+ Meer informatie

OMGAAN MET DEPRESSIE IN DE GEMEENTE

8 minuten leestijd

Het herkennen en pastoraal begeleiden van iemand met depressiviteit of een depressie is een lastig probleem. Dat kunnen we maar beter hardop tegen elkaar zeggen dan dat we ons in stilte schamen en niet durven uit-spreken wat we moeilijk vinden, niet begrijpen of niet aankunnen. Daarmee zouden we voor onszelf de last al maar groter maken, en daarmee is niemand geholpen. Zwijgen mag dan goud zijn, maar in dit geval zou je in zwijgen vast kunnen lopen met alle gevolgen van dien.

Depressie komt veel voor en dat neemt naar verwachting ook nog toe. Dat maakt de kans groot dat we of zelf of met iemand anders te maken krijgen met depressieve klachten. Als ik even uitga van 6 à 7 mensen op de honderd van 18 jaar en ouder die in een jaar een depressie hebben, hoeveel gemeenteleden, gezien de omvang van uw gemeente, moeten er dan gemiddeld jaarlijks zijn die aan een depressie lijden? De kring van mensen die niet zozeer aan een depressie lijden, maar aan depressiviteit in allerlei vormen, is dan dus nog groter.

Het zijn niet zozeer uitzonderlijke of exceptionele toestanden die zoveel stress geven dat ze een depressie uitlokken. Dat kan wel, maar het zijn de ingrijpende levensgebeurtenissen, langer durende moeilijkheden of dagelijkse tegen-slagen, die een rol spelen en die we allemaal wel kennen. Ingrijpende levensgebeurtenissen zijn overlijden, scheiding, huwelijk, zwangerschap, zelfstandig gaan wonen, pensionering. U ziet, dat zijn feitelijk ‘gewone’ menselijke gebeurtenissen. Iedereen maakt ze mee. Maar ze brengen nogal wat teweeg en zijn daarom ingrijpend. En het zijn dus niet alleen nare gebeurtenissen. Ook positieve gebeurtenissen kunnen zodanig belasten, dat iemand ervan uit zijn doen raakt en depressief wordt. Verlieservaringen zijn bekende voorbeelden van gebeurtenissen die tot een depressie kunnen leiden. Wat dat betreff kunnen we ons al gewaarschuwd weten als we bij weduwen, weduwnaars op bezoek komen, bij mensen die hun werk zijn kwijt geraakt, of pas verhuisd zijn, ook al zou je dat van die en die absoluut nooit verwachten. We zijn, ook als psychiaters, siechte voorspellers.

Dat depressiviteit het geloven kan beïnvloeden, staat vast. En dat gelovige mensen vanwege hun geloof nooit depressief kunnen worden, is onzin. En dat er wat aan je geloof mankeert als je toch depressief wordt, is ongenuanceerd en kan onnodig kwetsend en extra belastend zijn. Dat soort van misverstan-den, om niet te zeggen foute voorstelling van zaken, moet krachtig weerlegd worden.

Naast de sombere stemming, die aanhoudt en niet zomaar verdwijnt, is er het negatieve denken over zichzelf, de omgeving en de toekomst, en in het verlengde daarvan negatief reageren op of negatief opvatten van wat men hoort, bijvoorbeeld in de preek, of van wat men dagelijks meemaakt. Veelal merken we wel dat discussiëren daarover niet veel verder helpt, en dat men in cirkels blijft praten en redeneren. Uiteindelijk zijn we als gemeenteleden geen behandelaars. Dus we kunnen ook niet van elkaar verwachten dat we de kennis hebben of de manieren weten om zoiets vakkundig aan te pakken.

Toch houden we eraan vast dat we als gemeente naar elkaar omzien. Dat was natuurlijk altijd al wel belangrijk, maar het vraagt toch ook telkens weer om nieuwe aandacht en nieuwe Stimulans. Daar zijn voortrekkers bij nodig en het ligt voor de hand dat dat de ambtsdragers kunnen zijn. Of als er met wijkteams wordt gewerkt, de leden van die pastorale teams. Wordt daar nu veel gebruik van gemaakt? Ik bedoel, worden ouderlingen of anderen die ervoor aangewezen zijn ingefluisterd of ingeseind dat die of die wellicht hulp nodig heeft? Worden ouderlingen daarop geattendeerd? Ik weet het natuurlijk niet, maar naar mijn ervaring gebeurt dat niet vaak. U zou dat kunnen nagaan in uw gemeente/wijk. Hopelijk schrikt u niet van de uitkomst. Hoe hoog (of hoe laag) is eigenlijk de drempel om bij een ouderling of een lid van een pastoraal team aan te kloppen met de mededeling dat men zelf met iets zit of dat bij een ander bespeurt? Want stelt die ander het wel op prijs dat een ouderling over hem of haar geïnformeerd wordt? Dus hoe weet je nu of je vervolgens als ouderling wel contact met de betreffende persoon kunt opnemen? Ik denk dat het belangrijk is om open te zijn en niets achter iemands rug om te bekokstoven. Bovendien moet iedereen zich ook wel goed realiseren wat het is om om te gaan met informatie die je vertrouwelijk ter kennis is gebracht.

