+ Meer informatie

BIDDEN

14 minuten leestijd

Mensen hebben altijd gebeden. In heel de wereld en in elke godsdienst. Zelfs mensen die vreemd zijn aan enige godsdienst, weten van een schietgebed als het vliegtuig wat raar doet, of roepen de naam van God aan al is het op een verkeerde wijze in een stopwoord of een vloek. Het bidden behoort tot het algemeen menselijke; het zit in ’s mensen natuur om een macht die groter en sterker dan hijzelf is, te hulp te roepen in allerlei noodsituaties die boven menselijke kracht en invloed uitgaan. Het bidden heeft zich staande kunnen houden ondanks de aanvallen ertegen van spot en ongeloof met name in Europa de laatste eeuwen. Het bidden is blijkbaar effectief.

In dit themanummer van Ambtelijk Contact gaat het ons niet om het algemene verschijnsel van het bidden als onderwerp van godsdienstwetenschap. Door het Woord van God en de werking van de Heilige Geest wordt het hart van een mens gereinigd en gezuiverd van heidense beseffen in het bidden. We worden gebracht tot het goede en heilige gebruik maken van de plicht en het middel van het gebed. Mensen hebben het gebed niet alleen beoefend, ze hebben het er ook altijd moeilijk mee gehad. Waarom? Omdat ze niet wisten waar ze om moesten vragen en hoe ze dat moesten doen en vervolgens omdat ze problemen kregen met de verhoring van hun gebeden.

Voorbeelden daarvan vinden we in de gemeente. Een zuster wil het bidden opgeven voor haar volwassen zoon omdat er geen verandering bij die jongen komt; een ander geeft te kennen dat de avonduren gouden uren zijn omdat ze dan rustig en uitgebreid het vele dat bezighoudt in familie, kerk en wereld aan de Here mag opdragen; catechisanten vragen je: wat bidt u en wat moeten wij bidden in het stille gebed voor het begin van de kerkdienst.

Hoe en waar het bidden zijn plaats vindt in het leven van de gelovigen, daarover willen we aan de hand van Gods Woord enkele opmerkingen maken.

Vorm en variatie

Men kan rustig zeggen dat het bidden van de gelovigen tot de levensadem van de omgang met God behoort. Door heel de Schrift heen van begin tot eind zien we mensen actief in het bidden. In Genesis 4 lezen we “Toen begon men de naam des HEREN aan te roepen” en in Openbaring 22 “Amen, kom, Here Jezus”. Tussen die twee teksten in vinden we een kleurrijke verscheidenheid in het gebedsleven van Gods kinderen.

Bidden is naderen tot de heilige God. Tot Hem die eerst in ons leven sprak. Treffend in de Schrift zijn de omschrijvingen van de uiterlijke vormen van het gebedsleven.

Bidden heeft een uiterlijke vorm en die vorm is belangrijk. Vormloosheid is chaos. Ordeloosheid in het gebedsleven is het eind ervan. Door de Reformatie hebben we geleerd dat bidden kan ontaarden in lege vormen zoals het eindeloos, gedachteloos herhalen van gebedsformules en soms ook nog in een vreemde taal. De Schrift ging voor in de afwijzing van het woordenrijke bidden van de heidenen en de show van huichelaars tot op straat toe tijdens hun gebeden. Het misbruik dat vormen van bidden kan binnensluipen, neemt niet weg dat vormen noodzakelijk zijn. Wij hebben ook vormen te gebruiken en in acht te nemen.

Onder de vormen van het bidden is allereerst die van het persoonlijke en het publieke gebed. Het eerste is vrijer, het tweede officiëler. Er is de taal van de mond en de taal van het lichaam. Er kan een woordeloos bidden zijn in een zuchten of een schreeuw, maar ook een uitstorten van het hart om de Here heel het leven en alle nood te verklaren. De lichaamstaal spreekt door opgeheven handen, gebogen knieën, slaan op de borst, uitgestrekt liggen op de grand, smekend zien van de ogen op de hand van de Here, het zich richten naar Jeruzalem. Er zijn plaatsen om te bidden waaronder Jeruzalem en daarin de tempel de voomaamste zijn. Mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken. Onze Here reinigde de tempel van hen die handel dreven. Ook de legerstede of het bed en de binnenkamer worden genoemd als plaatsen van gebed. Er worden tijden van gebed in acht genomen: morgen, middag, avond, rond de maaltijden en zelfs in de nacht.

