+ Meer informatie

Kerkelijk besef en „ergens anders kerken”

14 minuten leestijd

Deze week bladerde ik in het pas ver- schenen boek van Ben van Kaam en Anne van der Meiden: ”De dominee gaat voorbij”. Familie-album van driekwart- eeuw protestants leven in Nederland.

Je zoekt dan in dit familie-album het eerst naar je naaste familieleden. Foto’s, die een beeld geven van het chr. geref. kerkelijke leven in deze driekwarteeuw bekijk je met bijzondere belangstelling. En dan sta je ineens oog in oog met de christelijke gereformeerde kerkeraad van Amsterdam. Volgens de tekst moet het een foto zijn uit de jaren 1914-1918. Mijn gedachte is, dat we de foto een paar jaar eerder moeten plaatsen. De broe- ders zitten voor de kansel in het kerk- gebouw aan de Lauriergracht. Die kan- sel was nog naast de deur van de ker- keraadskamer. Mijn ouders hebben mij wel verteld, dat de situatie vroeger zo was.

Een kansel met karakter ! Maar als ik het zo bekijk: ook broeders met karak- ter ! Dit was de generatie, die nog per- soonlijke herinneringen had aan 1892. Vaak heb ik over deze generatie horen spreken. Zij wisten heel goed waarom ze christelijk gereformeerd waren.

En wie belijdcnis deed, moest dat óók goed weten. Nog liggen in een kast op mijn studeerkamer de catechisatie- schriften van mijn moeder. Ik realiseer me ineens, dat sommigen van de broe- ders op die foto er bij waren toen mijn moeder toegelaten werd tot het doen van belijdenis. Nu, over ons kerkelijk standpunt hebben de catechisanten toen wel het één en ander moeten opschrij- ven !

Was dat kerkisme ? Dat mogen we niet zeggen. De kerk was voor die generatie, naar mijn mening, geen doel in zichzelf. Niet de kerk was voor hen het één en het al, maar de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus. Zij waren christelijk gereformeerd gebleven, om- dat zij van harte het Woord van God wilden bewaren. Ze wilden niet, dat de doorwerking van het Woord op één of andere manier zou worden tegengegaan door theologische systemen.

Ze hadden er heus wel oog voor, dat er in de hervormde kerk en in de gerefor- meerde kerken vaak ”goed” gepreekt werd. Niet uit kerkisme, maar wel uit een juist kerkelijk besef deden ze hun kerkelijke keuze. De kerk van Christus is pijler en fundament der waarheid. De kerk heeft de roeping het Woord te be- waren. Dat aanvaardden zij. Daar droe- gen ze de gevolgen van, soms met pijn, soms met droefheid.

Och, misschien klonk in de kerkelijke discussie wel eens een kerkistische toon. Vreugde over het feit verwaardigd te zijn tot de strijd voor de goede belijde- nis, kan ontaarden in kerkisme. Maar daar is toch steeds tegen gewaarschuwd. En beduchtheid voor kerkisme betekent niet, dat we dan de deur maar open moeten zetten voor kerkelijk relativis- me.

In dit artikel moet het gaan over men- sen, die belijdenis deden in onze kerken, maar voor wie het lidmaatschap van eigen kerkelijke gemeenschap blijkbaar een grote betrekkelijkheid heeft gekre- gen. Sommigen bezoeken nu eens de kerkdiensten in eigen gemeente dan weer in andere kerkgroeperingen. Er zijn ook leden der gemeente, van wie een kerkeraad moet vaststellen, dat ze zich nooit meer laten zien in de eigen kerkdiensten. Ze kerken steeds ergens anders, zonder overigens het lidmaat- schap van de plaatselijke chr. geref. kerk op te geven.

Onze kerken hebben met dit verschijnsel de jaren door te maken gehad. De ker- ken van de afscheiding hebben zich zelfs vóór 1892 reeds bezig gehouden met hen, die elders kerkten.

Neemt het verschijnsel toe ? Het zal niet zonder reden zijn geweest, dat de generale synode Haarlem-Santpoort 1962 besloot een aparte bepaling in de kerkorde op te nemen betreffende leden, die ”zich geregeld aan de dienst des Woords in eigen kerkverband onttrek- ken door gewoonlijk elders te kerken” (art. 77 sub 2).

