+ Meer informatie

Door goed gerucht en kwaad gerucht

24 minuten leestijd

A.J. Nelis

Ds. J. Boss (1852 - 1919)

...Morgen zal ik zo de Heere wil mijn zuster, die half lam .is en bij ons wil komen, van E)rmelo halen. In de aanstaande week bij leven en welzijn in de week nog preken in de Evangelisatie te Rijswijk en als er gedurig zo het een en ander bij het gewone werk komt, wordt schrijven dikwijls uitgesteld...

Met bovenstaand citaat uit een brief van juli 1911 werpen we een blik in de agenda van een dorpsdominee uit het begin van de twintigste eeuw. Eén van de velen en toch uniek evenals al die anderen! In dit artikel het leven en werken van ds. Johannes Boss in vogelvlucht.

Bakermat

De geboorteplaats van Johannes Boss is Haarlem. Zijn ouders waren Cornelis Boss, meesterknecht bij drukkerij Joh. Enschede & Zn. en Hendrikje Vesten afkomstig uit Maarssen (Utrecht).

Cornells Boss en zijn vrouw waren de bevindelijke waarheid toegedaan. Al vanaf 1824 hielden de 'voorlopers' van de Afscheiding in Haarlem, verspreid in de oude binnenstad hun godsdienstige bijeenkomsten op zolders en in huiskamers. Ondanks bedreiging door de overheid en openlijke minachting van predikanten groeide hun aantal en werd op 14 januari 1859 een eigen Christelijke Afgescheiden Gemeente gesticht.

In diezelfde januarimaand overleed Cornells Boss op 37-jarige leeftijd. Zijn vrouw bleef achter met vier jonge kinderen, waarvan Cornells Simon, geboren 18 augustus 1845 de oudste

was en Johannes (Jan), geboren 15 juli 1852, de jongste. Moeder Hendrikje was een kordate vrouw en wat nog meer was: zij mocht een kinderlijke Godsvrucht beoefenen. Vele tegenslagen had zij tot dan toe moeten ondervinden. Haar eerste man, Johannes Negrijn was haar vrij spoedig na hun huwelijk door de dood ontvallen, geen kinderen achterlatend. Haar tweede huwelijk, met Cornelis Boss werd bekroond met de kinderzegen. Maar toen haar man stierf, waren hem al twee van hun kinderen voorgegaan naar het graf.

Vrouw Boss zag met het overlijden van haar man ook haar inkomsten zich ontvallen. Om in het levensonderhoud van zichzelf en haar kinderen te voorzien was ze genoodzaakt een winkeltje te beginnen in garen en band. Het zal voor de al niet meer zo jonge weduwe (bijna 48 jaar) niet altijd even gemakkelijk geweest zijn om de eindjes aan elkaar te knopen. Toch mocht ze ervaren dat er "honing aan de roede zat'. Haar kinderen gaven blijk van diepe levensernst. De oudste zoon, Cornelis, kende al vroeg geestelijke strijd. De kinderen Boss zagen hoog tegen de vromen op en ze voelden zich evenals hun moeder tot de kinderen Gods aangetrokken, die het winkeltje aan de Kleine Houtstraat ook regelmatig bezochten. Het was in deze tijd, na het overlijden van zijn vader, dat de Heere de jonge Cornelis kwam op te zoeken en hem ontdekte aan zijn zonden. Daar werd hij zondaar voor God en leerde hij zijn verlorenheid om eigen schuld bewenen. De Heere trok door en temidden van het gevoel van verlorenheid en schuld maakte God hem bekend met Zijn grote zondaarsliefde in Christus Jezus. Daar werd de weg ontsloten om weer in een verzoende betrekking met zijn Schepper en Maker te komen. Toen werd in het hart van Cornelis het verlangen geboren om anderen die Naam te mogen verkondigen. Maar hoe zou dat mogelijk zijn?

Moeder Boss, die in dit alles de goede hand van haar God over haar mocht zien, besloot onder biddend opzien alles in het werk te stellen haar zoon de opleiding tot predikant te laten volgen. Op 6 oktober 1864 vertrokken ze naar Kampen, waar Cornelis een week later al werd ingeschreven aan de Theologische School (thans de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland). Na een voorspoedige Studie werd hij een bekend en geliefd christelijk gereformeerd predikant.

