+ Meer informatie

UIT DE KERKELIJKE PERS

10 minuten leestijd

De Wachter Sions

In „DE WACHTER SIONS" het weekblad van de Geref. Gemeenten in Nederland, komt de heer Jac. Boeder uit Ede terug op een eerder artikel van zijn hand, waarin hij de dreiging van het Barthianisme voor de Geref. Bond en de rest der Geref. gezindte benadrukte. Daarop kwam nogal wat kritiek, maar Boeder vindt, dat hij zich geenszins heeft vergist. Hij vervolgt zijn betoog:

„Ook noemden we het blad „Wapenveld", het orgaan van de RRQR, de reünistenvereniging van de studentenvereniging CSFR. Maar, zoals beweerd wordt, behoort dit blad tot de ,,kritische randgangers van de Gereformeerde Gezindte". Gaarne willen we dit aannemen, maar dan verwondert het ons toch, dat binnen de Gereformeerde Gezindte die studentenvereniging dikwijls met zoveel vrijmoedigheid wordt aanbevolen. Juist de geest, die in die barthiaans getinte kringen openbaar komt, vraagt om er met veel klem tegen te waarschuwen en het getuigt van weinig zorgvuldigheid en ernst als we onze jonge mensen door onze voorspraak daarheen leiden.

Hoe het ook zij, gesteld wordt, dat de Bond de theologische positiekeuze van Barth pertinent afwijst en hij kan instemmen met het gezegde, dat de barthiaanse richting het bederf van het beste is. Daartoe wijst men ook op hetgeen geschreven is in het officiële orgaan van de Bond „De Waarheidsvriend" van 30 december j.l. Daarin werd onder andere gezegd: „Wanneer ons thans b.v. gevraagd wordt of Barth of Miskotte misschien ook onze Hervormde vaderen mogen zijn, dan voelen we hoe juist hier aan de basis van onze identiteit wordt geknaagd. Barth en Miskotte mogen theologen van naam zijn geweest, hun kerkelijke nalatenschap is de middenorthodoxie. Een gestrand schip is hier voor ons een baken in zee". Tot zover ,,De Waarheidsvriend".

In deze woorden wordt dus de barthiaanse richting door de Bond afgewezen en we willen dit gaarne vermelden. Toch bekruipt ons een wat onaangenaam gevoel. Is de afwijzing niet wat oppervlakkig gesteld? Laten we aannemen, dat de naam van Van Ruler is weggelaten om niet al te uitgebreid te worden. Maar Van Ruler is niet minder verwant aan Barth als Miskotte en Van Niftrik. Alleen achten wij hem veel gevaarlijker, omdat hij zijn werk altijd verrichtte tegen de achtergrond van de aloude Hervormde leer. En er zullen er ongetwijfeld zijn, die Miskotte en Barth al te afwijzend achten, maar die over Van Ruler geheel anders oordelen en in hem toch min of meer hun geestelijke vader vinden. En Van Ruler is teveel barthiaan om nog tot de Gereformeerde theologen gerekend te kunnen worden.

Al met al maakt de afwijzing de indruk als van iemand, die het kerkelijk terrein eens overziet en bemerkt hoe de middenorthodoxie niet de gewenste kerkelijke vernieuwing heeft gebracht, maar veeleer bezig is te verzanden in een nieuwe vorm van vrijzinnigheid. Dit gestrande schip is een baken in zee en een aanwijzing om niet dezelfde koers te gaan. Maar was er dan geen bestek en geen kompas? Wat afwijkt van Gods Woord moet vallen. De leer van Barth, Miskotte en Van Ruler wijzen we af, omdat zij afwijken van Gods Woord en op een uiterst geraffineerde manier de vastheid van de Hervormde belijdenis ondergraven. Velen, die tot de Bond behoren, begeren ongetwijfeld juist de zuivere leer ook tegenover deze geesten te handhaven en we hopen, dat het „De Waarheidsvriend" gegeven mag worden, daarin gedurig voor te gaan, vooral met het oog op het opkomende geslacht.

Uit dit alles moet helaas blijken, dat als een predikant zich de naam ,,Bonder" toeeigent, dit nog geen garantie is voor een gereformeerde prediking. Het kan best zijn, dat het iemand is die met gebruikmaking van termen uit de Gereformeerde Dogmatiek, ons de verderfelijke leer van Barth inprent. Hiertegen zou meer algemeen gewaarschuwd moeten worden. Men kan zich ook afvragen of zulke predikanten wel oprecht handelen als ze enerzijds in Miskotte - Van Ruler - Barth hun Hervormde vaderen vinden en anderzijds toch lid zijn van de Bond, die deze dwaalgeesten zeer beslist moet afwijzen".