We zullen moeten vaststellen, dat we niet alleen de kerken zijn, die hier en daar wat aantrekking uitoefenen op ver- ontruste gereformeerde broeders en zus- ters, maar ook de kerken, waar som- mige broeders en zusters zich reeds in- nerlijk van hebben losgemaakt, hoewel ze formeel de band nog niet hebben ver- broken.

De kerkeraden moeten, steeds als ze hier mee te maken krijgen, zich bezin- nen op de oorzaken ervan. Het is een christelijke houding, als een kerkeraad daarbij ook inkeert tot zichzelf. Hebben we als kerkeraad er werkelijk alles aan gedaan om de leden van de gemeente te brengen tot een juise visie op de kerk ? Hebben we er op gewezen wat de grote roeping van de kerk van Jezus Christus is: het bewaren van het Woord van God ? En wat hier ook de roeping is van ieder kerklid afzonderlijk ? Kort- om: hebben wij getracht kerkelijk besef aan te kweken ?

Er is in kerkelijk en theologisch Neder- land vandaag toch genoeg aan de hand. En de roeping om te bewaren wat ons is toevertrouwd, is toch wel bijzonder actueel. Maar het blijkt, dat bij sommige leden van de gemeente het ”elders ker- ken” inderdaad voortkomt uit een vol- ledig betrekkelijk stellen van welk ker- kelijk standpunt ook. Men kerkt waar men het naar zijn zin heeft; waar men prettige contacten heeft; waar men zich heel persoonlijk thuis gevoelt. Vaak wordt gevraagd: is er nu wel zo’n ver- schil tussen de kerken ? Het komt ook vandaag nog wel voor, dat leden van de gemeente het, van hun maatschappelijke positie uit, toch eigenlijk maar minderwaardig vinden om christelijk gerefor- meerd te zijn.

Een kerkeraad mag zich afvragen welke leiding hij in dit opzicht geeft aan de jongeren en de ouderen op catechisatie, huisbezoek en van de kansel. Kerke- raadsleden zien er vandaag wel heel an- ders uit dan de broeders, die zich zo plechtig op de foto lieten zetten voor de Amserdamse kansel. Maar coltrui of keurig gesteven frontje, dàt maakt niets uit. Wat wel iets uitmaakt is of we trachten liefde aan te kweken voor die kerken, die reeds sinds 1834 de strijd voeren voor het bewaren van het Woord van God.

De tekst bij de foto’s in het boek van Ben van Kaam en Anne van der Meiden suggereert, dat de strijd in deze drie- kwarteeuw vaak ging om betrekkelijke zaken. Dat was misschien wel eens zo. Maar niet alles was betrekkelijk ! Inder- daad, wie zou niet treuren over de ver- deeldheid ? En wie zou zich niet ver- blijden, als er plaatselijk mogelijkheden zijn voor contact b.v. met de gerefor- meerde kerken vrijgemaakt (buiten ver- band) ? Maar de roeping om het Woord te bewaren kan — verdrietig genoeg — wel eens betekenen dat we met sommi- gen niet in één kerkverband kunnen leven.

Soms ligt de oorzaak van het ergens anders kerken wat dieper. Het is na- tuurlijk niet zo aangenaam, als ouder- lingen die redenen pas vernemen, nadat ze vele pogingen hebben moeten doen om tot een gesprek te komen. En een kerkeraad mag het, als het tot een ge- sprek komt, ook duidelijk zeggen dat het laakbaar is als leden der gemeente zonder meer wegblijven uit de diensten. Immers, als zij bezwaren hebben tegen de prediking of het kerkeraadsbeleid, behoren zij zelf het initiatief te nemen tot een gesprek met predikant of ouder- lingen. Je moet een kerkeraad niet naar je motieven laten raden.

Maar al bereiken de motieven van het elders kerken een kerkeraad vaak op onbevredigende manier, schenk er toch maar aandacht aan ! Het betreft niet altijd kleinigheden, zoals veranderingen in de liturgie, waar men dan van zegt dat ze nooit hadden moeten plaatsvin- den of misschien — want dat kan ook — allang hadden moeten worden door- gezet. Ook over zulke zaken kan een kerkeraad eens een rustig gesprek voe- ren, maar het zal predikanten en ouder- lingen zeker niet onbewogen laten als sommige broeders en zusters menen, dat de prediking in eigen huis niet voluit naar de schriften is. We mogen er niet aan voorbijgaan, wanneer wordt gezegd, dat de prediking te weinig geestelijke leiding geeft. Het kan op allerlei punten vastzitten. Soms wordt gezegd: de pre- diking is te weinig ontdekkend. Soms klinkt het verwijt: de prediking is te weinig bevrijdend. Of: de prediking gaat te weinig in op de strijd, de noden en de vragen van het geloofsleven. De pre- diking is te weinig priesterlijk.

