+ Meer informatie

HET WONDERE AMBT STOOT HET AF OF TREKT HET AAN?

7 minuten leestijd

Eerder dit jaar (januari en maart) verschenen in ons blad artikelen van de hand van ds. D. Quant over het aantal predikantsvacatures binnen onze kerken en de prognose op langere termijn. Om nog even een paar kerngegevens in herinnering te roepen: naar verwachting (we weten dat de Koning van de kerk de dingen soms heel anders kan leiden!) zullen tot 2025 ongeveer 100 predikanten de leeftijd van 65 jaar bereiken en daarmee emeritaatsge-rechtigd zijn. Daar tegenover staat een verwachte instroom van 70 predikanten — er werden in de achterliggende jaren ongeveer 3.5 studenten per jaar via het admissie-examen toegelaten. Dat betekent bij gelijkblijvende ontwikkelingen, dat in 2025 naar schatting 35 % van het aantal gemeenten vacant zal zijn. U voelt aan: daar ligt een groot probleem. Overigens haast ik mij om met grote dankbaarheid te vermeiden dat in juni j.l. zeven broeders konden morden toegelaten via het admissie-examen. Dat is een ware gebedsverho-ring; het aantal was in jaren niet zo hoog.

‘GAAT DE DOMINEE VOORBIJ?’

Niettemin worden we geroepen tot bezinning, want het probleem is verre van opgelost. Hoe zou het komen dat het aantal aanmeldingen voor het admissie-examen gedurende een aantal jaren tamelijk gering was?

Ik weet: die vraag kan al te menselijk overkomen. Is het immers niet Christus Zelf die roept?

Toch mag die belijdenis ons de ogen niet doen sluiten voor factoren die een rol kunnen spelen. Zonder te pretenderen volledig te zijn waag ik een poging om in alle voorzichtigheid een aantal zaken te benoemen.

1. Er zou sprake kunnen zijn van een verminderd roepingsbesef. Dat kan weer te maken hebben met een tendens die we alom zien: je bindt je niet voor je leven aan één bepaalde taak, want er valt veel meer te beleven. Er zijn jongeren die best bereid zijn om zich voor een afgeperkte periode aan een bepaalde taak in Gods Koninkrijk te geven, maar levenslang…? De vraag is ook: hoe zwaar weegt het besef dat zondaren het Evangelie van Christus nodig hebben, omdat ze zonder Hem voor eeuwig verloren gaan? Is er bewogenheid vanuit de liefde van Christus?

2. Hoe groot is de liefde tot de kerken? Is er bereidheid om onszelf geheel te geven in dienst van een kerkverband waarin een grote verscheidenheid valt waar te nemen, waarin van tijd tot tijd spanningen optreden, met alle gebrokenheid die daar vaak mee samenhangt? Geloven we dat de kerk Gòds zaak is en dat ze daarom toekomst heeft? Wat kan de neiging groot zijn om ons blind te staren op afnemende ledenaantallen. ‘Voor een failliete zaak ga je toch niet werken?’

3. Vroeger stond het ambt van predikant in hoog aanzien. Het gaf een bepaalde status (je behoorde bij de ‘upper ten’ van het dorp) en er werd naar de dominee geluisterd. Het gaat hier niet om de vraag of dat allemaal goed was, maar wel om de constatering: die tijd is voorbij. Uit een onderzoek van een aantal jaren geleden kwam naar voren, dat de predikant tot de laagst gewaardeerde beroepsgroepen behoort.

4. Er wordt veel van de predikant gevraagd. Hij wordt geacht niet alleen het befaamde schaap met de vijf poten te zijn, maar er wordt van hem verwacht dat hij een duizendpoot is. Hij moet goed kunnen preken, catechiseren, instrueren, communiceren met jong en oud, crises kunnen bezweren, leiding geven, tegenstellingen kunnen overbruggen, inspireren, en daarbij ook nog zichzelf en zijn gezin niet vergeten. Kortom: je moet, in de beleving van velen, zo ongeveer de ideale mens zijn, anders red je het niet. Begrijpelijk dat jongeren denken: voor mij een ander.

5. Het gezag van de Schrift is aan devaluatie onderhevig. (Post)moderne mensen sprokkelen hun eigen godsdienst wel bij elkaar. De boodschap die de predikant brengt is er een van de vele die in deze wereld klinken. Er heerst een geest van relativisme: alles is betrekkelijk en overal zit wat in, ook in andere godsdiensten. Zal die ene man op de kansel mij vertellen wat ik geloven moet? En: mensen kijken in de kerken om zich heen. Er is zo’n veelheid aan opvattingen, ook rond een en dezelfde Bijbel. Valt er in zo’n cultuur nog wel een woord met gezag te spreken? Sta je dan als dominee niet bij voorbaat op achterstand? Geen aanlokkelijk perspectief!

6. We zien zo vaak dat predikanten het niet meer bolwerken en voortijdig hun werk moeten beëindigen, om wat voor reden dan ook. Dat maakt anderen onzeker. Wie zegt mij dat ik het aankan? En: hoeveel maatschappelijke zekerheid geeft het ambt van predikant? Voor een jongen die studeren kan, zijn er echt wel aantrekkelijker banen te bedenken, die bovendien heel wat meer opleveren.…

‘ZIJN SCHONE DIENST….’

