+ Meer informatie

Uitsterven van dieren is niet alleen maar "jammer"

6 minuten leestijd

Alarmerende kranteberichten over uitstervende diersoorten schetsen een somber beeld van onze natuur. Het verdwijnen van diersoorten is niet zomaar "jammer". Elk dier, hoe klein ook, heeft een eigen functie, al kennen wij die misschien niet. Gelukkig hebben sommige verdwenen beesten 'nieuwe' natuurgebieden in ons land ontdekt waar ze kunnen leven.Een interview met ecoloog AUrik Copijn, die vindt dat sentimenten niet op z'n plaats zijn. „Het is een nuchtere vaststelling dat we een heleboel dieren missen."

"Men vindt het jammer dat een of andere otter verdwenen is. Dat is toch zo'n schattig diertje. Er worden otterclubs en dergelijke gemobiliseerd, weet ik wat. Allemaal wel leuk, maar het is gewoon noodzakelijk dat-ie er is. Hij hoort in het hele bestel van dieren thuis. Hij is onmisbaar." De ecoloog Allrik Copijn vindt dat sentimenten niet op z'n plaats zijn. „Het is een nuchtere vaststelling dat we een heleboel dieren missen. De purperreiger is er niet meer, dat zal iemand een zorg zijn. De roerdomp, de kwak, nog nauwelijks. We weten niet hoe de natuur aan elkaar geschakeld is, wat er gebeurt als bepaalde dieren er niet meer zijn. Dat ze nuttig zijn is een feit, anders waren ze er niet. Elk dier, elke bacterie en elke schimmel is onmisbaar, en dat ziet men niet in."

Vroeger
Wolven vonden we vroeger zo eng en "schadelijk" dat we er in Nederland in 1845 al van af waren. Bevers waren vooral goed voor hun vel, zodat de laatste al in 1825 waren uitgeroeid. De kwak keerde rond de eeuwwisseling ons land de rug toe, de laatste zilverreiger werd in 1855 doodgeschoten en voor de visarend was al vroeg in de 20e eeuw geen plekje meer vrij. Dieren, leuk om op te schieten en op te peuzelen, maar noodzakelijk in een ecologisch bestel...? Gelukkig veranderde aan het begin van deze eeuw iets in onze houding ten opzichte van de natuur. Natuurbescherming deed z'n intrede. In 1904 slaagde een groep mensen erin het Naardermeer te behoeden voor een bestemming van Amsterdams huisvuil. Een paar jaar later werd de stichting Natuurmomumenten opgericht. Ondertussen holden flora en fauna steeds sneller achteruit. Tussen 1950 en 1985 verdween bijna de helft van de Nederlandse natuur ten gevolge van industrie, verstedelijking en de aanleg van wegen. De landbouw werd intensief, de mest zuurder dan ooit en tijdens ruilverkavelingen werd het karakteristieke landschap van bosjes en houtwallen ontdaan. Planten en dieren stierven uit of trokken zich terug tot in de uithoeken van Europa. Maar er waren ook dieren die dit kale, nieuwe Nederlandse landschap wel interessant vonden. Tureluurs, kemphanen, watersnippen en kieviten voelden zich er prettig en als gevolg van de toenemende mestgift nam de grutto in de jaren vijftig sterk in aantal toe.

Import
Onverwachts verschenen er nog meer nieuwkomers. Rob Jongman, bioloog en docent aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen, noemt drie voorbeelden: „De wasbeer is uit een dierentuin in Duitsland ontsnapt en onze grens over gewandeld. De muskusrat is begin 1900 door een Tsjechische vorst uit Noord-Amerika naar zijn landgoed gehaald, om eens op iets anders te kunnen jagen. Hij schoot mis en gaf daarmee het startschot voor de verspreiding van de rat, die het onder meer in Nederland bij de dijken goed naar de zin had. Ook de bruikikker hebben we uit Amerika geïmporteerd. Mensen wilden graag een kwakende kikker in de tuin, die niet gelijk weg liep en rustig bleef zitten."

