueerd. Handelingen 21 : 18 maakt melding van een speciale kerkeraadsvergadering waarin Paulus en enkele van zijn medewerkers te gast waren. Onderwerp van bespreking waren de leer en de prediking van Paulus in verband met de onderhouding van de Mozaïsche wet.

Het ouderlingschap in de heidenchristelijke gemeenten

De tijd ontbreekt om uitvoerig in te gaan op de vraag hoe het ouderlingenambt in de heidenchristelijke gemeenten heeft gefunctioneerd. Ná beëindiging van de eerste zendingsreis werden door Paulus en Barnabas volgens Handelingen 14 : 23 in alle gemeenten die zich hadden gevormd ouderlingen aangesteld. In alle heidenchristelijke gemeenten is het ouderlingschap een gewoon verschijnsel geweest. Binnen de christelijke kerk zijn nog al eens heftige discussies gevoerd rond de vraag of de ouderlingen uit die tijd identiek waren met de ambtsdragers die in de Handelingen der apostelen en in de apostolische brieven opzieners werden genoemd. In de grondtekst worden opzieners met episcopen aangeduid, terwijl de ouderlingen ook wel presbyters worden genoemd. Men heeft hierin wel dit verschil willen zien, dat aan de ouderlingen speciaal het geestelijk opzicht en de handhaving van de tucht was toevertrouwd, terwijl de opzieners allereerst en vooral de behartiging van de stoffelijke belangen, de inrichting van de eredienst en de verzorging van de armen tot taak hadden. Dr. Huijser komt in zijn eerder aangehaalde boek op grond van allerlei Schriftplaatsen tot de conclusie dat ouderlingen en opzieners in die tijd als identiek moeten worden gezien. Door de apostel Paulus werden de begrippen trouwens ook door elkaar gebruikt. Wij lezen van ouderlingen die in het ambt moesten worden gesteld en als het dan om de voorwaarden daartoe gaat heet het „want een opziener moet onberispelijk zijn”. En als de apostel Petrus in zijn eerste brief hoofdstuk 5 : 1 een vermaning aan het adres van de ouderlingen geeft lezen wij: „Hoedt de kudde Gods en weest opzieners daarover”. Het woord ouderling duidt met betrekking tot de ambtelijke taak eigenlijk niets wezenlijks aan. Het houdt de gedachte aan leeftijd in. Het woord opziener heeft een veel wezenlijker vulling. Naar analogie van de profane betekenis die het woord als ambtstitel had stelt de Heilige Schrift dat aan de opzieners van de gemeente de supervisie moet worden toevertrouwd bij alles wat in en door de gemeente geschiedt.

Deze verantwoordelijkheid bedoelt in geen enkel opzicht de zelfwerkzaamheid van de gemeente terug te dringen. Integendeel, op meer dan één plaats zet de Heilige Schrift de gehele gemeente van Christus aan tot geloofsactiviteiten. Alle gelovigen zijn geroepen, naar de mate van de hun geschonken gaven en krachten, zichzelf en elkaar op te bouwen in het geloof en in de liefde. Maar het behoort tot de verantwoordelijkheid van de ouderlingen er op toe te zien dat dit ook inderdaad gebeurt. „Hoedt de kudde Gods”, staat in 1 Petrus 5 : 2 en blijkens Hebr. 13 : 17 hebben zij te waken over de zielen, waarvan zij eens rekenschap zullen moeten afleggen. Denken we ook aan wat Paulus in hoofdstuk 1 : 9 e.v. aan Titus schrijft. „Een opziener dient zich te houden aan het betrouwbare Woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen”.

Ouderlingen hadden en hebben een drieledige taak: toezicht houden, het bestuurlijke werk en de herderlijke zorg. Over hun bestuurlijke verantwoordelijkheid kunnen we iets lezen in Titus 1 : 7, waar gezegd wordt dat zij beheerders zijn van het huis Gods. Hun herderlijke zorg voor het individu in de gemeente vinden we omschreven in 1 Thess. 5 : 14: „wijst de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedigen op, komt op voor de zwakken, heb geduld met allen”. Voor het verdere van ons onderwerp van vandaag zijn met name de aspecten van toezicht en pastorale zorg belangrijk.

