+ Meer informatie

Een parel uit de schat der Kerk (24)

8 minuten leestijd

GELOOFSLEVEN

De Godsopenbaring op de Sinaï

Verbijsterd door de majesteit van God stonden Mozes en heel het volk Israël aan de voet van de Sinaï in heihgheid, omringd door bliksemstralen. De vrees om door die heilige gloed en glans verteerd te worden greep hen allen aan. Vanwege de vreselijkheid van dit machtige schouwspel was Mozes zeer bevreesd en bevende. Zo vreselijk was het gezicht, het aanzien van God. (Hebr. 12 : 21) Met spanning wordt gewacht op wat God gaat zeggen.

Wonder van genade. God, Die Zich openbaart als een verterend vuur, verteert niet. Boven donder, bhksem en bazuingeschal, ja er dwars doorheen, laat God Zich horen: Kun je mij zeggen wat God zegt? (136) Jawel, zegt de leerling. Hoor Israël, Ik ben de HEERE uw God, Die u uit het land van Egypte, uit het diensthuis uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

Het eerste woord, dat God spreekt is geladen met genade. Zijn toorn ontlaadt zich niet. Zijn Hefde openbaart zich. Hoe dat kan? Hoe dat komt? wil Calvijn weten. Leg mij de betekenis van die woorden eens uit? (137) Geantwoord wordt: Om te beginnen is dit als het ware een inleiding op de hele Wet. Want God kent Zichzelf hier het gezag toe, om te kunnen gebieden; vervolgens noemt Hij Zich de HEE­ RE onze God, om liefde bij ons voor Zijn Wet te wekken. Als HEERE is Hij onze Behouder. Omdat Hij onze Verlosser is hebben wij alle reden om Zijn gehoorzame volk te zijn. De woorden waarmee God begint Zijn Wet bekend te maken, zijn meer dan een inleiding op het geheel. Het is een hef desverklaring van Jahwe, de eeuwig getrouwe en hefdevoUe Verlosser-God. Uw Maker en Uw man, Israël! Mijn souverein gezag rust in Mijn HefdevoUe verlossing. Ik eis geen slaafse, wettische gehoorzaamheid, maar een leven naar de Wet der liefde. God schonk Zijn volk Zijn hefde in de verlossing. Nu zijn Zijn geboden geen harde eisen meer. Schrik maar niet voor de Wet Mozes! Ik heb Mijn volk verlost om de liefde tot Mijn Wet in hun hart op te wekken en haar te maken tot een liefde-Wet. Een Wet om naar te leven. Een Wet om van te zingen: Hoe lief heb ik Uw Wet!

De geestelijke toepassing

Gods bevrijdend handelen met Zijn volk Israël heeft volgens Calvijn een diepere geeestelijke betekenis. Het is een voorbeeld van de geestelijke bevrijding van Gods kerk. Hij respecteert de letterlijke uitleg van het bevrijdingsgebeuren door aan zijn leerling te vragen: Vat er volgt over de uitleiding uit Egypte, is dat niet in het bijzonder bestemd voor het volk Israël? (138) Calvijn laat de Schrift voluit uitspreken. Eerst de uitleg. Vandaar het antwoord: ls we dit alleen letterlijk opvatten, wel! Dan is de bevrijding uit Egypte hét grote heilsfeit voor Israël. In dit historisch feit houdt God de weg naar het volle heil in de komst van Christus open. Maar als leerling van de Schrift weet Calvijn, dat deze dingen ook een andere betekenis hebben. (Gal. 4 : 24)

Het antwoord vervolgt dan ook: Maar er is een ander soort bevrijding, die voor alle mensen zonder onderscheid noodzakelijk is, namelijk dat Hij onze zielen heeft bevrijd uit de geestelijke gevangenschap van de zonde en uit de tyrannic van de duivel. Een bevrijding die het deel werd van Paulus, die schrijft: Christus heeft ons verlost van de vloek der Wet. De bevrijding waar Zondag 1 van de Heidelberger zo hoog van opgeeft: En mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft. Zo wijst de bevrijding van Israël boven zichzelf uit, naar een innerlijker, geestelijker gebeuren. Door de krachtige hand en het bewogen hart van onze God en HEERE heeft Hij Zijn volk verlost van het slavenjuk der zonde, de macht van de duivel, en de rechtvaardige toorn van God. Opdat zij zouden roemen in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. De herinnering aan die bevrijding gaat aan de eigenlijke Wetgeving vooraf.

Waarom eigenlijk? Ja, waarom herinnerde de HEERE daaraan bij de openbaring van Zijn Wet? (139) Om twee redenen zegt het antwoord. Om er ons aan te herinneren hoezeer wij gehouden zijn, hetgeen Hem behaagt te doen. En hoe ondankbaar het van ons zou zijn, het niet te doen.

