+ Meer informatie

JONGERENCULTUUR

8 minuten leestijd

We zien ze allemaal wel eens lopen: groepen jongeren met een heel eigen stijl van kleden, bepaalde accessoires (bijvoorbeeld een petje achterstevoren) die elk lid van de groep heeft, een haardracht of juist geen haar. En mogelijk komen we het ook in het jeugdwerk binnen de gemeente tegen: op catechisatie, op de verenigingen. Hoe gaan we er mee om? Hoe reageren we op sommige van de groepscodes?

EEN DEFINITIE

Als we willen nadenken over jeugdcultuur en hoe daarmee om te gaan binnen de gemeente van Jezus Christus, is het verstandig om te beginnen met een omschrijving van wat we eronder verstaan. In de internetencyclopedie Wikipedia staat het volgende te lezen: ‘Jeugdcultuur is het geheel van culturele uitingen en belevingen dat specifiek leeft in jongerengroepen. Een jeugdcultuur is niet zomaar een jongerengroep, maar heeft als extra kenmerk dat er sprake is van normen en waarden, die vorm krijgen in taal, kleding, lichaamsversiering (kapsels, tattoo’s, piercings) en muziek. Een jeugdcultuur kent dus een binnenkant en een buitenkant. Jeugdculturen kunnen voor jongeren een middel zijn om een (sociale) identiteit te ontwikkelen. (…) Muziek is een belangrijk identificatiemiddel voor jongeren. (…) In de jaren zestig leeft sterk het gevoel dat jeugdcultuur één ongedeelde groep is die ageert tegen de volwassen cultuur. Maar al heel snel versplintert de jeugdcultuur in diverse jeugdsubculturen’. Vervolgens worden er verwijzingen gegeven naar verschillende subculturen, zoals hippies, gabbers, gothics enzovoort. Het is nu niet nodig om op alle subculturen afzonderlijk in te gaan, omdat ik denk dat de onderliggende vragen bij alle verschillende jeugdgroepen uiteindelijk dezelfde zijn en ze dus onderling veel meer gelijkenis vertonen dan ze zelf waar willen hebben. Bovendien zijn de onderliggende vragen vragen waar vrijwel iedere jongere in de jaren van de puberteit mee te maken heeft — zodat ook als jongeren niet direct deel uitmaken van een groep, zij toch met vragen lopen waarvan het belangrijk is dat de kerk ze erbij helpt. Ik kom er straks op terug.

ACCEPTEREN OF NEGEREN?

Maar eerst wil ik stilstaan bij wat je aan reacties ziet. Voor het gemak beperk ik me even tot de twee uitersten: enerzijds klakkeloze acceptatie of anderzijds compleet negeren. De acceptatie manifesteert zich het duidelijkst in het fenomeen jeugdkerk. Het negeren zien we daar, waar alles in het jeugdwerk net zo gaat als 40 jaar geleden. Beide benaderingen gaan mijns inziens op hetzelfde punt mank. Als het gaat om de vraag hoe de boodschap doorgegeven moet worden, zegt de ene: je moet zo dicht mogelijk bij de belevingswereld van de jongeren komen en de ander zegt: niet de mens — en dus ook: niet de jongere — bepaalt de agenda in de kerk. Maar het gevaar bestaat dat beide keren niet echt geluisterd wordt naar de jongeren zelf en er vooral óver hen gesproken wordt. Als het bijvoorbeeld gaat over de jeugdkerken, kan ik me niet altijd aan de indruk onttrekken dat het met name de ‘volwassenen die zich nog jongere voelen’ zijn, die de jeugd gebruiken als argument om datgene te doen in de diensten wat ze zelf al lang gewild hadden. En het feit dat veel jeugdkerken al weer op hun retour zijn, kon onder andere daar wel eens mee te maken hebben: niet echt geluisterd naar de betrokken jongeren en te snel gedacht een ‘oplossing’ te hebben.

ZOEKEN NAAR EIGEN IDENTITEIT

Waar gaat het in die beide reacties dan mis? Nu — ik denk dat de spade dieper gestoken moet worden. Ik gebruikte al twee keer het woord ‘luisteren’. Dat lijkt me van enorm belang. En dan bedoel ik niet dat jongeren hun zin krijgen. Iemand serieus nemen betekent nu juist dat je hem niet per se zijn zin geeft, maar dat je over de dingen spreekt en laat merken dat je werkelijk geïnteresseerd bent in de ander. En dan kom ik terug op de onderliggende vragen in de jongerencultuur waar ik het al even over had. Het Wikipedia-artikel wijst op een belangrijk punt: ‘Jeugdculturen kunnen voor jongeren een middel zijn om een (sociale) identiteit te ontwikkelen’. Met andere woorden: de jeugdcultuur dient een bepaald doel, namelijk het vinden van de eigen identiteit. Wie met jongeren werkt zal vaak genoeg meemaken dat dezelfde jongere schijnbaar twee verschillende gezichten heeft, afhankelijk van het al dan niet aanwezig zijn van anderen. Veel jongeren zullen er — in de periode van de puberteit — alles aan doen om niet al te veel op te vallen. Dat offer brengen ze om er bij te horen. In de jaren van de puberteit speelt het gevoel geaccepteerd te worden een belangrijke rol. Dat is wat een jeugdcultuur dus allereerst doet: het geeft ze het gevoel ergens bij te horen, geaccepteerd te worden. Hoeveel ouders horen hun kind niet zeggen: mijn vrienden begrijpen me tenminste? En hoeveel jongeren luisteren niet naar hun muziek met het idee dat deze zanger of zangeres tenminste snapt wat zij voelen?