Communicatie
In het begin van de jaren zeventig dook de natuur onverwachts op in het noordelijke hoekje van het pas drooggemalen Flevoland. De Oostvaardersplassen, een door ingenieurs in de steek gelaten, diepe plas. Dit gebied groeide uit tot een uniek natuurgebied en niemand begreep hoe de dieren dit ooit hadden kunnen ontdekken. Copijn: „Een zilverreiger komt normaal niet naar Nederland. Die vliegt ook niet even langs om te kijken of ze er wat leuks hebben gedaan. Er is ook geen purperreiger die even naar z'n neefin Spanje heeft gebeld. Toch is er een of andere vorm van communicatie die zo'n vogel daar deed komen." Maar dat is al weer ruim twintig jaar geleden. Hoe heeft de natuur en met name de dierenwereld zich daarna ontwikkeld? In het Jaarboek Natuur 1993 geven de samenstellers een sombere optelling van in Nederland zeldzame dieren. Met de veldkrekel gaat het slecht, net als met de boomkikker, de geelbuikpad of de vuursalamander. De grondwaterstand daalt, bossen verzuren en steeds meer grond raakt versnipperd. Van de vlinders is er tot en met 1990 eenentwintig procent uitgestorven, tweeëndertig procent sterk en achttien procent licht in aantal achteruit gegaan. Twintig procent is stabiel en acht procent is in aantal vooruit gegaan.

Achteruitgang
Die vooruitgang geldt ook voor een paar soorten Hbellen, vossen, de steenmarter en de haas. Met de Amerikaanse hondsvis gaat het uitgesproken goed. Deze exotische vis doet het prima in sterk verzuurde wateren en blijft alleen over als alle andere vissen het loodje hebben gelegd. Grauwe ganzen en aalscholvers hebben het nog steeds goed naar de zin (Oostvaardersplassen, Waddenzee), maar met de nachtzwaluw gaat het dramatisch slecht.Het Jaarboek: „Woudaapje, roerdomp, korhoen, patrijs en ortolaan zullen het niet redden. Populaties zijn al te klein en te geïsoleerd om nog herstel te kunnen verwachten." Het Jaarboek concludeert dat er de laatste jaren meer soorten zijn uitgestorven dan zich hebben gevestigd. „De achteruitgang gaat in hetzelfde tempo door."

Wespen
Copijn signaleert een verschuiving van de dieren naar de stad. „Als die niet een stap naar de mens zetten, redden ze het niet. De merel was tachtig tot honderd jaar geleden nog een schuwe bosvogel. Kwam niet in de tuin. Nu zit-ie zowat bij je in de huiskamer." Hetzelfde geldt voor torenvalken, vossen, gierzwaluwen en valken. Ze passen zich aan. Andere dieren zijn te schuw en kunnen niet zonder het stille bos. Copijn hoort ze steeds minder. „De lach van de zwarte specht hoorde je constant, overal kwam je mierehopen tegen, die vind je niet meer. Vlinders verdwijnen en wespen zullen steeds vaker hun plaats innemen. Dat betekent dat er gaten vallen in de eindeloze ketting van levensvormen, die elkaar in principe allemaal nodig hebben. In de microwereld, bij voorbeeld. Wij weten niet wat daar allemaal gebeurt. Dat zien wij niet, behalve als er wat mis gaat. Dat zijn de gevaarlijkste verschuivingen, want alle hogere levensvormen rusten op dit microleven van bacteriën en schimmels."

Ozonlaag
De ecoloog Copijn is somber over de toekomst. „We leren het niet." In 1967 werd hij voor gek verklaard toen hij waarschuwde voor de "zure regen" en nu waarschuwt hij opnieuw. Voor het onheilspellende, steeds groter wordende gat in de ozonlaag. „De ultra-violette straling neemt toe. Daardoor sterven bacteriën aan de oppervlakte uit. En wat gebeurt er dan met alle andere bacteriën die daar weer afhankelijk van zijn?"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.