leder gebed zelf heeft een eigen karakter. Het is een bede, een vraag, een smeking, een klaaggebed van de enkeling of van het volk, het is een voorbede voor anderen en niet het minst is het ook dankzegging en lofprijzing van God. Het boek van de Psalmen is het gebedenboek bij uitstek. Daar vinden we alle vormen aangereikt. Dat de psalmen niet alleen als liederen om te zingen maar ook als gebeden om mee te bidden zijn bedoeld, vinden we in Psalm 72:20 “De gebeden van David, de zoon van Isaf zijn ten einde”. We moeten nu kijken naar de inwendige kant van het bidden. De vorm van het bidden is vorm van een inhoud.

Christus en het bidden

Op verschillende plaatsen in de evangeliën lezen we van het bidden van de Here, hetzij in de eenzaamheid, hetzij samen met anderen. Onze Heiland voegde zich in de overlevering van de dienst van God in zijn dagen. Daarnaast kwam het nieuwe element van het stille gebed in de eenzaamheid, de vertrouwelijke omgang van de Vader en de Zoon, die voor ons een geheim blijft. Het hogepriesterlijk gebed in Johannes 17 is een indrukwekkende uiting van deze vertrouwelijke omgang. Verder wijst de Here Jezus op zijn voorbede voor de discipelen dat hun geloof niet zal ophouden. Hij zoekt hun meewaken en ondersteuning in de ure in de hof van Getsemane, waarin we met ontzag de gebedsstrijd van de Here zien vlak voor Zijn lijden en sterven. De Here bevestigde krachtig het gebod van God om te bidden. Roep Mij aan, zegt de psalm; bidt, zegt Christus. Bidden is een daad van gehoorzaamheid aan een heilig gebod. Daarom is het overbodig bidden te laten afhangen van onze gedachten over effectiviteit van het bidden. De Here wil gebeden zijn. Met name Luther nam dit als hoofdmotief voor zijn barbier Peter waarin hij een eenvoudige leidraad voor het bidden geeft.

“Here, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft” (Lucas 11:1). Dat vroeg een van zijn discipelen op een gegeven ogenblik aan de Meester nadat Hij ergens in gebed was geweest. Dat lijkt een vreemde vraag. Het is redelijk om te veronderstellen dat de discipelen van huis uit bidden geleerd hadden. Vader zal hen in de synagoge gebracht hebben en moeder thuis had de zegen van de sabbat ingeroepen. Bidden hadden ze wel geleerd. Er is blijkbaar verschil tussen bidden en ’echt’ bidden. We kunnen dat meevoelen: het verschil tussen de formuliergebeden uit gewoonte en levend en krachtig bidden met de hele ziel. Beiden zijn nodig net als eten uit gewoonte en een bijzondere maaltijd vieren. De discipelen hebben de leerlingen van Johannes horen en zien bidden en daar ging zoveel van uit dat ze vonden dat hun Meester hun ook dat bidden moest leren. De Meester verhoorde deze bede van zijn discipelen en vertrouwde hun en de kerk van alle eeuwen het gebed toe waarin alle bidden samengevat ligt, het Onze Vader.

Eenvoudig gezegd: wie wil leren bidden, lere het Onze Vader bidden. De uitleg van dit volmaakte gebed heeft vele generaties christenen geleid in hun gebedsleven. De kerkvaders zoals Augustinus en de reformatoren hebben ons onderwezen in het bidden. Van tijd tot tijd daalde de Geest zo machtig neer dat er een vurige gebedsbeweging ontstond in verschillende kerken of volken. In onze tijd is wat er gebeurt in het protestantisme in Zuid-Korea, daar een voorbeeld van. Aansluitend aan het volmaakte gebed voegt de Here in dit gebedsonderwijs toe dat men volhardend, op het onbescheidene af, moet bidden in het vaste geloof op de belofte dat God zal geven wat wij vragen: “Bidt en u zal gegeven worden”. De gelijkenis van de vrouw die haar recht zoekt bij de onrechtvaardige rechter, geeft dezelfde lering om volhardend te bidden. Daarmee neemt de Here de gedachte weg, dat bidden een magisch, automatisch effect heeft. Goedkope verhoring bestaat niet; de Here beproeft de ernst van onze begeerten en Verlangens. De Here vraagt en geeft gehoorzaamheid en kracht opdat wij kunnen doen wat Hij wil; en dat wat Hij alleen kan geven, zal Hij ook geven. Daarmee besluit de Here zijn gebedsonderwijs in Lucas 11. Hij zal de Heilige Geest geven aan hen die Hem daarom bidden. Met het gebed om de Heilige Geest treden we het hart van de zaak van het bidden binnen. Daar ligt de bron van het gebed van Gods kinderen. Daar ontstaat het ‘echte’ bidden. Het bidden in geest en waarheid.