Ongetwijfeld heeft de theologische opleiding van Cornelis zijn jongere broer Jan niet onberoerd gelaten. Werd in deze tijd ook in zijn hart het verlangen gewekt om tot het predikambt te worden opgeleid? We weten niet precies hoe. Wel staat vast, dat hij na enkele jaren onderwijs te hebben gehad van studenten op 15 september 1870 werd ingeschreven onder nr. 229 aan de Theologische School te Kampen.

Studie

Van zijn studietijd is niet veel meer bekend dan dat hij, in tegenstelling tot zijn broer Cornelis, lid geweest is van het Kamper studentencorps 'Fides Quaerit Intellectum'. De docenten S. van Velzen (1809-1896), A. Brummelkamp (1811-1888), Hel. de Cock (1824-1894) en A. Steketee (1846-1903) waren in Kampen zijn leermeesters.

Ambtelijke loopbaan

Per 17 juli 1874 werd hij theologisch kandidaat. Welke gemeente zou de jonge aanstaande predikant begeren? Om dat aan de weet te komen moeten we zoeken in de toonaangevende kerkelijke organen uit die tijd. Dat zijn voor de Gereformeerde Kerken De Heraut en De Bazuin.

In De Bazuin van 25 september 1874 lezen we: 'HARDINXVELD, 22 september 1874. Alhier is tot herder en leeraar beroepen, de Wew. Heer J. Boss, Candidaat te Kampen. Dat de Heere onze pogingen met Zijnen zegen bekroone.’

Voor dit beroep werd bedankt. Daarna volgde Stellendam. De Bazuin van 23 oktober 1874 meldde: 'STELLENDAM, 17 October 1874. Heden ontvingen wij de blijde tijding, dat de Heere het hart van onzen geroepen Candidaat, J. Boss, geneigd had om met vrijmoedigheid ons toe te roepen: "Ik wensch in de kracht mijns Zenders onder u het Evangelie te verkondigen." Des Heeren Naam zij alleen de eer. Hij heeft onze ellende aangezien. Na jaren zuchtens hopen wij binnen eenigen tijd een eigen herder en leeraar in ons midden te zien. Brenge de Heere dien geliefden broeder met een vollen zegen des Evangelies, opdat zijn komst tot uitbreiding Zijns Rijks hier en in de omgeving dienstbaar worde gemaakt.'

Stellendam

Waarschijnlijk was kandidaat Boss de eerste predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Stellen-

dam. In 1865 werd hier een Christelijke Afgescheiden Gemeente geïnstitueerd. In dat jaar werd ook een kerkje gebouwd. In 1869, bij de vereniging van kruisgezinden en christelijke afgescheidenen, werd de gemeente een Christelijke Gereformeerde Kerk en in 1892 bij de vereniging van christelijke gereformeerden en dolerenden: Gereformeerde Kerk.

Over de kerkelijke strijd te Stellendam in de tijd van de Afscheiding verscheen in 1935 een historisch verhaal, getiteld Strijd en Zegepraal door N. Weeda te Leiden. Het werd uitgegeven door J.P. van den Tol Jzn, Nieuw Beijerland en is een herdruk zeker waard.

Roerend vertolkte ouderling L. van Seters in De Bazuin van 18 december 1874 de gevoelens van de kerkenraad: STELLENDAM, 7 Dec. 1874. De dag van gisteren was voor ons een vreugdedag. Onze beroepen leeraar werd in ons midden bevestigd, door den Wew. Hr. G.A. Kempff. Boeiend schetste de bevestiger het werk des Evangeliedienaars, en wees daarbij de Gemeente op haar verplichting, naar aanleiding van Titus 2 : 15. De bevestigde verbond zich, bij 't gevoel van afhankelijkheid en liefde aan de Gemeente, sprekende over 1 Corinthe 16:7.

Roerend waren beide stonden en tranen van dankbaarheid werden gestort.

Na dertig jaren sukkelens kwamen wij in het bezit van een nieuw kerkgebouw; zeven jaren later in dat van een nieuwe pastorie, en nu, twee jaren later ontvangen we voor deze een bewoner. Ons gebed werd verhoord, schoon bij het jarenlange wachten onze moed schier bezweken was. Blijde en goedsmoeds verlieten wij dan met de saamgevloeide menigte het kerkgebouw, met de bede van Ps. 90:9 in het hart.’