Gedifferentieerde ambtsuitoefening

Binnen het bestek van het onderwerp dat ons vandaag bezighoudt is het niet mogelijk uitvoerig in te gaan op het aspect van de ouderling en de apostolische successie. Ik volsta met te wijzen op de u bekende stelling dat de heilige, algemene, christelijke kerk is gebouwd op het fundament der apostelen. Het speciale ambt van de apostelen was weliswaar niet overdraagbaar, hetgeen betekent dat de geestelijke autoriteit die aan hun ambt verbonden was tot hen beperkt is gebleven, maar het is met name het predikambt dat een verbinding legt tussen het apostolaat en het ouderlingenambt zoals het nu in de kerk van Christus functioneert.

De brug van het oorspronkelijke predikambt van de apostelen naar het gewone predikambt zoals het nu wordt uitgeoefend sloeg de apostel Paulus toen hij in zijn tweede brief aan Timotheus, hoofdstuk 2 : 2 schreef: „Gij dan mijn kind, wees krachtig in de genade in Christus Jezus, en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten”. Even tevoren, in hoofdstuk 1:13, lezen we: „Neem tot voorbeeld de gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in het geloof en de liefde, die in Christus Jezus is”.

Op verscheidenen plaatsen in de apostolische brieven zien we zich de onderscheiding aftekenen tussen ouderlingen die het predikambt waarnamen en wat we dan gemakshalve maar de gewone ouderlingen zullen noemen. Herhaaldelijk wordt de titel „leraars” gebruikt. Leraars waren zij die niet allereerst, zoals met de apostelen het geval was, charismatische gaven hadden ontvangen maar die in het midden van de gemeenten ná voorafgaande bezinning op de geopenbaarde waarheid woorden van kennis en wijsheid spraken. Soms trokken zij rond, terwijl het ook kon zijn dat zij werk in één bepaalde gemeente verrichtten. Dan waren zij niet alleen leraar maar ook herder. Paulus noemt hen in Efeze 4:11, waar hij verschillende categorieën ambtsdragers opsomt. „En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus. Die leraars werden overigens tot het college van de ouderlingen gerekend. Dat blijkt uit het begin van de brief van Paulus aan de Filippenzen, waar alleen twee ambten worden genoemd, die van opzieners en diakenen. En in Filippi was toch wel degelijk sprake van verkondiging van het Evangelie. In hoofdstuk 1 : 5 staan immers woorden van blijdschap, „wegens uw deelhebben aan de prediking van het Evangelie”.

Er kan moeilijk een andere verklaring worden gegeven dan dat de leraars, waarvan in de apostolische brieven sprake is, onder de categorie van de opzieners vielen. Uit het gelid van deze opzieners, die blijkens 1 Timotheus 3 aan hoge eisen moesten voldoen, sprongen de leraars en de evangelieverkondigers naar voren. Hoewel tot dezelfde categorie behorend ontwikkelde zich wel steeds meer een verschillend takenpatroon. De eisen die aan de verkondiging van het Evangelie naar het voorbeeld van de apostelen verbonden waren werden allengs zwaarder. Het spreken van gezonde woorden en het uiteenzetten van de gezonde leer bleken bepaald geen gemakkelijk werk te zijn. Daarvoor waren een gerijpt inzicht en vaardigheid in de ontvouwing van de Goddelijke boodschap onmiskenbare voorwaarden. Daar voegde zich dan nog bij de noodzaak van een zekere bekwaamheid in het polemiseren, want overal waar de kerk van Christus door de voortgang van het Evangelie voet aan de grond kreeg, daar deden zich ook dwalingen en ketterijen gelden.