Ja, dat kunnen de redenen zijn, dat ie- mand zijn kussen oppakt en zich onge- veer voorgoed installeert onder b.v. een geref. bonds-prediking.

Anderzijds roept het ons tot bezinning als geklaagd wordt, dat de prediking tijdloos is. Dat men geen leiding ont- vangt in de vragen van nu, van 1974. En dat men daarom bij gereformeerde predikanten kerkt. Bezinning is dan ze- ker nodig. Een predikant behoeft niet in politieke preken te vervallen om toch recht te doen aan het feit, dat Gods Woord ons de weg wijst ook in de he- dendaagse situatie.

Misschien zijn de klachten gegrond. Mis- schien ook niet. Maar ik dacht, dat het voluit christelijk en gereformeerd is ons af te vragen of het Woord in de predi- king naar alle zijden functioneert, pries- terlijk en actueel. Dit is helemaal in de lijn van de vroegere generaties, aan wie we in dit artikel zo even dachten.

Uit het bovenstaande volgt, dat het el- ders kerken ook wel eens een bij-ver- schijnsel zou kunnen zijn van een te be- treuren polarisatie in onze kerken. Dan is het zeker zaak, dat een kerkeraad het gesprek blijft zoeken. Dit geldt dan ook — het behoort niet direct tot de zaak, die in dit artikel aan de orde is, maar het mag wel even worden ge- noemd — als broeders en zusters op de zondag wel niet de wijk nemen naar een kerkdienst in een ander kerkverband, maar toch de dienst gaan bezoeken in een naburige chr. geref. kerk.

Als het tot een gesprek mag komen met hen, die elders kerken, moeten we dus goed luisteren. Maar dit behoeft niets af te doen van de vermaning ! Al komen mensen met bezwaren, die de moeite van het overwegen waard zijn, toch moe- ten zij gaan zien, dat hun handelwijze strijdig is met de goede kerkelijke stijl. Als iemand werkelijk kerkelijk besef heeft, heeft hij oog voor de kerk als lichaam van Christus. Hij zal zich ver- bonden weten aan de gemeente, aan zijn medelidmaten. Als we van mening zijn dat het niet goed gaat in onze gemeente, nemen we niet stilletjes de benen. Wie werkelijk bewogen is met het heil van de gemeente, van de broeders en zusters, laat hen niet los. Je zegt dan niet: als ik zelf maar een kerk vind, waar ik het naar de zin heb ! Dit is niet vrij van egoïsme. Het is in strijd met de liefde, die we elkaar verschuldigd zijn. Dit zal zeker doorklinken in de vermaning van de ambtsdragers.

Hoe moeten we broeders en zusters, die elders kerken, verder bearbeiden ? Te- recht onderscheidt de kerkorde tussen hen, die ”zich geregeld aan de dienst des Woords in eigen kerkverband ont- trekken door onverschilligheid” en hen, die ”gewoonlijk elders kerken”. Dat bij onverschilligheid en de daaruit voortvloeiende onkerkelijkheid de kerkelijke censuur moet worden toegepast, daar is de kerkorde duidelijk in (art. 77 sub 1). Maar we hebben al begrepen, dat we bij het ”elders kerken” te maken hebben met een zaak, die zeer gecompliceerd is. In feite is er geen richtlijn te geven, die voor elk geval kan gelden.

Hoewel een kerkeraad grote bezwaren zal hebben tegen dit gemis aan kerke- lijk besef, zal hij er in het algemeen toch voor terug deinzen met deze broeders en zusters heel de weg van de kerkelijke censuur af te leggen. Deze weg kan im- mers eindigen met de excommunicatie, de ban.

Het raakt meestal mensen, die de dienst bezoeken in een andere kerk van gere- formeerd belijden. Een kerkeraad, die zich tegenover dit gemis aan kerkelijk besef wel wil laten leiden door kerkelijk besef — en niet door kerkisme — krijgt het om die reden juist moeilijk met de censuur, vooral met de uiterste stap, de ban.