Tweeënhalf jaar was ds. Boss predi­ kant in Stellendam van de ongeveer 70 kerkleden tellende gemeente. Toen hij in 1877 een beroep naar Herwijnen aannam, was hij ondertussen (op 10 maart 1875) gehuwd met Alida Jastina Kruyswyk uit Uithoorn. Het echtpaar kreeg op 28 maart 1877 een zoontje.

Herwijnen

In Stemmen voor Waarheid en Vrede van 1877 lezen we onder 'Kerknieuws': Chr. Geref. Kerk. Herwijnen, 12 aug. Hedenmorgen genoten we het voorrecht dat onze beroepen leeraar J. Boss in zijn dienstwerk werd bevestigd door E. Smit te Gorcum naar Lucas 14 : 23. De bevestigde deed 's middags zijn intree met 1 Cor. 3 : 9a.’

We hebben de indruk dat de periode in Herwijnen (1877-1886) zowel in huiselijke als kerkelijke kring een goede tijd is geweest voor ds. Boss. Hier werd het gezin uitgebreid met twee dochters en een zoon. Niet alleen het predikantsgezin breidde uit, ook de kerkelijke gemeente. Regelmatig maken de kerkenraadsnotulen uit die tijd melding van overkomenden uit de Hervormde Kerk. Niet gehinderd door bescheidenheid ten opzichte van eigen geestelijk leven schreef men bijvoorbeeld: 'Voor de kerkeraad is verschenen N.N. met de begeerte om aan de gemeente verbonden te worden. De kerkeraad verblijdt zich dat die broeder het hervormde genootschap vaarwel zegt en de begeerte heeft om met het volk van God te leven en te sterven.’

De eerste september 1878 werd een nieuw kerkgebouw in gebruik genomen. Ds. Boss had hierin graag een orgel gezien, maar de broeders achtten dit nog niet nodig. In 1878 werd onder leiding van de predikant een Christelijke Gereformeerde Jongelingsvereniging opgericht. Toen ds. Boss in januari 1881 verzocht om zijn traktement met ƒ 50, - te verhogen, werd hem dit toegezegd. Echter m de eerstvolgende kerkenraadsvergadering werd dat besluit vernietigd, al werd wel besloten ds. Boss jaarlijks ƒ 50, bij zijn traktement te geven "als het kan'. Dit ging alles in goede harmonie. De kerkvisitatie van 25 aug. 1885 werd als volgt samengevat: '...de gemeente heeft veel stof tot dank aan God voor vele weldaden waarin zij boven vele andere delen mag. Eendracht en liefde heersen in haar midden. Gods zegen ruste ruimschoots op deze gemeente.’

In die tijd werd bij Uitgeverij Jan Haan in Delfzijl een Catechismusverklaring van verschillende christelijke gereformeerde predikanten uitgegeven. A. Brummelkamp .schreef hierin een voorwoord. Ook ds. J. Boss was een van de medewerkers aan deze verklaring met onder meer een preek over Zondag 34.

In deze tijd kwamen ds. Boss' schrijverskwaliteiten openbaar. Van hem werden twee brochures in druk uitgegeven: Obadja. Vroege godsvrucht, een opwekkend woord tot de jeugd (Gorkum 1880). en Ruth. De goede keuze. Een opwekkend woord tot de ; > M^'< : /(Gorkum, 1884).

Bij zijn vertrek in 1886 naar de Christelijke Gereformeerde Kerk te Meliskerke raadde de scheidende predikant de kerkenraad aan het traktement op ƒ 900, - 's jaars te brengen en dan geen varken te beloven. 'Dan komt het toch overeen uit!’

Meliskerke

Volgens de lijst van predikanten was ds. Boss de vijfde predikant sinds de instituëring. Van 6 juni 1886 tot 10 juni 1888 verbleef hij in deze Zeeuwse gemeente. Ook deze periode kenmerkte zich, evenals in Herwijnen, door een betrekkelijk rustig, bloeiend gemeenteleven. De kerkenraadsnotulen althans maakten geen melding van schokkende zaken. Ook hier werd re-

gelmatig melding gemaakt van overkomenden vanuit de Hervormde Kerk. In 1887 hield de komende vereniging van christelijke gereformeerden met de nederlands gereformeerden (dolerenden) de gemoederen van de broeders al bezig. Zij besloten een en ander nauwlettend op classicaal en synodaal niveau te volgen. In 1887 richtte ds. Boss samen met de onderwijzer van de openbare school een zangvereniging op. Plaats van oefening: de consistoriekamer. Enige preekbeurten in de protestantse gebieden van het naburige België hadden tot gevolg dat er in 1888 een beroep op ds. Boss uitgebracht werd door de Belgische Zendingskerk te Oostende. Dat beroep werd aangenomen. Toen in juni 1888 het predikantsgezin (in 1886 uitgebreid met een dochtertje) zich in Oostende vestigde, was van hen al een goed getuigenis van de scheidende gemeente vooruitgegaan:

