+ Meer informatie

SPINOZA

4 minuten leestijd

1632 — 1677 ]

Spinoza was van Joodse afkomst. Hij heeft in zijn leven iets vertoond van de geschiedenis van zijn eigen volk, dat na de verwoesting van Stad en Tempel in het jaar 70 na Christus zwervende en dolende is op de aarde. Een deel van de verstrooide Joden had het spoor gevolgd van de zegevierende Moren, die naar Spanje en Portugal trokken (711 na Chr.) Daar genoten de Joden een betrekkelijke rust en vrijheid en bereikten ze een, naar de maatstaf der wereld beoordeelde, hoge culturele ontwikkeling. Ze waren o.m. werkzaam tot verbreiding van de oude Oosterse cultuur in het Westen, met name bi'achten ze de werken van Aristoteles weer naar voren (12e en 13e eeuw.)

In 1942, het jaar waarin Columbus Amerika ontdekte, viel de laatste Moorse vesting in handen aan koning Ferdinand. Toen was het gedaan met de vrijheid van de Joden op het Iberisch schiereiland. De inquisitie stelde hen voor de keus: de doop en het Christendom óf verbanning en verbeurdverklaring hunner goederen. Wat dreef de inquisitie hiertoe? Misschien verblinde geloofsijver, maar waarschijnlijker nog de zucht van Spanjes koning naar het geld en goed van de Joden. De geldgierigheid is een wortel van alle kwaad! Hoe het zij, het pleit in zekere zin voor de Joden, dat ze ballingschap en beroving hunner goederen verkozen. Het zoeken naar een nieuw toevluchtsoord was voor de Joden niet eenvoudig. Hun leven hing als tegenover hen. Op wrakke schepen bereikte een aantal van hen het gastvrije Holland. Onder deze Joden bevonden zich ook de Portugese Spinoza's. In 1598 bouwden de Joden hun eerste synagoge in Amsterdam, een tweede volgde in 1673. Bij de bouw van deze synagoge ondervonden de Joden geldelijke steun van Amsterdamse niet-Joodse kooplieden.

De vader van Baruch d' Espinoza was een koopman die goede zaken maakte, maar Baruch zelf gevoelde niets voor de handel. Hij studeerde en maakte daarbij grote vorderingen. Men zag in de toekomst in hem reeds een rabbijn van groot formaat, een sieraad voor de Joodse synagoge. Maar Spinoza kwam met nieuwe denkbeelden in aanraking, o.a. met die van Cartesius. Een zekere Mozes Maimonides had een diepzinnige commentaar geschreven op het Oude Testament, de „Gids der Verdoolden". Maar deze gids bracht Spinoza eer tot verwarring, dan dat zijn zoekende geest er de begeerde zekerheid uit vond. Hij leerde Latijn en bestudeerde de werken van de oude Griekse filosofen. Dit alles zette een stempel op hem, hij kon zich aan die invloed niet meer ontworstelen. Toen • had het oude, orthodoxe Joodse geloof voor hem afgedaan. Hij kon er geen bevrediging meer in vinden.

Toen Spinoza 24 jaar was, werd hij gedaagd voor de Raad van Ouderlingen der Synagoge. Hij werd beschuldigd van inderdaad ernstige ketterijen. Hij had geleerd, dat God een lichaam had, nl. de stoffelijke wereld en hij bestreed de leer der onsterfelijkheid.

Het was 9 jaar geleden, dat iets dergelijks was voorgevallen in de Joodse gemeenschap. De vurige Uriël a Costa was ook voor de Joodse Raad gedaagd wegens het bestrijden van de leer der onsterfelijkheid. Uriël had toegestemd in openlijke herroeping van zijn geschrift en in boetedoening. Deze boetedoening bestond hierin, dat Uriël zich dwars over de drempel van de Synagoge legde, om de leden der gemeente over zich heen te laten lopen. Uriël ging diep vernederd naar huis, hij schreef een felle aanklacht tegen zijn vervolgers en schoot zich toen dood. Spinoza had dit als 15-jarige jongen meegemaakt. Hoe zou men nu met hem handelen?

Spoedig bleek, dat het de Joden niet zozeer ging om de waarheid, als wel om het bewaren van de uiterlijke

eenheid en het niet-verliezen van de gunst der Christenen door het tolereren van ketterijen, die ook door het Christendom verfoeid werden. Men bood hem een jaargeld van 1000 gulden, als hij slechts de uiterlijke band met de Joodse gemeenschap en haar geloof wilde bewaren. Spinoza sloeg dit af. Geld had voor hem — het zou ook in zijn latere leven blijken — weinig bekoring. Toen werd — met de bij de Joden gebruikelijke plechtigheden — de banvloek over hem uitgetrokken. „Tijdens het voorlezen van de banvloek klonk af en toe een krachtige, langgerekte toon van een hoorn en de lichten, die eerst fel brandden, werden één voor één gedoofd tijdens de plechtigheid, tot het laatste toe, als symbool van de uitdoving van het geestelijke leven van de gevloekte. De gemeente bleef in volkomen duisternis achter."

De volgende maal hopen we de volledige tekst van de banvloek weer te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.