2 Petrus 2 geeft daar brede informatie over en ook Johannes in zijn tweede brief spoort aan tot standvastigheid tegenover misleiders. Al deze dingen ontwikkelden het besef dat een goede bediening van het predikambt alleen dàn gewaarborgd kon zijn wanneer men daartoe door goede studie, duidelijke voorlichting en een systematische opleiding adequaat was toegerust. Uit wat de brieven in het Nieuwe Testament daarover zeggen is duidelijk af te leiden dat reeds in die tijd mensen de verkondiging van het Evangelie tot een full-time levenstaak maakten. Er was sprake van bezoldigde medewerkers in het Evangelie. Hun honorering geschiedde conform de regel dat de arbeider zijn voedsel waard is. In verschillende termen heeft de apostel Paulus over deze regel aan de gemeenten geschreven. In die tijd was dus al sprake van een gedifferentieerde ambtsuitoefening. Twee categorieën vormden zich, één van opgeleide en gehonoreerde Dienaren van het Evangelie, zij dus die het predikambt waarnamen en als tweede die van opzieners die het gewone ouderlingenambt bekleedden. Het bestaan en de betekenis van de eerste categorie vinden we ook bevestigd in 1 Timotheus 5:17 waar de apostel zegt: „De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht”.

Apostolische successie

Even terug viel het begrip apostolische successie. Gesteld kan worden dat de Dienaar van het Evangelie die in leer en verkondiging van het Evangelie de voetstappen van de apostelen drukt, overeenkomstig de Schrift, de apostolische successie heeft. Dat geldt trouwens van het ouderlingenambt in het algemeen, mits ook dat wordt waargenomen op de wijze zoals de apostelen het zich oorspronkelijk tot taak rekenden.

Waarom deze vrij uitvoerige terugblik in het bijbelse verleden? Wel broeders, om vast te stellen hoezeer de Here God hechtte aan goede zorg onder Zijn volk voor het zuiver bewaren van Zijn Woord.

Na de reformatie

Aan de donkere periode van het na-apostolische tijdvak tot aan de reformatie ga ik voorbij. Bekend is dat het met de prediking in die tussenliggende periode, met name in de middeleeuwen, diep treurig was gesteld. Hetzelfde gold in die tijd van het toezicht op de prediking. Maar de reformatie heeft de bediening van het Woord van God weer gemaakt tot het centrale bestanddeel van de eredienst en het zijn met name Calvijn en zijn aanhangers geweest die naar uitwijzen van de Schrift het ouderlingenambt naar zijn oorspronkelijke bedoeling in ere hebben hersteld.

En in dat spoor zijn in ons land de gereformeerde kerken gegaan. Zij hebben hun kerkelijk leven ingericht naar Calvinistisch model, in de overtuiging daarmee het dichtst bij de Schrift te staan. Ook het toezicht op de prediking en op de wandel van de Dienaren des Woords is op deze wijze geregeld.

De roeping daartoe is in een wat indirecte formulering vastgelegd in artikel 30 van de Nederlandse geloofsbelijdenis en in zeer directe bewoordingen in de kerkorde en in het formulier tot bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Calvijn heeft gezegd dat de kerk op geen andere wijze wordt gebouwd dan door de uiterlijke prediking van het Woord Gods. Prof. W. Kremer heeft de prediking aangeduid als een beschikking Gods. Aan die prediking - zo zei Ds. H. Biesma op 22 april 1978 in deze kerk - is de zaligheid gebonden. „Het gepredikte Woord wordt genoemd een onvergankelijk zaad dat wedergeboorte werkt. Het Woord is genademiddel en Gods communicatiemiddel. Het Woord Gods is het Woord der genade, het Woord des levens, het is het Woord des kruises, dat ons als Woord der verzoening is toevertrouwd”.

En de bediening daarvan is toevertrouwd aan Dienaren des Woords die zich daartoe hebben bekwaamd door middel van de opleiding die van de kerken uitgaat en die bij hun bediening onderworpen zijn aan het toezicht van de ouderlingen, die zich daarin hebben op te stellen als hun medewerkers.

