+ Meer informatie

GEMEENTEBESCHOUWING

7 minuten leestijd

Reeds verschenen publikaties

De redactie heeft mij gevraagd over bovenstaand onderwerp een artikel te schrijven.

Mij zeif leek dit niet zo dringend nodig. In ons blad zijn reeds verschillende artikelen aan dit onderwerp gewijd. Ik herinner aan de artikelen van prof.dr. J. van Genderen in de 16e jaargang (jan. en maart 1977); ook zijn te noemen de inleidingen van ds. P. Beek-huis en ds. B. van Smeden op de ambtsdragersconferentie van 1979 (sept. 1979, 18e jrg. nr. 7). Ik wijs ook op verschillende hoofdstukken uit W. Kremer, Priesterlijke Predi-king (1976), vooral: Hetadres van de preek; en op de bijdrage van drs. W. Steenbergen: „Paulinisiche gemeentebeschouwing”, in: „Uw knecht hoort” (1979). Aan het verzoek van de redactie heb ik me niet willen onttrekken.

Gezien de genoemde literatuur meen ik te mogen volstaan met het trekken van enkele hoofdlijnen.

De zorg om de beschouwing van de gemeente komt voort uit zorg om het heil van de gemeente. Wordt de gemeente lichtvaardig beschouwd als te bestaan uit wedergeborenen en gelovigen, dan zal de pastorale zorg en de ernst met het oog op de eeuwigheid gemakkelijk verslappen. De mensen „zijn er”, en het is bijna onmogelijk om verloren te gaan.

Anderzijds: te kort doen aan de staat van de gemeente (bijvoorbeeld door haar te be-schouwen als samenraapsel van mensen, onder wie ook enige gelovigen) betekent te kort doen aan het werk van Christus, die Zich Zijn gemeente heeft geworven. Men zou dan de gedachte van het volk, waarover Christus Herder en Koning is, geheel laten schieten ten gunste van de voorstelling, dat enkele individuelen behouden worden.

Beide standpunten verraden een verkeerde stellingname. Beide vertekenen de werke-lijkheid, die ons in de Schrift wordt voorgetekend. Ze zijn een karikatuur.

Bijbelse gegevens

Laten we naar de Schrift zelf luisteren. De gemeente is de oudtestamentische verbonds-gemeente, zoals blijkt uit Exodus 12:6; 16:3 en Numeri 14 : 5. Zij heet dan ook gemeente des HEREN (Num. 16:3; 27:17; 1 Kron. 28:8; Micha 2:5). Deze naam Staat voor het volk van God, dat Hij Zich heeft verworven (Ex. 6:6; Deut. 7:6). Een volk Gode ten eigendom (Deut. 14:2; 26:18; Lev. 22:31-33).

In het Nieuwe Testament wordt niet anders over de gemeente gesproken. De preroga-tieven van de oudtestamentische gemeente gaan over op de nieuwtestamentische gemeente. Men leze 1 Petrus 2 : 9,10, waar aan de nieuwtestamentische gemeente de titels worden toegekend die we in Exodus 19:6 van het oudtestamentische Godsvolk vermeld vinden. Terecht wordt bij deze plaats ook verwezen naar Deuteronomium 4: 20, Ezechiël 37 : 23 en Titus 2 : 14.

We horen spreken van de gemeente Gods (Hand. 20:28) en de gemeente Gods in Jezus Christus (1 Thess. 2:14). De gemeente heet het huis van de levende God (1 Tim. 3:5 en 15). Christus is Hogepriester over het huis Gods (Hebr. 10:21). De gemeente heet het lichaam van Christus (1 Cor. 12:27).

Tenslotte herinner ik aan het opschrift boven de brieven: geroepen heiligen en gelovigen (1 Cor. 1:2; 2 Cor. 1:1; Fil. 1:1; Col. 1:2; Gal. 1:2 en Ef. 1:2).

Er kan geen twijfel over bestaan dat Oude Testament èn Nieuwe Testament de gemeente ziet als het volk van God, als het lichaam van Christus en als de door Christus geroe-penen.

Is er dan geen kaf onder het koren? Zijn allen die tot de gemeente behoren ware gelovigen? Is er geen schijn-christendom? Zijn alle leden van de gemeente echt bekeerd?

De zondige werkelijkheid

Heel treffend lezen we in 1 Corinthe 15 : 34: „Komt tot de rechte nuchterheid en zon-digt niet langer, want sommigen hebben geen besef van God. Tot Uw beschaming moet ik dit zeggen”. Aangesproken als geheiligden in Christus Jezus, „de geroepenen heiligen” (1 Cor. 1: 2) blijken sommigen toch geen besef van God te hebben. Dat is nogal wat. Ook op andere plaatsen komen wij mensen tegen, die dedwaalleer bijvallen en het Evangelie verloochenen (Fil. 3:17-19; Openb. 2:11, 14-15; 20-22; 3:1).