De Wet is Wet der Hef de, en spoort aan tot heilig moeten. Maar het is, dank zij de bevrijding uit het diensthuis der zonde, ook een heilig mógen. Een niets Hever willen, omdat de

Heere onze Verlosser het waard is. Zo is dan de Wet der liefde eis en belofte tevens. Want tot de bevrijden des HEEREN zegt God: k zal Mijn Wet in het binnenste van u schrijven en ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn geboden bewaren en doen. (Jer. 31 : 33) Zulk een God, zo machtig en zo gunstrijk zult ge toch niet langer willen ontlopen? Wie veel vergeven is heeft veel Hef. En hoewel wij weten dat er van alles aan die liefde mankeert, ons dagelijkse struikelen ons meer en meer verlegen maakt om voortdurende bewijzen van Gods Hefde, het kan nooit meer van de bodem van ons hart af, dat we een hartelijke lust en Hefde hebben, om niet alleen naar sommige, maar naar aUe geboden Gods, beginnen te leven.

Het eerste gebod

In feite heeft de Heere door Israël Zijn bevrijdende daden in herinnering te brengen en Zich , , de HEERE uw God" te noemen, Zelf de voorwaarden geschapen, op grond waarvan de naleving van aHe geboden een zacht juk en een Hchtte last vormde. Nu u Mij tot God en Deel hebt in de hemel en op aarde, hebt u daarenboven en daarnaast niets en niemand meer nodig. De eis volgt op de geschonken genade. Wat vraagt God van ons in het eerste gebod? (140) In het kort gezegd, dat we Zijn Hefde met wederHefde beantwoorden. Naar de letter der Wet heet het: , , Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben". Naar de inhoud betekent het: Dat wij Hem alleen de eer geven die Hem toekomt en aan niemand anders. God moet Zijn eer hebben en Hij wil die met niemand anders delen. Afgoderij met wie en wat dan ook is een slag in Gods aangezicht. Afgoden zijn ijdelheden. Niets en minder dan niet. Geen andere goden voor mijn aangezicht is de meest wezenlijke opdracht om met volle overgave van het hart de Heere Hef te hebben.

Dat doet vanzelf de vraag opkomen, naar wat die ere Gods eigenlijk is. Welke eer komt God alleen toe? (141) Antwoord: Hem alleen aanbidden. Hem aan te roepen, ons vertrouwen op Hem stellen. Hem de dank en lof brengen die wij schuldig zijn. Aanbidding is het diepe woordeloze buigen voor de Heere. We raken zo overstelpt door Zijn goedheid en genade, dat we in het niet verdwijnen en toch - hoewel ik stof en as ben (Abraham) - mijn hart en ziel ophef tot Gods lof. Iets van hemelwerk op aarde.

Gij eeuwig groot, ik eeuwig klein. Mijn hart o Heer' zal eeuwig aan u denken. Uw lof op mijne lippen zijn.

Maar er zijn ook tijden en gelegenheden, dat ik niet in staat ben die hoogte van de aanidding te halen. Hoe kan ik Hem dan toch eren? Door Hem aan te roepen; en dat is het oevlucht nemen onzer ziel tot Zijn trouw en hulp. Dat is wegschuilen in Zijn ontferming zo dikwijls als de nood ons dringt. Daarmee hangt ook direct samen ons vertrouwen op Hem stellen. Om dat vertrouwen gaat het.

Het eerste gebod schept de situatie dat wij ons omringd, gedragen en vervuld weten door e Heere. De eis van het eerste gebod is niet anders dan in God te geloven. Te geloven, dat geen zaak in ons leven te groot is, maar ook geen zaak te klein, dan dat wij alle kracht en hulp alleen van Hem verwachten. Dan stellen wij de Heere gedurig voor ons, omdat wij doordrongen zijn van Zijn behulpzame en sterkende tegenwoordigheid. Op dit geloof olgt de dankzegging, dat is die dankbaarheid waardoor de lof voor alle goede dingen Hem oegekend wordt. Kom nader voor Zijn aangezicht. Waarom zegt God dat erbij, voor Mijn angezicht? (142) Daarop wordt als antwoord gegeven: Omdat Hij alles ziet en kent en zelfs over de geheime gedachten der mensen ooreelt. Hij bedoelt daarmee, dat Hij niet alleen oor uiterlijke belijdenis als God erkend wil worden, maar ook in zuivere waarheid en genegenheid van het hart.

Hiermee wil God Zijn volk op het hart binden: Denk er aan, dat Ik u zie en dat u leeft onder Mijn ogen. Ik ben niet tevreden met een zekere vormelijkheid, maar alleen met waarheid in het hart en met oprechtheid in doen en laten. De eis van het eerste gebod dringt tot de bede: Schep mij een rein hart o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest. (Ps. 51) Het besef dat we onder Gods aangezicht leven leert ons voorzichtig wandelen, maar doet ons ook gelovig vertrouwen op de belofte van het Evangelie: Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. (Ps. 32)

H.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.