‘L.S.,

De kerkeraad der Christelijke Gereformeerde Gemeente te Meliskerke vernomen hebbende dat haar geachte Leeraar den Weleerwaarden Heer J. Boss de roeping van de Belgische Christelijke Zendingskerk heeft aangenomen, geeft door deze gaarne getuigenis,

- dat voornoemde Leeraar zuiver is in de prediking van Gods Woord en gezond in 't geloof

- dat hij ten allen tijde leerde en onderwees overeenkomstig 't getuigenis des Heeren en de Formulieren van eenheid der Gereformeerde Kerk in Nederland

- dat hij getrouw en ijverig was in al de deelen van het Leeraarsampt - dat hij in zijnen levenswandel onberispelijk verkeerde en goed getuigenis had zoowel van de gemeente als van die die buiten ons zijn.

Met volle vrijmoedigheid bevelen wij hem aan de Belgische kerk aan en hopen dat zij hem zal waarderen, achten en liefhebben en bidden den Koning Zijner duur gekochte kerk dat hij hem daar ten rijke zegen stellen zal.

Meliskerke. 19 Mei 1888

De Kerkeraad der Chr. Ger. Gemeente’

Oostende

De Belgische Christelijke Zendingskerk was ontstaan uit de arbeid van een Bijbelgenootschap, dat in 1834 met steun van het machtige 'Brits en Buitenlands Bijbelgenootschap' in België begon te arbeiden. In 1837 werd een Belgisch Evangelisch Genootschap opgericht, dat zich tot doel stelde het Evangelie in het gehele land uit te dragen. Hieruit is in 1849 de Belgische Christelijke Zendingskerk te Oostende ontstaan, die sedert 1979 samen met de meeste andere protestantse kerken in België de 'Verenigde Protestantse Kerk in België vormt. Na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 was er bijna ononderbroken een predikant werkzaam, waaronder ds. J. Boss. Hij stond hier van 1888 tot 1890. Helaas kon nog niets van deze periode achterhaald worden. Het enige dat we weten is dat op 6 februari 1890 weer een zoon geboren werd in het predikantsgezin, dat toen bestond uit vader en moeder Boss met hun drie zoons en drie dochters. In 1890 keerde men weer terug naar het Zeeuwse. Ditmaal was Schoondijke de roepende gemeente.

Schoondijke

De Christelijke Gereformeerde Gemeente te Schoondijke is op 13 september 1889 gesticht, 12 jaar later, op 28 juni 1892 werd zij omgezet in de Gereformeerde Kerk te Schoondijke. Het huidige kerkgebouw, dat in 1907 in gebruik werd genomen, is in oktober 1944 verwoest. De nieuw gebouwde kerk werd in december 1957 geopend.

Het archief van de kerkenraad is overgedragen aan het Rijksarchief te Middelburg. Helaas niet helemaal compleet. Het notulenboek over de periode 1880 - 1896 ontbreekt. Zodoende weten we op dit moment niet meer dan dat ds. J. Boss de derde predikant op de predikantenlijst was. Hij heeft hier betrekkelijk kort gestaan, van 1890 - 1891. Was zijn verblijf hier een tussenstation naar het Belgische Maria Hoorebeke?

Maria Hoorebeke

Op 15 augustus 1891 werd ds. Boss bevestigd als predikant van de Protestantse Evangelische Gemeente te Maria Hoorebeke, een kleine protestantse gemeenschap in een vrijwel geheel rooms-katholieke omgeving. De gemeente is een overblijfsel uit de Reformatietijd en in heel België bekend als 'de Geuzenboek". Samen met nog zes andere kleine gemeenten vormt Hoorebeke de zogenaamde 'Vlaamse Olijfberg". Bekende namen van predikanten uit deze tijd die in deze omge-

ving het Woord bedienden zijn Guido de Brés en Petrus Dathenus. Hier spreekt alles van een woelig verleden dat gelukkig door de huidige bewoners overgedragen en bewaard wordt door middel van woord en geschrift. Een bezoek aan deze protestantse enclave is om meerdere redenen alleszins de moeite waard.