Heel duidelijk is dat in 1 Corinthe 10, waar Paulus de gemeente waarschuwt tegen de zonden die het volk Israël in de woestijn heeft bedreven. Deze waarschuwing is daarom zo ernstig, omdat er in de gemeente van Corinthe eenzelfde geesteshouding heerst als onder het volk Israel. Wie heel het beeld van de Corintische gemeente (ook hoofdstuk 5 en 6) op zich laat inwerken, kan niet ontkomen aan de conclusie, dat Paulus waarschuwt tegen aanwezige zonden en daadwerkelijke zondaren. Hij waarschuwt niet slechts tegen een dreigend gevaar, doch tegen een binnengetreden werkelijkheid.

Calvijn zegt in verband met de Corintische gemeente, dat niet weinigen hadden ge-dwaald, maar bijna het gehele lichaam door besmetting was aangetast; er was niet slechts een soort van zonde, maar zeer vele; en het waren geen lichte dwalingen, maar er waren gruwelijke schanddaden (Institutie IV, 1,14).

De realiteit van het toesluiten in de prediking

Er is dus kaf onder het koren. De gemeente van Christus mag aangesproken worden op haar belijdenis. Ze mag echter niet geidealiseerd worden, alsof alle belijders ook ware christenen zijn en dat vanzelfsprekend blijven.

Ook onze Catechismus gaat daarvan niet uit. Zondag 31, antwoord 83, handelt over de sleutelen van het Koninkrijk. Het is de moeite waard dit antwoord in zijn geheel over te nemen: „????, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een ie-gelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden van God, om der Verdiensten van Christus’ wil, vergeven zijn; daarentegen alle ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren”.

In deze passage ziet men duidelijk, dat er gesproken moet worden over de noodzaak van geloof en bekering. Blijkens antwoord 74 (de belijdenis van de bijbelse noodzaak van de kinderdoop) horen volwassenen èn kinderen tot de gemeente. Dit sluit, zo con-cluderen we uit antwoord 84, niet uit de noodzaak om bekering en geloof te kennen, als de weg waarin wij het heil deelachtig worden.

Er kan geen sprake van zijn, dat een beschouwing van de gemeente als gemeente van Christus, tot een oppervlakkige en lichtvaardige prediking moet leiden. Integendeel. Juist terwille van de eer van Christus en van de heiligheid van de gemeente, zal aange-drongen moeten worden op een leven in overeenstemming met de belijdenis. Tot dat leven behoren de kenmerken van boetvaardigheid èn vertrouwen in Christus, van zelf-verloochening èn zijn hoop vestigen op Gods beloften.

De spanning waarin de prediking Staat, wordt prachtig omschreven in de volgende cita-ten van Kremer:

„Enerzijds is zij te zien als de kring des verbonds, als het adres van de prediking en an-derzijds is zij te zien als gemeente ten eeuwigen leven verkoren. In beide gevallen blijft zij het adres van de prediking en de bediening der sacramenten. Het behoren tot de verbondsgemeente is, gelijk Calvijn er op gewezen heeft, ook een zekere verkiezing tot het heil, een bizonder voorrecht, maar niet minder een grote verantwoordelijkheid. Dit tweeërlei aspect mag in de visie op de gemeente als adres voor de prediking niet verwaarloosd worden.

Men mag de gemeente niet benaderen als een hoop min of meer toevallig daar aanwezige zondaren, die het Woord Gods horen. Een soort „toehoorders” dus, die in geen andere relatie staan dan die van het momentele contact met het gesproken woord. Wie het zo wil zien verliest het verbondsmatig karakter van de heilsopenbaring uit het oog. De prediker ondergraaft zelf het fundament waarop hij staat en ontneemt aan zijn woord de klem die het hebben kan juist omdat God de gemeente in Zijn verbond be-trokken heeft in Zijn beloften en eisen”.

„Wie nu op grond van het feit dat de gemeente verbondsgemeente is van de gedachte zou uitgaan in de prediking, dat dit geadresseerd zijn van het Woord Gods aan de kinderen van het verbond, zonder meer inhoudt dat elk in de gemeente, nu daarmede deelgenoot is van het in de belofte toegezegde heil, generaliseert en verliest verschillen-de accenten uit het oog die de Heilige Schrift duidelijk zegt.

Allereerst komt telkens in de Schrift naar voren dat er ook bij hen, die onder het ver-bond en de prediking der belofte leven, geen plaats is voor het heil Gods.

De natuurlijke situatie van een mens is door het verkeren onder de belofte van het ver-bond en de prediking daarvan niet veranderd” (Priesterlijke Prediking, blz. 62, 63).

We zullen in een volgend artikel enkele consequenties voor de praktijk trekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.