De oude paden

In het blad „DE OUDE PADEN" van ds. F. Luitjes e.a. gaat de redacteur van de vragenrubriek in op een vraag, of een bruid wel in het wit mag trouwen, als het een kerkelijke huwelijksinzegening betreft. Het is immers bekend, dat er in sommige gemeenten en door diverse predikanten nogal wat bezwaren tegen worden aangevoerd. ,,De Oude Paden" betoogt echter:

„Wat dat in het wit trouwen aangaat is al heel oud. Het kwam ook onder het Oude Verbond schier algemeen voor. De bruid versierde zich wel met sieraden en was gesluierd. Van zo'n versierde bruid wordt gesproken in Openb. 21 : 2. Ook in Psalm 45 wordt een versierde bruid genoemd, al moeten we hierbij vooral aan geestelijke sierklederen denken. Gestikte klederen, die in glans en pracht alle heerlijkheid overtreffen. In het oude oosten was er altijd veel pracht en praal bij bruiloften, en de bruid was in bruidskleed met bruidssieradiën behangen. Wij kunnen ons daar nauwelijks een voorstelling van maken. Zo deed de knecht van Abraham gouden ringen om de armen en een gouden voorhoofdversiersel om Rebekka's hoofd als aanstaande bruid van Izak.

Zonder ernstige reden en oorzaak zouden we dus de bruid geenszins in het zwart, in rouwgewaad, ondanks onze verdoemelijke staat voor God, willen zien op haar huwelijksdag. Het is een feestdag en dient het feestkleed aangetrokken, zoals ook haar ouders en familieleden in feestklederen zich tooien, wel versierd met bloemen. Maar er zijn vanzelfsprekend grenzen als het een huwelijk betreft tussen twee huwelijkspartners, die het nieuwe leven zonder Gods zegen af te bidden, niet willen ingaan en het de ernst des harten is.

Dat een bruid zich bij die gelegenheid in het wit wil tooien, is een geheel persoonlijke zaak. Dat dit lang niet altijd regel is, weet de vraagsteller evengoed als wij. Als een dominee zijn dochter in een witte bruidsjapon trouwt, en die dan de Heere vreest, zal niemand hem kunnen en mogen verbieden. Gods Woord doet dit evenmin, dit is geen burgerlijk wetboek. Zo de huwelijkspartners beiden de Heere vrezen, zal de kleding dienoverkomstig zijn. Maar dat zal wel als een streep aan de balk geacht moeten worden.

Bij een bruiloft wordt er gezongen en, zo het christelijke gezinnen betreffen, gebeden. Wat wordt er gezongen? Is het ,,eine rechte Ehe für Gott und die Welt", zegt Luther (waarlijk een huwelijk voor God en de wereld), zo zal de Heere worden erkend, dat Hij de twee huwelijkspartners tot elkander bracht als man en vrouw". Van evenveel belang is ook, hoe wordt de feestdag gevierd? Met psalmgezang? Dan kan zo'n dag nog tot een eeuwigheidszegen zijn.

Evengoed als vraagsteller weten wij, dat er kerken en predikanten zijn, die een huwelijk, waarbij de bruid in het wit is, niet willen bevestigen. Ook al niet omdat zij niet geloven of willen geloven, dat de bruid nog „rein" is en het onzekere dan voor zeker nemen. Ze zien daarom ook liever de bruid in een mantelpak gekleed. Maar hier een kerkelijke wet voor te schrijven gaat niet. Wordt de godsvrucht er gevonden, dan zal alles van eenvoud getuigen".

De Saambinder

In het weekblad „DE SAAMBINDER" van de Geref. Gemeenten vervolgt drs. A. Vergunst te Veen zijn serie over het Heilig Avondmaal en daarmee ook over de openbare belijdenis. Ds. Vergunst:

„In deze tijd, die aan velerlei doorvloeiing ook ten aanzien van het Avondmaal zo rijk is, is een „separerende voorbereiding" nodig. De dienaren des Woords moeten daar hun werk van maken. Ze mogen niet vergeten, dat indien zij de weg naar de Verbondsdis voor de onbekeerden zouden banen, het oordeel ook hen treft. Wanneer het gewicht van deze heilige zaken recht op ons weegt, willen we op geen andere wijze met zielen omgaan, dan de Heere beveelt.