Goede begeleiding vraagt niet van ons dat we het allemaal weten of alles kunnen oplossen. Maar sommige situaties zijn soms ook wel weer eenvoudig. Als iemand na ingrijpende gebeurtenissen vereenzaamt, dan moet het toch denkbaar zijn het isolement te doorbreken. Ik denk niet dat de voorganger of ouderling dat altijd zelf moet doen. De kunst en daarmee de Stimulans is nu juist an-deren daarbij in te schakelen. Al te vaak en al te veel komt veel werk op een betrekkelijk klein groepje in de gemeente aan. Dat is jammer.

Belangrijk is beslist ook om na te gaan of iemand deskundige hulp zoekt. Wij kunnen niet altijd beoordelen of iemand dat ook werkelijk nodig heeft. Dat moet een deskundige, bijvoorbeeld de huisarts, adviseren. Maar soms zijn er drempels om de stap naar deskundige hulp te zetten. Schaamte, onzekerheid, onwetendheid, angst. Daar kunnen we wel wat in helpen. Er is zoveel informatie beschikbaar die betrouwbaar en bruikbaar is. Niet alleen in de vorm van brochures, voorlichtingsmateriaal en boekjes, maar ook in de vorm van voorlichtingsbijeenkomsten en via het internet (bijvoorbeeld de Depressie Stichting). En dan zijn er nog de patiëntenverenigingen, zoals de Nederlandse Patiënten Vereniging (NPV) en Vereniging ‘Een handreiking’, die altijd verder kunnen helpen of de weg wijzen. Ook daarvan is voor mij trouwens weer de vraag hoeveel daar nu werkelijk gebruik van gemaakt wordt door ambtsdragers. Het lijkt mij de moeite waard dat te inventariseren en indien nodig te stimuleren. Dat ligt dan misschien weer meer op de weg van voorgangers.

Een goede Stimulans is in mijn ervaring ook een kringgesprek of een gemeenteavond, of een bezinning met vrijwilligers die bij de pastorale zorg betrokken zijn. Het laatste biedt juist de mogelijkheid om wat dieper met elkaar in te gaan op wat men aan ervaringen heeft, wat men meemaakt of waar men tegenop loopt. Dat laatste is sowieso nodig voor mensen die in het pastoraat actief zijn. Men heeft het nodig om met enige regelmaat ervaringen met elkaar uit te wisselen, elkaar te steunen en te bemoedigen, elkaar te adviseren, af te remmen en zo nodig te corrigeren. Zo niet, dan loopt men het risico dat men toch met derden over dingen gaat praten, waarover men niet zou moeten praten. Dat is te voorkomen!

Ondertussen heb ik daarmee dus ook gezegd dat er niet alleen aandacht moet zijn voor degene die aan de klachten lijdt, maar ook voor de vrijwilligers die hulp bieden. En de gezinsleden van degene die de klachten heeft: man of vrouw, en met name de kinderen. Het is toch niet zo moeilijk om een blijk van aandacht, van meeleven, van willen helpen te geven bijvoorbeeld in opvang van kinderen? Niet allemaal tegelijk natuurlijk, en in overleg. En toch is er altijd weer de begrijpelijke en terechte vraag: hoe ver moet ik gaan? Wat mag er van mij als ouderling verwacht worden? Ik ben toch geen maatschappelijk werker? Neen, dat is ook zo. Ieder die hulp biedt, ‘moet’ enig idee hebben over waar zijn of haar grenzen liggen. Wie er overheen gaat, loopt zelf het risico met spanningen te kampen te krijgen. Wie niet goed voor zichzelf zorgt, kan het zorgen voor anderen dikwijls niet volhouden! Er zijn dus grenzen. Maar die zijn niet altijd zo precies aan te geven. Roeping of geen roeping, wat u niet ligt moet u niet doen. Dat is geen siechte zaak of een gebrek aan inzet, maar realistisch. Alleen, ik denk wel dat dan van u verwacht mag worden dat u op zoek gaat naar anderen die u kunnen bijstaan en helpen in de zorg om die ander. Niet iedereen heeft de vaardigheid, het geduld, de gave om met mensen met psychische problemen om te gaan. Als ouderling kent u de mensen wat beter, dus u kent ongeveer hun talenten en gaven. Het is zonder twijfel een Stimulans voor iedereen als mensen merken dat die opgemerkt worden en ze uitgenodigd, zelfs uitgedaagd worden om die in te zetten in de gemeente als lichaam van Christus. Mensen mogen daarbij hun Hoofd gebruiken, als u begrijpt wat ik bedoel.

Zo komen we uit bij de bron en het fundament van de gemeente. Hij is het hoofd van zijn gemeente en voorziet zijn lichaam door zijn Geest van al wat nodig is. Dat te zien, te ontdekken en in te zetten voor de gemeente bijvoorbeeld ten dienste van mensen met noden en problemen lijkt mij een teken voor een samenleving die hunkert naar een plek waar plaats is voor elke vraag en elke nood.

Drs. Verhagen is als psychiater verbonden aan ‘De Meerkanten’ in Harderwijfe

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.