Is het mogelijk om tegenover al deze factoren, die een mens de moed zouden kunnen benemen om zelfs maar te denken in de richting om dienaar van het Woord te worden, andere dingen te noemen, die (jonge) broeders mogen stimuleren om te staan naar dit ambt?

Vooropgesteld: het gaat vóór alles om een innerlijke roeping van Godswege. Wilhelmus à Brakel in zijn ‘Redelijke Godsdienst’ noemt vijf zaken waardoor men van zijn innerlijke roeping overtuigd kan worden:

- kennis van het ambt: wat houdt het in om een dienaar van Christus te zijn en het Evangelie te verkondigen?

- kennis van eigen bekwaamheid: kan ik uit eigen bevinding van Gods waarheid spreken en ben ik in staat om mijn gedachten op een goede manier uit te drukken?

- liefde tot Christus en zijn kerk: om onbekeerden uit het vuur te rukken en bekeerden te versterken en te vertroosten;

- bereidheid tot volstrekte zelfverloochening;

- een grote lust tot het ambt, ondanks alles wat er innerlijk aan bezwaren kan leven.

Maar ook hierin geldt: de Heilige Geest werkt door de middelen. Daarom is het goed om tegenover de zes bovengenoemde belemmerende factoren nu zes stimulerende factoren te noemen.

1. het is een voortreffelijk werk. ‘Zo iemand tot het ambt van een opziener lust heeft, die begeert een voortreffelijk werk’ (1 Tim. 3:1). Het oude bevestigingsformulier geeft een uitgebreide taakomschrijving van de dienaar van het Woord en zegt dan: ‘Uit deze dingen kan men zien welk een heerlijk werk het herdersambt is, aangezien zulke grote dingen daardoor uitgericht worden; ja, hoe zeer noodzakelijk het is, om de mensen tot de zaligheid te brengen’. Is dat niet heerlijk: instrument te mogen zijn om zondaars tot Christus en zo tot de zaligheid te leiden?

2. Het is een voorrecht om geroepen te worden tot ambassadeur van Christus (zie 2 Cor. 5:20). Immers: wie ben ik zelf tegenover Hem? Een zondaar, die geen redding verdiend heeft en zo’n heerlijk ambt niet waardig is. Het voorrecht ligt ook daarin, dat er geen betere Meester is dan Hij. Wat zorgt Hij goed voor zijn dienaren! Steeds weer zijn er, juist temidden van de moeiten in de ambtelijke dienst, de vertroostingen door zijn Woord en Geest.

3. De verantwoordelijkheid van het ambt mag in afhankelijkheid beleefd worden. Zondaren leiden op de weg naar de eeuwigheid, wie kan dat? Vermanen, vertroosten, waarschuwen, geestelijke leiding geven: wie is tot deze dingen bekwaam? Wat een verantwoordelijkheid! Het bloed van onze hoorders zal van onze hand geëist worden (Ez. 33). Maar die verantwoordelijkheid mag in afhankelijkheid beleefd worden: ‘onze bekwaamheid is uit God’. Hij die roept tot dit werk, is ook getrouw; Hij zal het ook doen.

4. Dat brengt op de vastheid van zijn belofte: ‘En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld’ (Matt. 28:20). Die belofte staat in het kader van de grote opdracht. Wanneer we ons trouw en met toewijding geven aan de uitvoering van die opdracht, mogen we altijd op die belofte terugvallen, ook in dagen dat alles tegenzit, het voor je waarneming in de gemeente geestelijk zo stil is of juist wanneer het zo stormt; wanneer je zelf door moedeloosheid overvallen wordt. Zó kunnen we gaan, en zó kunnen we in het ambt (blijven) staan: Hij Zelf staat achter ons als de grote Zender van zijn dienaren. We komen niet in onze eigen naam, maar op zijn gezag. Dat mag ons ook in een tijd van gezags-devaluatie bemoedigen.

5. Het geeft een diepe vreugde om vriend van de Bruidegom te mogen zijn (Joh. 3:29). Het gaat niet om mij, maar om Hem: ‘Hij moet wassen, ik minder worden’. Mensen kunnen tegenvallen; je valt ook jezelf zo vaak tegen. Maar Hij valt nooit tegen. En uit liefde tot Hem gun je Hem zo graag vele onderdanen. Hem te mogen dienen geeft zo’n diepe vreugde, dat je zegt: ‘Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten’.

6. Wat een verwondering, als je merkt dat de grote Herder je werk als onderherder gebruikt tot bekering van jongeren en ouderen, en tot verdieping en versterking van wat Hij gewerkt heeft in het leven van de zijnen. De arbeid in Hem verricht is nooit tevergeefs!

WERVEN VOOR HET WONDERE AMBT?

Laat er positieve aandacht voor deze zaak zijn

- in de prediking, als het aspect van het dienen van deze goede Koning aan de orde komt;

- bij de catechese, bijvoorbeeld over de ambten;

- in het pastoraat, wanneer we jonge broeders ontmoeten die gaven van hoofd en hart ontvangen hebben;

- vooral in het gebed in de eredienst: dat de grote Zaaier vele arbeiders in zijn oogst zal uitstoten (Luk. 10:2).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.