Deze conferentie heeft tot doel met elkaar te kijken naar de vraag of dit toezicht vandaag in de kerk van Christus, met name binnen onze eigen kerken, werkelijk functioneert. Functioneert op de wijze zoals de Schrift het aangeeft en zoals onze vaderen het hebben bedoeld.

Hoe laat dat toezicht zich omschrijven?

De Heilige Schrift maakt op menige plaats duidelijk dat de wijze waarop het predikambt in de gemeente van Christus functioneert van groot belang is. Ik denk aan 2 Timotheus 2:15, waar de apostel schrijft: „Maak er ernst mee u wel beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het Woord der Waarheid”.

En dat het tot de taak der ouderlingen behoort het oog langs die voren te laten gaan vloeit onder meer voort uit wat de apostel blijkens Handelingen 20 : 28 e.v. tot de oudsten van Efeze sprak: „Ziet dan toe op u zelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van Zijn Eigene verworven heeft”.

Wat houdt dat concreet in? Allereerst dat de ouderlingen onder de prediking gespitst zijn op de vraag of in de verkondiging aan de volle waarheid van het Evangelie recht wordt gedaan en of geen verkeerde bijgeluiden worden gehoord.

Zij dienen te beoordelen of de prediking doelmatig is, doelmatig in deze zin dat de gemeente er onder Gods zegen ook werkelijk geestelijk profijt van ondervindt en daarvan naar binnen en naar buiten de blijken van vertoont. Zij dienen bedacht te zijn op het gevaar van structurele eenzijdigheden in de prediking en niet minder op de vraag of de prediking genoegzaam inspeelt op de geestesgesteldheid van de gemeente waartoe men behoort en waarvoor men verantwoordelijkheid draagt. Zij dienen de geestelijke liggingen en de in de gemeente heersende denkwijzen te peilen en te analyseren, om vervolgens samen met de Dienaar des Woords na te gaan of en op welke wijze de prediking daarop correctie moet geven. Het is aan hen om vast te stellen of de prediking in deze zin onderscheidend is dat de echt gelovige zich daarin als gelovige en de ongelovige zich als onbekeerd herkennen kan.

Er zou meer te noemen zijn. Voorlopig wil ik hiermee volstaan.

Te weinig toegerust

Misschien is mijn taxatie te somber, maar ik meen op grond van wat men ziet, leest en hoort te moeten zeggen dat het algemeen gesproken met het toezicht op de prediking op het gereformeerde erf vandaag niet zo best is gesteld. Ik durf zelfs de vraag te stellen of er op de meeste plaatsen eigenlijk nog wel van toezicht sprake is. Als ik dat zo zeg heb ik natuurlijk niet het oog op het toezicht van de meerdere kerkelijke vergaderingen op de handel en wandel van Dienaren des Woords, waarbij het gaat om toepassing van de formele regels die de kerk voor allerlei situaties in de kerkorde heeft vastgelegd. Bedoeld wordt het toezicht op de prediking zoals die zondag aan zondag in de gemeenten wordt gehouden. In oprechtheid meen ik dat de situatie rond dat toezicht verre van ideaal is.

Ik wil proberen enkele oorzaken daarvan aan te wijzen.

Zitten we ver bezijden de werkelijkheid broeders, wanneer we vaststellen dat veel ambtsdragers in de gereformeerde kerken, ook in de onze, voor hun toezichthoudende taak te weinig zijn toegerust? Onder toerusting wil ik dan verstaan dat zij het Woord van God in zijn verbanden goed hebben leren kennen, in elk geval daartoe ijverig pogingen doen en dat zij zich de leer der kerk in haar essenties vanuit de belijdenisgeschriften eigen hebben gemaakt.