Bidden, definitie en dispositie

Wat is bidden? Laten we twee omschrijvingen onder elkaar zetten uit onze gereformeerde traditie. De omschrijvingen zijn van Calvijn en van Brakel.

Calvijn: Het gebed is een zekere samenspreking der mensen met God, waardoor zij, het hemelse heiligdom binnengegaan zijnde, Hem over zijn beloften in eigen persoon aanspreken, opdat zij ervaren dat niet ijdel geweest is wat zij geloofd hebben, toen Hij het hun slechts met woorden toezegde. Door het bidden worden de schatten uitgegraven die door het evangelie des Heren zijn aangewezen en die ons geloof aanschouwd heeft.

Brakel: ’t Gebed is een uitdrukking van heilige begeerten tot God in de naam van Christus, welke door de werking van de Heilige Geest uit een wedergeboren hart voortkomen, met verzoek om die te verkrijgen.

Calvijn werkte zijn definitie uit in Institutie boek III, hoofstuk XX en Brakel hecht aan het uitleggen van elk element uit zijn definitie in zijn Redelijke Godsdienst deel II, hoofdstuk XXV. Wie dieper op de zaak van het bidden wil ingaan, late deze stukken niet ongelezen.

Er zijn een paar dingen die opvallen. Allereerst de inspanning om het geestelijk karakter van het bidden te benadrukken. Bidden is voor ons vaak: God vragen om allerlei praktische zaken, gezondheid, voedsel, welvaart, vrede, kortom alles wat dit leven op aarde aangenaam doet zijn en eigenlijk zijn we dan wel tevreden en dan moet God het ook maar geven. We bidden wel als kinderen maar zijn we werkelijk in een kinderlijke gestalte zoals de Here Jezus, hoewel Hij de eniggeboren Zoon is, ons de kinderlijke omgang met de Vader leerde?

Calvijn zegt dat we een hemels heiligdom binnengaan. Op de achtergrond staat de Hebreeënbrief. Met hoeveel ontzag en onder de indruk zouden we niet een paleis binnengaan om de koningin te ontmoeten. Bidden is treden voor de troon van God in een hemels heiligdom en de Schrift zegt: het is een troon van genade, niet een troon van oordeel, dus vrijmoedigheid is geschonken want de scepter wordt toegereikt. In zo’n heiligdom binnentredend heeft dat invloed op onze manier van spreken, op onze innerlijke houding en op dat wat we gaan vragen. Als een koning bereid is om ons het beste te geven waar hij de beschikking over heeft, moeten wij dan volstaan met iets gerings of onbelangrijks te vragen? Die koning zou zich beledigd kunnen voelen. De koningsmacht van God gaat over alle dingen, ook de kleinste. Die mogen we dus best noemen, maar vergeten we de grote dingen niet. Zijn Naam geheiligd, Zijn Rijk gekomen, Zijn wil geschied. We mogen tot God naderen in Zijn heiligdom met de wezenlijke dingen nodig tot ons heil en niet met beuzelingen.