Ook de predikantenlijst spreekt boekdelen. Achter drie namen uit de begintijd staat vermeld: 'gevangen en opgehangen'. Ook komen we hier een bekende naam tegen: Cornells van Hille. Hij was predikant in de nabijgelegen stad Oudenaarde (1577) en tevens de opsteller van de Ziekentroost. Ds. J. Boss is nummer 48 van de 55 namen tellende lijst.

Op de eerste kerkenraadsvergadering (op 23 augustus 1891) sprak hij een kort woord tot de broeders, waarin hij te kennen gaf dat hij de hoop koesterde met de broeders op deze plaats in eensgezindheid te arbeiden. 'Het werk toch." zo sprak hij. "dat God ons te doen gegeven heeft is met alleen ons, maar Zijn werk; als wij daarvan doordrongen zijn, zullen wij niet onze eigen eer op het oog hebben, en gemoedigd kunnen zijn bij alles wat ons ontmoet.’

Hoewel een kleine gemeente (zo'n 200 kerkleden) 'ontmoette' ds. Boss in de ruim twee jaren die hij te Hoorebeke verbleef heel wat. Het viel niet altijd mee om daarbij 'gemoedigd' te blijven.

Van meetaf aan wilde hij de tucht handhaven in de gemeente. Daarbij wist hij de plaatselijke reglementen aan zijn zijde. In verband met het in overeenstemming met de regels brengen van de voorlezers-, kosters-en organistenplaats ondervond hij veel tegenstand. We lezen: 'Over sommige leden der gemeente wordt gesproken, die niet veel goeds hebben gezegd. De voorzitter (ds. Boss) zegt, dat hij toch niet verantwoordelijk is voor hetgeen anderen zeggen, en wat hij op de kerkeraad had voorgesteld had hij gedaan om het recht en om de ere Gods. Ouderling Ch. L. de Jonge spreekt den leeraar eenige bemoedigende woorden toe. Hij hoopt dat hij door de gesproken woorden niet te veel zal verslagen zijn.’

Ondanks deze 'rimpelingen in de gemeentelijke vijver' kan gesteld worden dat de eerste helft van ds. Boss' verblijf in Hoorebeke redelijk rustig verliep. November 1892 werd er een jongetje geboren in de pastorie. Naast huiselijk geluk was er de zorg voor het schooltje dat financieel een zware last vormde voor de kleine gemeente. In een oproep aan het volk van Nederland trachtte ds. Boss hiervoor geldelijke steun te ontvangen.

Toen er in 1892 ambtsdragersverkiezingen waren, ging het mis. Negen stemmen werden ongeldig verklaard vanwege het meerdere keren voorkomen van dezelfde voor-en achternaam in de gemeente. De gemoederen werden tijdens en na deze verkiezing zo verhit dat de synode er zelfs aan te

pas moest komen. Na het voorlezen van een synodaal schrijven vanaf de preekstoel ontstond er een hevig tumult in het kerkgebouw doordat twee vrouwen heftig het woord namen. Slechts met grote moeite konden ze door de predikant tot zwijgen gebracht worden.

In 1893 nam ds. Boss een beroep aan naar de hervormde(l) gemeente van Hedel (N.Br.) en daarmee kwam er voor hem een einde aan deze roerige tijd. Bij zijn afscheid vatte de consulent, ds. C.J. van Arkel dit kernachtig samen. We lezen: "De consulent spreekt enige woorden tot de scheidende leeraar, die in zijne gemeente veel liefs, maar ook droevigs heeft ondervonden. Doch welke bede en zegen zou hem beter kunnen worden medegegeven dan het woord waarmede hij afscheid nam van de gemeente. Gen. 2: “Want Ik ben met u.’”