Men moet natuurlijk nooit het verleden idealiseren en men zal ook moeten beseffen dat elke tijd eigen eisen stelt en geheel eigen kenmerken heeft, maar wat onze tijd kenmerkt is een groot gebrek aan kennis en inzicht in de Schrift, ook een tekort aan bereidheid om zich moeite te getroosten dat tekort op te heffen. Misschien dat het levenspatroon van deze tijd daar ook nauwelijks ruimte voor biedt. De door het Woord van God en de door de belijdenis gespierde en gestaalde gereformeerde ouderling uit de twintiger en dertiger jaren, die de knapenvereniging als lagere, de jongelingsvereniging als middelbare en de mannenvereniging als hogere school doorliep, komt men niet meer tegen. Ook de genoemde verenigingen zijn grotendeels ter ziele en zo ze er nog zijn functioneren zij in elk geval niet meer als broedplaatsen voor potentiële ambtsdragers. Dat op zich zelf is niet zo erg. De verenigingen die ik zojuist noemde hebben behalve voortreffelijk toegeruste ambtsdragers ook wel eens amateur-theologen voortgebracht die door de Dienaren des Woords als een luis in hun pels werden ervaren. Maar wij beleven vandaag naar mijn indruk de omgekeerde situatie. Door het voortgaande onderzoek van en door een ijverig spitten in de achtergronden van het Woord zoals het ons is overgeleverd, is in de afgelopen jaren veel kennis en inzicht beschikbaar gekomen. Deze kennis hoopt zich echter voornamelijk op bij de professionele kerkelijke medewerkers en te weinig bij de ambtsdragers die het werk in Gods kerk als neventaak uitoefenen.

Men mag niet generaliseren en gunstige uitzonderingen niet over het hoofd zien, maar met de Schriftkennis en het Schriftinzicht is het in de kerken aan de basis over het algemeen slecht gesteld. Ik meen dat dit één van de factoren is die het op menige plaats zo moeilijk maakt om geschikte en aan de bijbelse normen beantwoordende ambtsdragers te vinden. Bekwaamheid in bijbelse zin kan lang niet altijd meer als een primaire voorwaarde worden aangehouden. En nu is het niet erg om met een minimale kennisbagage het ambt te aanvaarden, als er dan maar de bereidheid en de mogelijkheid is om dat gedurende de ambtsperiode bij te spijkeren.

Op de vraag op welke wijze de ouderling het tot zijn takenpakket behorende toezicht naar behoren kan waarnemen schreef J. Koelman al in 1694 behartigenswaardige dingen in zijn boek „Het ambt en de plichten der ouderlingen en diakenen”. Ik citeer enkele gedeelten: „Ziet vóór alle dingen recht begenadigd, wedergeboren en bekeerd te zijn, want gaven zonder genade en een kerkelijk ambt zonder geestelijk leven zullen u niet tot zaligheid en de mensen weinig tot stichting zijn. Overweegt vaak die teksten, waarin de hoedanigheden, die in een ouderling vereist worden, beschreven staan; daarin is begrepen welke wandel en persoonlijke deugden gij moet hebben. Boven en vóór alle boeken, leest en herleest gestadig de Bijbel, het Woord van de levende God, opdat het Woord van Christus rijkelijk in u wone en gij machtig moogt zijn in de Schriften, gelijk Apollos, Aquila en Priscilla en leest meermalen de formulieren van enigheid”.

Het lijkt mij een goede zaak broeders, deze oude woorden wat hun intentie betreft goed op ons te laten inwerken.