Het bidden en de belofte

Een tweede dat opvalt, is dat het geloof in de beloften van God de eigenlijke zaak van het gebed vormen. Bidden is vragen om geloof (verdieping en versterking van het geloof) maar ook bidden in geloof. Denk aan Romeinen 10:13, 14: “Alwie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden. Hoe zullen ze dan Hem aanroepen in wie zij niet geloofd hebben?” Hier reiken Luther en Calvijn elkaar de hand door het bidden te concentreren op de gegeven beloften. Anders is bidden een bidden op goed geluk. In het aanspreken van God op zijn beloften ervaren de gelovigen, dat hun geloof niet ijdel is. Het is geen verbeelding dat er bij God genade te verkrijgen is voor een zondig mens. In het bidden wordt onze ziel en onze geest gebracht in de dispositie, dat is de gesteldheid, die noodzakelijk is om van God en goddelijke zaken ervaring te krijgen. En een daarvan is dat ik de Here nodig krijg omdat ik een verloren en zondig mens ben. Daar moet ik licht over krijgen, want hoe zouden we iets van de Here kunnen vragen als we menen dat het met ons niet hopeloos is. De noodzaak van het gebed valt weg, wanneer voor ons geestelijk en lichamelijk alles beheersbaar is geworden.

De Heilige Geest en het gebed

Daarmee komen we tot het derde dat opvalt, met name bij Brakel. Dat is het noemen van de werking van de Heilige Geest in het gebed. Dat element ontbreekt zeker niet in Calvijns behandeling; hij noemt de Heilige Geest de leermeester van het gebed. Maar Brakel noemt in zijn definitie de werking van de Heilige Geest. John Owen had in 1682 een verhandeling gepubliceerd speciaal over het werk van de Heilige Geest in het bidden. Door het accent op het werk van de Heilige Geest te leggen matigt zich het accent op de gesteldheid die de bidder moet hebben voor het gebed. Calvijn had vier regels opgesteld voor de dispositie van de bidder. In welke gesteldheid moet men bidden?

1. het hart moet vrij zijn van aardse zorgen en opstijgen tot een zuiverheid die Gode waardig is;

2. onze gebrekkigheid gevoelen en bedenken dat wat we nodig hebben, en daaraan een brandende begeerte paren om het te verkrijgen;

3. in nederigheid en in afstand doen van de gedachte aan eigen roem, met ootmoedige en oprechte schuldbelijdenis, dat is de sleutel die de deur opent tot het bidden;

4. nedergeworpen en bedwongen door de ootmoed toch bezield worden door een vaste hoop op verhoring.

Boetvaardigheid en geloof moeten in het gebed elkaar wederkerig ontmoeten. Calvijn voelt zelf aan dat niemand tot zo’n volmaakte instelling tot het bidden komt, en wijdt een prachtige bladzijde aan de voorbidding van Christus in wiens naam we tot God mogen naderen.

Aanvullend in de stijl van een nadere reformatie bespreekt de puritein John Owen de teksten Zacharia 12:10 en Romeinen 8:26, 27 waarin staan de belofte van de uitgieting van de Geest der genade en der gebeden en de Heilige Geest die voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen. Door dat werk van de Geest weten de gelovigen dat zij bidden naar de wil van God zoals het behoort en daarmee wordt die belangrijke vraag uit het geloofsleven beantwoord: bid ik wel goed?

Deze beloften zijn vertroostend omdat de Heilige Geest alles meebrengt wat tot het bidden nodig is. Genadig werkt de Geest het verlangen om te bidden en de gesteldheid om te bidden en vervolgens werkt de Geest in ons de vaardigheid en de kunde om deze heilige plicht te vervullen. Praktische aanwijzingen begeleiden deze uiteenzettingen. In een rectorale rede (1973) prakte prof.dr. J.P. Versteeg deze draad van John Owen op en verwoordde voor onze tijd de rijkdom van het werk van de Geest en het gebed. Owen vatte het pleiten van de Geest juist niet op als een plaatsvervangend bidden van de Geest tot God voor de gelovigen, maar uitsluitend als een werk van de Geest in de gelovigen. Dit laatste wordt niet ontkend door Versteeg, alleen genoemd.

Oog hebben voor het werk van de Heilige Geest om ons te brengen tot het bidden, ons te bekwamen tot het bidden, ons de zaken aan te reiken waarvoor we zullen bidden, geeft hoop en verwachting dat ook wij vandaag in onze kerken vurig mogen bidden om de Heilige Geest. Want het is door de Geest van Christus en in de Geest van Christus dat wij vrijmoedig mogen naderen voor de troon van God in de hemel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.