+ Meer informatie

Naarde katechisatie

7 minuten leestijd

112

DE BEKERING

3. De afkeer van de zonde.

U kent wel het bekende gezegde: een bekering van de kroeg naar de kerk. En u begrijpt de bedoeling ervan. Het is het nalaten van een bepaalde zonde of zonden en verbetering te tonen door b.v. dan de kerk te bezoeken. Op zich zelf is dit een groot voorrecht, ja, te prijzen. Denk maar eens aan de drankzonde. Hoeveel ellende brengt zij over personen en gezinnen! Men begint dan slechts met één of twee glaasjes en men zegt: dat is toch niet zo erg, een matig gebruik.

Maar bij velen blijft ’t niet bij dat éne glaasje en ’t komt tot het drinken van liters binnen korte tijd om dan maar niet erger te noemen. We ontmoetten eens een man, die ernstig sprak over de zaken van het geestelijk leven. We kenden hem niet. Je zou denken, die man is geen vreemdeling van het leven der genade. Maar wat bleek? Sprekende met een ander over hem, merkte deze op: o, dat is bekend. Hoe meer hij gedronken heeft, des te meer spreekt hij over geestelijke zaken. Is dit niet om te huiveren?

Maar er zijn ook andere bepaalde ernstige zonden te noemen, welke niet minder verwoestend werken. Denk aan het gebruik van de verdovende middelen, bijzonder door de jeugd, of aan de homosexualiteit, de pornografie, zoals deze goddeloosheden vandaag worden goedgepraat en voorgestaan.

Kunnen zulken nog bekeerd worden? Ongetwijfeld. Zie maar bij Manasse of bij de moordenaar aan het kruis of bij de wenende zondares! Paulus wist zich te zijn „de grootste der zondaren” en dat hem barmhartigheid is geschied. Nu was wel-is-waar Paulus geen uitlever in de zonde geweest, maar een alleszins godsdienstig, nauwgezet mens in zijn eertijds. Wanneer Gods Geest onwederstandelijk werkt en een mens ontdekt aan zijn bestaan, dan geeft hij dit Paulus niet gewonnen, maar ziet men zichzelf als de grootste.

Nu moeten we juist ten deze wel zeer goed onderscheiden. We bedoelen of de bekering z.g.n. bestaat alleen in een uitwendige verbetering door een losgeraakt worden van bepaalde zonden of dat de bekering ZALIGMAKEND is. Mogelijk hebt u ook gelezen van die nieuwe beweging in Amerika: de „Jezus-people”, welke ook is overgeslagen naar Europa. Zij bestaat uit hippies, druggebruikers, overgegevenen aan vrije sex enz., maar die van deze verdervende goddeloosheden z.g.n. zijn bekeerd. Men zegt dan, dat zij met Jezus in kontakt zijn gekomen enz.

Zeer zeker is het een groot voorrecht, wanneer zulke jongemensen van zulke zonden zijn losgeraakt. Maar, wanneer je verslagen over deze beweging leest, dan kun je gerust een groot vraagteken zetten achter zulk een bekering ten opzichte van de vraag of dit zaligmakende werking van Gods Geest is. Maar mogelijk horen we nog wel eens nader over deze materie.

De waarachtige bekering bestaat in een inkeer tot zichzelf, een heenkeer tot God en een af keer van de zonde en van de wereld. Het gaat dus in deze les over de a f k e e r van de zonde. Vandaar dat we begonnen met de uitdrukking: een bekering van de kroeg naar de kerk.

Deze afkeer van bepaalde zonden als slechts een uitwendige omkeer is dus wel een groot voorrecht, maar is niet altijd „zaligmakend”. Hoe kan zulk een omkeer zaligmakend zijn? Wanneer er niet alleen een „overtuiging” komt van het zondekwaad, een overtuiging in het geweten, maar ook plaats heeft een over - b u i g i n g des harten als een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonde vertoornd hebben, gepaard gaande met een ootmoedig belijden. Ps. 32 en 51 e.a. Want alle overtuiging is nog geen overBUIGING!