Ouderlingen en Dienaren des Woords gelijk

Als tweede oorzaak zou ik willen noemen de onjuiste opvattingen die bestaan over de verhouding tussen de Dienaren des Woords en de ouderlingen. Dat zij in rang en stand aan elkaar gelijk zijn blijkt uit de kerkelijke praktijk niet, althans niet onder ons. Hoe is die praktijk? Wel, de predikant geldt in het oog van velen als het hoofd van de gemeente. Zijn opleiding aan hogeschool of universiteit verschaft hem een status die hem altijd nog op een zeker voetstuk plaatst. In deze tijd van zich wijzigende normen rond gezag en status en van de veel geprezen democratisering ligt het misschien wel iets anders dan vroeger, maar in veel kerken heeft de predikant altijd nog het imago van: hij kan het, hij weet het, hij moet het en hij doet het; hij moet de kar trekken. Als het op de prediking en de geestelijke bearbeiding van de gemeente aankomt voelen ouderlingen (en ook diakenen) zich in hun ambt ondergeschikt aan dat van de predikant. Dominee weet het; hij kan het althans weten, want hij heeft er voor gestudeerd. Ten deze zijn wij als reformatorische kerken toch niet helemaal aan de Roomse zuurdesem van de kerkelijke hierarchie ontkomen. Naar de ordening van Christus kan er in de kerk geen onderschikking van de ambten zijn; wel een nevenschikking. Het is Jezus Zelf geweest die tot Zijn discipelen, die discussieerden wie op welke stoel zou zitten, de woorden sprak: „Een is uw Meester en gij zijt allen broeders”. Daarmee is door de ongelijkheid van de ambten van de kerk van alle tijden een streep gezet. Maar de praktijk is daarmee niet altijd in overeenstemming. Sommige predikanten gedragen zich nog wel eens superieur en ouderlingen voelen zich niet zelden inferieur. Zeker als het aankomt op de prediking. Voor een gesprek daarover staan sommige predikanten in het geheel niet open.

Een bevestigende opmerking of een stichtelijke gedachte als aanvulling op de prediking na afloop van de dienst wordt in dank genoteerd, maar wanneer de woorden „dominee, mag ik u eens vragen…….” een kritische ondertoon lijken te hebben wordt de voet al gauw in het zand gezet.

Ouderlingen voelen zich nogal eens geremd om de prediking tot onderwerp van gesprek te maken omdat ze weten dat suggesties of correcties door de predikant als een frontale aanval op zijn persoon en ambt worden ervaren. Over de prediking kunnen wij niet praten, hoorde ik een ambtsdrager eens zeggen, want dominee rolt zich onmiddellijk als een egel op.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat sommige ouderlingen het daar ook wel eens naar maken. Wat soms aan op- en aanmerkingen ten beste wordt gegeven heeft meer het karakter van vitzucht en kribbebijterij dan van opbouwende beschouwing en positieve beïnvloeding.

Toch moeten predikanten als de prediking ter discussie wordt gesteld niet te gauw op scherp gaan staan en in elk geval mag men de mede-ambtsdrager, die er het initiatief toe neemt, er niet op aanzien. Zeker niet wanneer duidelijk is dat men er het geestelijk welzijn van de gemeente mee op het oog heeft. Al te gauw ontstaan in de kerk van Christus rond zulke dingen prestige-kwesties.

De geschiedenis van de kerk kent Dienaren des Woords die hun ouderling reeds bij het eerste woord van kritiek op hun prediking alle hoeken van de kerkeraadskamer lieten zien, zo goed als er ouderlingen zijn geweest die er een onheilig genoegen aan beleefden om hun herder en leraar onderuit te halen.

Geen hete adem in de nek

Toezicht houden is niet bij het maken van de preek de hand van de dominee proberen vast te houden of over zijn schouder meekijken. Het moet en mag niet zo zijn dat hij de hete adem van een enkele of vele van zijn ouderlingen in de nek voelt. Toezicht houden is ook niet - in elk geval niet alleen - dat men na de prediking af en toe eens een instemmende opmerking maakt of een stichtelijke gedachte lanceert die door de preek werd ingegeven. Toezicht houden is allereerst en vooral begeleiden, waarbij de theologische kennis van de predikant en de aan de kennis van Gods Woord ontspringende praktische wijsheid van de ouderlingen samenvloeien; verder is het meedenken, meedenken over de vraag of de prediking er voldoende op gericht is de gemeente te doen toegroeien naar de volle kennis van Christus.