JONGEREN BEGRIJPEN

Nu kun je daar over grinniken en denken: ‘Zo dacht ik vroeger ook en ik ben er van teruggekomen. Dat hoort bij opgroeien’. Maar daarmee doen we ze geen recht. Als we de jeugdcultuur serieus willen nemen, dan zullen we als kerk, als ambtsdragers moeten proberen onze jongeren beter te begrijpen dan zij zichzelf begrijpen. Ik denk dan aan wat Paulus doet als hij door Athene loopt. Hij begrijpt de Atheners beter dan zij zichzelf. Hij ziet het altaar voor de onbekende God. Zijn reactie is niet badinerend, maar hij kijkt dieper en hij ontdekt welke vraag, welke angst er verborgen is in het plaatsen van dit altaar. Kortom: hij kijkt om zich heen in die cultuur van Athene en gebruikt de cultuuruitingen om te zien wat er diep in de harten van de mensen omgaat. Aan de buitenkant zijn het zelfbewuste mensen, met een cultuur waar ze trots op zijn. Maar het opschrift op het altaar legt iets bloot van een stuk onzekerheid. En in die onzekerheid zoekt Paulus vervolgens zijn hoorders op met de boodschap van de Gekruisigde en Opgestane. Hij neemt die cultuur dus niet klakkeloos over en negeert het ook niet, maar gebruikt het om te ontdekken waar zijn hoorders met hun harten zitten.

GEUR TEN LEVEN

Het lijkt me om die reden van belang dat we niet te snel klaar zijn met de jeugdcultuur. Wie klakkeloos accepteert of wie domweg negeert, maakt zich te gemakkelijk ervan af. Onze jongeren mogen erop rekenen dat ze gehoord en gezien worden, dat er aandacht is voor hun vragen. Ja, ze moeten er op kunnen rekenen beter begrepen te worden dan zij zichzelf begrijpen. Dat zullen ze natuurlijk zo niet zeggen, maar het is van groot belang dat een diaken, ouderling of predikant iets van begrip kan tonen en opmerkingen kan doorzien. Daarvoor is nodig dat de betreffende ambtsdrager van tijd tot tijd zich op de hoogte stelt van wat er omgaat in de jongerencultuur: koop eens een tijdschrift, surf eens rond op Hyves langs de profielen van de kerkjeugd, kijk of luister eens naar een jongerenzender. Niet om daarmee de nieuwste trends te kennen en de stopwoorden na te spreken. Hoogstwaarschijnlijk loop je dan steeds nèt even achter en roept het pogen hun taal te spreken weinig anders op dan een meewarig grinniken. Zoiets als wij hebben, als we de Paus in het Nederlands horen bedanken voor de bloemen.

De bedoeling is niet om de cultuur te gaan imiteren. Het gaat erom de geur op te snuiven. Die geur is niet altijd zo fris. Maar je komt er wel vragen mee op het spoor. Je merkt hoe jongeren zoeken naar hun identiteit, naar acceptatie. Hoeveel van de populaire liedjes gaan uiteindelijk daar niet over? Juist over die zaken heeft het Evangelie veel te zeggen. Weliswaar iets heel anders dan jongeren vanuit zichzelf zoeken. Maar daarmee ook iets dat hen echt helpt en echt antwoord geeft. Wat is er nou beter om te horen voor iemand die zoekt naar zijn identiteit dan zondag 1 van de HC? En wat is nou bevrijdender dan te horen dat in de omgang met de Here het niet nodig is dat ik leuk doe en erbij hoor, maar dat Hij zelf gegeven heeft wat nodig is om mij in zijn ogen goed te maken? Dat is een geur ten leven die aan de jongeren doorgegeven mag worden.

DOORZICHTIG TOT OP DE ZENDER

En juist dan is het van belang dat een ambtsdrager is, wat hij krachtens zijn roeping moet zijn: doorzichtig tot op zijn Zender. Belangstellend, zoekend. De herder kent zijn schapen — weet iets van hun omstandigheden: hebben ze verkering of niet, gaat het goed op school? In het oog dat een ambtsdrager voor ze heeft, mogen jongeren iets herkennen van het oog van de Grote Herder dat op hen rust. Dat is niet iets wat je zelf in de hand hebt en tot stand kunt brengen. Omgaan met jongeren begint en eindigt daarom ook bij het gebed van de ambtsdrager. En in dat gebed mag het feit dat onze jongeren over het algemeen gedoopte jongeren zijn een belangrijke plaats innemen. Zij zijn gekend dieper dan zij zichzelf kennen; niet door een ambtsdrager die tenslotte ook mens blijft. Maar door Hem die ook voor hen zijn eigen Zoon gegeven heeft. Dat geeft moed om met onze jongeren om te gaan! En daar ontspringt echte en diepe liefde en belangstelling voor onze jeugd.

Ds. C.C. den Hertog (1974) is predikant te Surhuisterveen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.