Bij een uitwendige verandering (geen „vernieuwing” van het hart) en bij zulk een algemene overtuiging van zonde gaat het meer over de GEVOLGEN van de zonde, over een slaafse vrees voor straf en voor de hel.

Kunt u enige voorbeelden geven uit de Bijbel van zulk een algemene overtuiging? Maar ik bemerk ineens, dat we het al even tersprake brachten in les 110 uit een vorig nummer van ons blad, waarin het ging over het verschil tussen „spijt” en „berouw” over de zonde. Dus behoeven we die voorbeelden niet te herhalen.

Bij de afkeer van de zonde en van de wereld behoeft dit niet alleen te gaan over de u i t l e v i n g van de zonde. Iemand, die voor zulk een uitleving bewaard is geworden, dus niet een leven in openbare zonden heeft gehad, maar van der jeugd af aan een net kerkelijk mens was, ja, zelfs zeer nauwgezet was ten opzichte van Schrift en belijdenis en van wandel, krijgt evenzeer een af keer van de zonde en van de wereld, wanneer hij hieraan ontdekt wordt. Want hij ziet dan, dat de zonde en de wereld in zijn h a r t zitten. Ja, zijn z.g.n. deugden worden „blinkende” zonden. Die worden hem dan als een „wegwerpelijk kleed”, zoals M’Cheyne belijdt in zijn bekende gedicht:


„Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt,
Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt,
Toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed;
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed!”


En wanneer dan het licht mag opgaan uit het Evangelie over de mogelijkheid en ruimte van zalig worden en zo de bemoedigingen en vertroostingen uit de Beloften van het Evangelie worden genoten, de Heere Zich liefelijk aan de ziel openbaart en Zijn liefde doet smaken, zou er dan niet een heilige a f k e e r zijn van de zonde, ja, van alle zonden en van de wereld met haar begeerlijkheden? En zeker niet minder, wanneer de liefde van Christus het hart vervult!

Kent u hiervan iets?

Onmogelijk kon de verloren zoon uit de gelijkenis blijven in het vreemde land en bij zijn zondig leven leven. „En opstaande, ging hij naar zijn vader”, zo lezen we.

En onze Heidelberger antwoordt zo duidelijk in zondag 24 op de vraag: „Maar maakt deze leer (van vrije genade) niet zorgeloze en goddeloze mensen?” „Neen zij, want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.”

Wie in valse lijdelijkheid redeneert: „Het is toch vrije genade, als je bekeerd wordt, dat moet God. doen” en zo rustig voortleeft, schuilt rustig weg achter zijn onmacht en geeft in feite eigenlijk God de schuld als hij niet bekeerd wordt.

Of, wanneer men, gelijk de anti-nomiaan, redeneert: Christus heeft de wet vervuld en mijn zonde verzoend, dan komt het niet zo zeer meer aan op nog zonde doen, die zijn toch vergeven, dan ligt zulk een misleidende zorgeloosheid en goddeloosheid n i e t aan de l e e r van vrije genade, maar aan die mensen z e l f! Dan is dit een gruwelijk misbruiken van de leer der vrije genade tot zijn eigen verderf.

De AFKEER van de zonde en van de wereld wordt dus zeker gekend,wanneer men waarachtig tot God bekeerd wordt.

Nu zouden we verder nog iets willen zeggen over de af keer van de „wereldse begeerlijkheden”. Maar ik zie, dat onze les dan te lang wordt. Nu heeft onze vriend en collega, Ds. van der Ent, de vriend ook van onze jeugd, al geschreven over verschillende dingen aangaande deze materie. Doch mogelijk zullen nog wel eens bepaalde aangelegenheden ten deze ter sprake komen. Mogen we dan maar op zijn zo gewilde artikelen wijzen? Geve de Heere ons door Zijn lieve Geest er iets van te leren en te beleven:


„Weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten hoe rijk dat ik ben.
’k Heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.”


Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.