Toezicht houden is ook aanmoedigen, stimuleren, gedachten aandragen, behoeften uit de gemeente kenbaar maken, zegenrijke uitwerkingen van de prediking registreren en indien nodig tekorten signaleren. Dat laatste moet wel broederlijk en in liefde gebeuren. Maar de durf er toe dient wel te bestaan. Als de prediking sporen draagt van onvoldoende voorbereiding, als zij niet de kenmerken draagt van de worsteling met de vraag hoe de boodschap van het Woord Gods het beste kan worden verwoord en hoe dicht zij bij het hart van de hoorders kan worden gebracht, dan vraagt dat om ambtelijke bijsturing.

Wanneer de prediking weinig verrassends meer oplevert; als persoonlijke stokpaarden van de predikant steeds weer van stal worden gehaald; wanneer verbaal geweld het tekort aan visie en aan geestelijke diepgang moet camoufleren; als een zekere gemakzucht er toe leidt dat de prediking improviserend en mouwschudderig wordt gebracht dan is het de roeping van de ouderlingen daarop acht te geven. Wanneer de prediking aan het Evangelie onzuivere elementen toevoegt of wanneer wezenlijke bestanddelen er bewust of onbewust buiten worden gehouden of onvoldoende accent krijgen dan dienen de ouderlingen overeind te komen en daarover met de Dienaar te spreken. Wat dit laatste betreft zou ik willen opmerken dat naar mijn vaste overtuiging een werkelijk vanuit de Schrift functionerend toezicht, uitgeoefend door bekwame, eerlijke en weldenkende ouderlingen, ouderlingen met een sterke persoonlijke en innerlijke betrokkenheid op de boodschap van het Evangelie, een groot deel van de interne kerkelijke tegenstellingen binnen onze kerken de wereld uit zou helpen. Bent u niet met mij ervan overtuigd dat de onder ons bestaande en scheiding makende verschillen grotendeels een kwestie zijn van eerlijk omgaan met de Schrift?

Er zou nog meer te noemen zijn. Misschien kunnen we dat invullen als we aan ons gesprek toegekomen zijn. Tot slot dit. Met de rechte prediking staat of valt de kerk van Christus. In een tijd waarin op allerlei wijze wordt geprobeerd door een soort hervertaling van de oude geloofswaarheden ons een geloofsinventaris te verschaffen die in het hedendaagse denkraam past, zal het nodig zijn met elkaar acht te geven op een zuivere prediking. Niet als inquisiteurs op zoek naar ketters, maar als mensen die zich beijveren de geheimen van het Evangelie werkelijk te verstaan.

Het laatste houdt overigens ook in dat we als ambtsdragers openstaan voor de resultaten van het nog altijd voortgaande schriftonderzoek. En wanneer dat onderzoek dan dingen aan het licht zou brengen die het nodig maken onze visie op de Heilige Schrift van historische aangroeisels te ontdoen, laat ons dan niet onmiddellijk geëmotioneerd en misschien ongemotiveerd de stormbal hijsen. Ook dàt moet binnen onze kring eerlijk worden gezegd. Ten deze gaan we met ons zelf en met elkaar niet altijd eerlijk om. Nodig is dat we biddend en ijverig vorsend, samen met alle heiligen, proberen door te stoten naar de diepste geheimen van het Evangelie.

Daarbij zullen onze menselijke definities, onze concepties, voorstellingen en beschrijvingen blijken blijvend tekort te schieten om ons het rechte zicht te geven op een God, die de voor ons soms onbegrijpelijke maar tegelijk diepe verwondering en intense aanbidding wekkende weg van verzoening door Christus met deze wereld en met ons heeft willen gaan. Ik denk broeders, dat onder ons het gebed om de Heilige Geest vermenigvuldiging behoeft, want Die alleen luidt in alle waarheid.

Met een variant op het oude gebed voor alle nood der christenheid zou ik u en mij zelf willen aansporen tot het gebed: wil getrouwe dienaars in uw oogst zenden en ouderlingen in uw gemeente aanwijzen en die alzo met gaven van uw Geest toerusten dat zij hun dienst getrouw mogen waarnemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.