Aan de andere zijde mag natuurlijk niet voorbijgezien worden aan het feit, dat de Heere deze tafel voor Zijn volk aanricht. En de nodiging, zoals de Heere die doet uitgaan, moet door de dienaren ook getrouw worden overgebracht. Er is hier en daar ook sprake van een zondige Avondmaal-mijding. Laten we er ons niet in beroemen, dat soms maar enkele mensen tot de tafel des Heeren komen.

'k Weet van een gemeente (buiten ons kerkverband dan wel) waar men het Avondmaal niet meer bedient, want er zijn naar het oordeel van de kerkeraad (!) geen mensen, die het waardig gebruiken zouden; en wanneer een leraar het Avondmaal niet bedient uit vrees dat er iemand aan zou komen, die er niet aan hoorde, dan zijn we heel duidelijk ook op de verkeerde weg. Ook zijn we er wars van om de bediening afhankelijk te doen worden van een gebleken behoefte, zoals ook in ons land schijnt voor te komen. Veelal blijkt die behoefte dan niet met het gevolg dat in een grote gemeente al jaren geen Avondmaalsbediening plaatsvindt.

Dat zijn on-Gereformeerde opvattingen, die met kracht dienen afgewezen te worden. Schijnbaar wordt het als een blijk van „bijzondere rechtzinnigheid" aangemerkt, maar het is on-Schriftuurlijk, want de Heere beveelt het Avondmaal te bedienen; het is in strijd met de leer en praktijk van de vaderen, die op een rechte Avondmaalbediening acht gaven; het is één van de tekenen van het ware Kerk zijn, dat de sacramenten, dus ook het Avondmaal, bediend worden naar de inzetting des Heeren.

Daarom moeten we ons door zulke schijnbaar rechtzinnige redeneringen niet van het spoor van de schriftuurlijke belijdenis aangaande het Avondmaal laten afbrengen. Dat is tot oneer van de Heere en tot schade van een waarachtig geestelijk leven". (....)

Over het verband van openbare belijbelijdenis en de toegang tot de Dis des Verbonds merkt deze predikant nog het volgende op:

,,We weten ook dat er vele kerken zijn, waar dit nauwe verband heel sterk benadrukt wordt en men de hele groep jonge leden verplicht om na de openbare Belijdenis tot het Avondmaal te komen. In sommige Gereformeerde Kerken heeft men jonge mensen geweigerd de geloofsbelijdenis te laten afleggen, wanneer niet beloofd werd om van het Avondmaal des Heeren gebruik te maken. Hoe moeten we hierover denken?

In de eerste plaats moet bedacht worden, dat de openbare geloofsbelijdenis een zeer betekenisvolle gebeurtenis is. En bij de voorbereiding erop mag zeker de nadruk gelegd worden op de grote ernst, waarmee dit gebeuren moet. De catechisanten zullen moeten bedenken, dat wanneer zij voor het aangezicht van de gehele gemeente betuigen, dat zij de „leer onzer kerk houden voor de ware en zaligmakende leer, overeenkomende met de Heilige Schrift" het „ja" van onze lippen niet genoeg is. De Heere eist het „ja" van ons hart. Dat dringe een ieder naar de Heere om van Hem genade te begeren. We moeten deze zo belangrijke gebeurtenis niet laten uithollen tot een formaliteit, waarbij we slechts vanuit het doopledenboek overgeschreven worden naar het boek van de belijdende lidmaten.

In de tweede plaats gaan we echter niet voorbij aan het feit, dat in de praktijk van ons kerkelijk leven het afleggen van geloofsbelijdenis beslist niet ,,beleefd" wordt als een belijdenis van waar, persoonlijk en zaligmakend geloof. Wanneer we het zo zouden willen zien, dan meen ik dat velen ervan zouden terugschrikken en eerlijk zouden zeggen er niet toe te kunnen komen. Toch willen we jonge mensen, die de waarheid der Schriften met een ,,historisch geloof' belijden en hun uiterlijke leven daarnaar willen richten niet van het afleggen van openbare belijdenis afhouden. Wel moeten we altijd blijven zeggen, dat de Heere zegt: Mijn zoon, geef Mij uw hart.

Vervolgens zal wel terdege bij de voorbereiding op de geloofsbelijdenis gewezen moeten worden op het feit, dat er een verband met het Heilig Avondmaal is, maar nooit zal mogen worden veronachtzaamd, dat tussen openbare Geloofsbelijdenis en de Avondmaalsgang moet staan de waarachtige zelfbeproeving".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.