+ Meer informatie

ONS tehuis

4 minuten leestijd

„Dan vieren wij het leven niet meer buiten, Maar binnen, aan de warme, open haard."

Na de uitzonderlijk prachtige zomer van '47 zitten we thans midden in de winter.

De jaargetijden wisselen zich af: zomer en winter zullen niet ophouden. De wet, die de Heere in de natuur legde, zal zonder onderbreking gelden tot er geen tijd meer zal zijn; totdat het één oneindige zomer is voor deze en één ontzaggelijke winter voor gene: „het noorden en zuiden hebt Gij geschapen".

Vreemd, het zachte ontluiken van nieuw leven in 't voorjaar doet weldadig aan; maakt ons blij en hoopvol; doet ons nieuwe kracht ontvangen en geeft zieken moed op genezing.

De herfst en winter echter maken ons stil, ze benauwen ons en doen ons stilstaan bij hetgeen voorbij is gegaan. Het wintergebeuren roept herinneringen op van voorbij-gevlogen dagen van zomerse zon.

Het doet ons huiveren voor dit seizoen, dat steeds weer aankomt, onweerstandelijk met zijn koude en doodsheid. De gevallen bladeren spreken van sterven, vergaan, zetten ons stil Dij het eind aller dingen; ze roepen ons toe: „het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel".

Nu de dagen kort zijn en de avonden lang zijn, waarderen we weer wat ons huis voor ons is. Buiten is 't kil, koud en doods, maar binnen is 't licht, warm en gezellig.

„Ons huis", 't Is gauw gezegd. En in deze tijd gaan vanzelf de gedachten naar hen, die hun „woning" niet eens „huis' kunnen noemen; die hokken moeten

in plaatsen die alle geriefelijkheid missen. Maar veel meer denken we aan hen die zo lang reeds afscheid hebben genomen van „huis" en zo'n tijd lang fceeds zwerven moeten van d' ene plaats naar de andere in een vreemd, ver land. Welke herinneringen komen in hen op, als ze horen van gezelligheid in de kamer van het ouderlijk huis. Ze horen in gedachten het bekende klokgetik, de stem van vader en moeder, broers en zusters. En de hoop is in hun hart, dat ze die bekenden eerlang zullen zien, maar ook de huiver overvalt hen als ze bedenken dat Gods wegen anders kunnen zijn.

„Eigen haard is goud waard." De huisgezinnen zijn de cellen voor de maatschappij. Zij, die niet met blijdschap kunnen denken aan het vroegere ouderlijk huis, zijn in een verkeerd huisgezin opgekweekt. Daar heeft de goede sfeer ontbroken.

„Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens, " is enkel van toepassing op hen, die het ouderlijk of eigen huis waarderen. Zij zoeken hun bevrediging niet elders. Zij hebben hun avonden niet door te brengen in bioscopen of dancings, maar zeggen met alle vrijmoedigheid: „Oost west, thuis best." Dit moet gelden voor ouders evengoed als voor kinderen.

De oude kerkvader Augustinus heeft eens gezegd: „Het gezin is een vluchtheuvel in de wereld". Zo behóórde het te zijn, maar wij leven in een tijd, waarin we geen vluchten aanschouwen uit de wereld in het gezin (de vluchtheuvel), maar juist andersom: een vlucht uit het gezin in de wereld. En als dit laatste geschiedt, dan kunnen we het gezin geen vluchtheuvel meer noemen, dan is het slechts een plaats waar we eten en slapen. De ontwrichting Van het gezinsleven is een uiting van het steeds losser maken van 's Heeren ordinanties. Het is immers Gods wil, dat man, vrouw en kinderen samen zullen leven. De verhoudingen tussen man en vrouw en tussen ouders en kinderen zullen ons een goede aanwijzing geven in hoe verre ons volksleven tot een ruïne is geworden. Als er vernieuwd moet worden in ons geteisterd land op moreel gebied, dan zullen de huisgezinnen in het brandpunt der belangstelling moeten komen. De Wet des Heeren, waaraan al ons handelen op alle terrein des levens zal getoetst moeten worden, bevat twee geboden die betrekking hebben op het gezin: het zevende gebod spreekt over de verhouding van man en vrouw, terwijl het vijfde de verhouding aangeeft die tussen ouders en kinderen moet bestaan.

Als de vernieuwing van ons volksleven niet begint bij het gezin, dan zal er niets van terecht komen, hoe goed de bedoelingen en middelen ook zijn.

Ons land heeft gezinnen nodig, die werkelijk gezinnen zijn, door de band der liefde gebonden, en waarin het Woord des Heeren nog een plaats heeft behouden. Onder de zegen des Heeren komen uit zulke gezinnen jonge mensen voort, die stille krachten worden meegegeven en waarop een stempel wordt gedrukt, dat het hele leven door invloed zal hebben. „Dat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochters als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.