Er zijn natuurlijk gevallen, waarbij le- den zich innerlijk reeds geheel losge- maakt hebben van de gereformeerde be- lijdenis. Zelfs dreigt men geheel ver- vreemd te raken van het geloof. Men kan terechtgekomen zijn in wat we zou- den kunnen noemen het grensgebied van het christendom. Mensen kunnen in de greep van Jehova’s Getuigen komen. Meestal gaat dit wel gepaard met het opzeggen van het lidmaatschap der kerk. Maar zolang dit niet gebeurt — en daar mag een kerkeraad ook niet op hopen — zullen we hen ernstig en bewogen vermanen. De afwijking van de gezonde leer der schriften is in zo’n ge- val wel zo groot, dat tenslotte de ge- wone censuur zal moeten worden toege- past, desnoods tot het uiterste.

Maar veelal roept het geheel afleggen van de weg van de kerkelijke tucht hier vragen op. Dit klinkt ook wel door in de bepaling van de kerkorde: ”Wanneer leden zich geregeld aan de dienst des Woords in eigen kerkverband onttrek- ken door gewoonlijk elders te kerken, zal de kerkeraad herhaaldelijk en met lankmoedigheid vermanen en bij vol- harding in hun ongehoorzaamheid naar bevind van zaken handelen volgens de kerkorde (art. 77 sub 2)”.

Met nadruk moet er op gewezen wor- den, dat de kerken hier niet machtigen tot het schrappen van deze leden van de ledenlijst. Dit artikel zegt in elk ge- val, dat we moeten handelen volgens de kerkorde. En nergens kent de kerkorde het ”schrappen” van leden.

In dit artikel moeten we de volle nadruk laten vallen op de woorden: ”... zal de kerkeraad herhaaldelijk en met lank- moedigheid vermanen”. Want pas in het voortdurende gesprek zal blijken hoe we in elk bijzonder geval moeten handelen. Daarbij is wellicht een enkele schrede op de weg van de kerkelijke censuur niet uitgesloten, b.v. het ontzeggen van het heilig avondmaal. Het gemis aan kerke- lijk besef, het harde oordelen over eigen gemeente en eigen ambtsdragers, de liefdeloosheid in het optreden kan zo duidelijk zijn, dat een kerkeraad hier de noodzaak van aanwezig acht.

Dr. P. L. Bos wijst in zijn boek ”De orde der kerk” op enkele besluiten van de geref. kerken. De geref. kerken heb- ben op de generale synode van Middel- burg 1933 besloten, dat ” in gevallen, als het enkel geldt, uit gebrek aan kerke- lijk besef kerken bij gereformeerde pre- dikers buiten onze kerken, wel met grote lankmoedigheid en geduld vermaand worde, en als zij niet naar deze verma- ning luisteren het avondmaal ontzegd worde; maar dat niet tot de uiterste trap der excommunicatie worde overge- gaan, zolang het formulier van de ban niet toepasselijk geacht wordt”.

Stellig kan zo’n besluit vragen oproepen: wel een enkele schrede op de weg van de kerkelijke tucht, terwijl je van te voren weet, dat je niet verder zult gaan op die weg ? Maar het is in elk geval een ernstige poging een weg te wijzen in deze niet gemakkelijke zaak vanuit een echt pastoraal en kerkelijk besef.

Verder zegt de kerkorde, dat we steeds naar bevind van zaken zullen moeten handelen. Sommige broeders en zusters, die elders kerken, zullen open blijven staan voor gesprek. Laat een kerkeraad niet te zeer opzien tegen een jarenlang voortzetten van het gesprek, misschien zonder zichtbare vrucht.

Het kan ook zijn, dat de onwil om er nog met de ouderlingen over te spreken bij de betrokkenen steeds groter wordt. Soms wil men er helemaal niet meer over spreken. Een kerkeraad kan er dan wel eens niet meer onderuit te consta- teren, dat deze leden zelf feitelijk en metterdaad de gemeenschap met de kerk hebben verbroken. Dit zal dan aan de gemeente moeten worden meegedeeld. Vanzelfsprekend zal vooraf aan de be- trokkenen moeten worden meegedeeld, dat de kerkeraad naar die constatering toegroeit.

Bewust ga ik niet in op vragen rond de leden der kerk, die zich laten overdopen. Er zijn natuurlijk raakvlakken met het behandelde onderwerp. De kerkorde be- handelt deze vragen bij hetzelfde art. 77. Toch is het ook weer een onderwerp apart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.