+ Meer informatie

Gisberius Voeiius

6 minuten leestijd

(III)

Voetius als polemicus

Na het beknopte overzicht van Voetius' leven rest ons nog een bespreking van zijn werk. Dat werk is echter zó veelzijdig dat die bespreking slechts fragmentarisch kan zijn. Dr. A. C. Duker heeft met het leven en de arbeid van Voetius drie lijvige boekdelen gevuld, een standaardwerk, maar helaas door de vele voetnoten en bijlagen bijna alleen voor de „vakman" toegankelijk. Wie echter meer van de grote Voetius wil weten, vindt hier een schat van gegevens.

Het heeft geen zin, hier alle werken van Voetius op te sommen, het zou trouwens te veel ruimte vergen. Wie de respectabele lijst titels overziet, vraagt zich af hoe Voetius, naast zijn gewone arbeid als predikant en hoogleraar, nog tijd heeft kunnen vinden om zoveel pennevruchten het licht te doen zien. En dat zijn dan geen preken of andere stichtelijke werken, maar het meeste draagt het stempel van de wetenschap en werd geschreven in het Latijn! Dat vereiste dus grondige voorstudie.

Er is bijna geen terrein in de theologische wetenschap te noemen, waarop de Utrechtse hoogleraar zich niet heeft bewogen. Een standaardwerk in dogmatische geest, waarbij echter ook de ethiek ter sprake komt, zijn de vijf forse delen „Disputationes selectoe" („Uitgezochte disputen".) Dat werk is geboren uit de praktijk. In vroegere eeuwen was het de gewoonte aan de Hogeschool, te disputeren over een bepaald onderwerp. Bepaalde stellingen moesten worden aangevallen en verdedigd. Op deze wijze kregen de studenten een zekere routine in het beantwoorden van vragen. Zoals in onze tijd professoren wel hun college-dictaten laten drukken, zo gaf Voetius een deel van zijn disputen uit.

Ook in het kerkrecht was Voetius bedreven. Daarvan getuigen de vier delen „Politica ecclesiastica." Praktisch de gehele gereformeerde kerkorde komt in dit werk ter sprake.

Populairder en dus ook meer bekend is zijn „Catechisatie over de Heidelbergse Catechismus." (2 delen) Ook hierin is de dogmaticus aan het woord, maar eenvoudiger dan in zijn „Disputen".

Wat Voetius zo moeilijk maakt, is zijn schoolse inslag, die voor hem „methode" was. Hij zwoer namelijk bij de z.g.n. Aristotelische wijsbegeerte, zo genoemd naar de Griekse filosoof Aristoteles (± 300 v. Chr.) De Middeleeuwse theologie heeft deze methode overgenomen. Van die tijd af staat ze bekend als de „scholastiek, " die haar hoogtepunt bereikte bij Thomas van Aquino.

Voor de „scholastiek" is de inhoud van de theologie bepaald door de overlevering. Maar die overlevering moet geordend worden tot een sluitend systeem. De inhoud van het Evangelie moet verenigbaar zijn met het redelijk denken. En om een zuivere, logische gedachtengang aan te kweken, bediende men zich dan van de „Logica" van Aristoteles.

Het spreekt haast vanzelf, clat de Reformatoren, Luther en Calvijn, cle scholastiek overboord gegooid hebben. Het Evangelie, de leer van zonde en genade heeft geen verstandelijke bewijsvoering nodig. De Aristotelische wijsbegeerte verhief de menselijke rede, maar de Schrift zegt, clat het verstand van nature verduisterd is.

Vreemd is het dus, clat Voetius, clie dit alles toch goed wist en onderschreef, met hand en tand vasthield aan cle scholastiek. Voetius was van mening dat hij alleen met dit wapen de nieuwe filosofie (Descartes e.a.) kon bestrijden. Dat is hem niet gelukt.

Die strijd met Descartes is overigens een belangrijke episode uit Voetius' leven geweest. Zeer terecht zag Voetius de grote Franse wijsgeer een bedreiging van de gereformeerde theologie. Descartes (of, zoals hij zijn naam verlatiniseerde, Cartesius) is de vader van het latere rationalisme. Hij ging uit van de kennistheorie, n.1. clat de rede (ratio) cle bron van alle kennis is. Die rede ligt in het zelfbewustzijn, want men kan aan alles om zich heen twijfelen, maar niet aan zijn zelfbewustzijn. De veel geciteerde grondregel van Descartes was dan ook: „Cogito, ergo sum" (ik denk, clus ik besta).

Merkwaardig is dus het feit dat Voetius zich wel fel keerde tegen het Cartesianisme, maar dat hij zich daarbij van Cartesiaanse wapens bediende. Want dezelfde rede die Descartes verhief, is ook bij Aristoteles en bij de scholastiek doorslaggevend.

De strijd tegen het Cartesianisme heeft mede de reaktie teweeggebracht, clie Voetius en zijn volgelingen tot de Nadere Reformatie doet behoren. Descartes schonk namelijk veel aandacht aan de cultuur en onder zijn invloed begon het geestelijk leven te vervlakken en drong de wereldgelijkvormigheid de kerk binnen. Met alle kracht hebben Voetius en de zijnen zich daartegen gekeerd, waardoor een enigszins wettische inslag ontstond, uit reaktie, (de z.gn. Voetiaanse preciesheid).

Behalve tegen Descartes heeft Voetius ook de strijd gevoerd tegen Coccejus, een bittere strijd, die de vaderlandse kerk van die dagen in twee groepen verdeelde: Voetianen en Coccejanen.

Johannes Coccejus (1603—1669) was hoogleraar in cle Oosterse talen, eerst te Franeker, later te Leiden. Coccejus was een verklaarde vijand van de scholastiek en wilde cle theologie terugleiden tot de Bijbel zelf. Hij nam zijn uitgangspunt niet in cle verkiezing, maar in de openbaring, clie hij zag als openbaring van het verbond. Zijn theologie wordt dan ook wel „foederaaltheologie" genoemd.

Het grote conflict met Voetius vond echter niet z'n oorzaak in de eigenaardige verbondsopvatting, maar in verschil van inzicht over de sabbat. Coccejus leerde, dat de sabbat niet in het paradijs, maar in cle woestijn van Sinaï was ingesteld en dus door cle Christenen afgeschaft diende te worden, althans, in z'n huidige, wettelijke vorm. Voetius vreesde dat door deze opvatting de sabbat nog meer zou worden ontheiligd en kwam ertegen in het geweer. Toen de Staten van Holland aan deze twist een eind maakten, verplaatste de strijd zich naar het terrein van de justificatie (rechtvaardiging).

In 1669 overleed Coccejus aan de pest, maar zijn aanhangers én die van Voetius hebben de strijd nog lange tijd voortgezet. Daarbij kwam nog, dat de Voetianen meestal prins-en de Coccejanen dikwijls staatsgezind waren, hetgeen de gemoederen niet weinig verhitte.

Voetius heeft terecht cle verbondsopvatting van Coccejus gezien als een vreemde leer, waarbij de verkiezing in het gedrang kwam. Toch wonnen de ideeën van Coccejus hoe langer hoe meer terrein en de Leidse hoogleraar heeft, hoewel onbewust, de Kerk in cle armen van het liberalisme gedreven. De latere feiten hebben dat duidelijk aangetoond.

De 18de eeuw heeft de kloof tussen Voetianen en Coccejanen wat overbrugd. De „gematigde" Voetianen en de „ernstige" Coccejanen verschilden toen niet zoveel meer van elkaar. De tijd heelt alle wonden, zegt het spreekwoord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.