Hedel

Ds. Boss werd door de kerkenraad van Hedel beroepen in de vacature van ds. D.T. Meinsma. Deze stond van 1888-1890 te Hedel en was gekomen van Hantum en vertrokken naar Ouddorp. Consulent in deze vacaturetijd was de bekende dr. F.J. Los van Bruchem-Kerkwijk (gepromoveerd op W. a Brakel). Tijdens de driejarige vacature van ds. Meinsma werden bekende predikanten beroepen, zoals ds. E.C. Gravemeijer, ds. H. Doornveld, ds. J.G. Dekking en ds. N. Warmolts. Was men attent gemaakt op ds. J. Boss door een bericht van zijn beroepbaar stelling in de Nederland.se Hervormde Kerk na het doen van colloquium doctum (geleerde samenspreking, tegenwoordig colloquium)? Hoe dan ook, van 1893 - 1896 was ds. Boss hervormd predikant te Hedel. Na de roerige tijd in Hoorebeke was Hedel een ware oase voor de 41-jarige predikant, die toen al zijn sporen in verschillende kerkgenootschappen getrokken had.

In zijn tijd was Hedel een gemeente die duidelijk was gestempeld door de gereformeerde prediking en toen inmiddels ook de Doleantie-perikelen te boven was. Het voornaamste wat te melden is uit ds. Boss' periode alhier is, dat de begonnen pogingen van zijn voorganger om een School met de Bijbel te Hedel te stichten, door hem werden voortgezet. Realisering hiervan zou echter nog tot 1913 duren.

Hendrik Ido Ambacht

Van Hedel ging het naar Hendrik Ido Ambacht. Op 19 januari 1896 werd ds. Boss bevestigd door de consulent ds. A.H. de Klerck van Ridderkerk met Efeze 2:8-10. Zelf preekte hij intrede met Collossenzen 4 : 3. De gemeente was toen anderhalfjaar vacant geweest. In tegenstelling tot de Afscheiding (1834) had de Doleantie (1886) in Hendrik Ido Ambacht diepe sporen getrokken. Daar de Doleantie nog maar betrekkelijk kort geleden was toen ds. Boss hier kwam, werd hij regelmatig met de gevolgen geconfronteerd. Zo kwam er een legaat van ƒ1000, - vrij waarop de 'dolerenden" via een rechtsgeding gedeeltelijk aanspraak maakten. Onder ds. Boss keerden verschillende gezinnen weer terug tot de Hervormde Kerk. Dit zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met zijn Schriftuurlijk-bevindelijke prediking.

De gemeentezang in Hendrik Ido Ambacht streelde nu niet bepaald het muzikale oor van ds. Boss. Vandaar is het dat wij hem op 27 januari 1898 op een vergadering van kerkvoogden en notabelen zien verschijnen om medewerking te vragen bij de aankoop van een orgel in de kerk. Hij had dit verzoek goed voorbereid, want toen de lasten ter sprake kwamen, gaf hij direct een kostenraming: Aankoop ƒ 3.000, - ; plaatsen ƒ 1.000, - ; voor onderhoud - I-bezoldiging organist ƒ 2.000, - vastzetten. Het orgel is er gekomen. In 1917 werd een zoon van ds. Boss benoemd tot organist. Ds. Boss zelf was op dat moment al lang uit de gemeente vertrokken. Na Hendrik Ido Ambacht ging het naar Ouddorp.

Ouddorp

Deze gemeente was reeds ruim een jaar vacant geweest toen ds. Boss op 13 oktober 1901 zijn intrede deed. Zes jaren deelde hij lief en leed met de inwoners van Ouddorp.

In oktober 1902 bereikten de kerkenraad enkele brieven van een collega van ds. Boss uit een naburige gemeen-

te. Deze stonden vol beledigingen en valse beschuldigingen aan het adres van de Ouddorpse predikant. De kerkenraad besloot hierover een aanklacht in te dienen bij het classicaal bestuur. Dit bleek evenwel niet nodig te zijn, want een maand later schreef dezelfde predikant tot blijdschap van ds. Boss en de kerkenraad. dat hij gedwaald had en zijn verontschuldigingen aanbood.

Onder de vele jonge lidmaten, die jaarlijks werden aangenomen, bevond zich ook ds. Boss' dochter Alida Jastina, die ook organiste der gemeente was.

In 1905 wilde een (liberaal) lid der gemeente ds. Boss onder censuur laten plaatsen 'omdat hij Zondagmorgen den 25 juni j.l. op den preekstoel heeft gezegd, dat de liberalen niet bidden.’

De kerkenraad oordeelde dat de liberalen zichzelf veroordeelden, omdat de dominee alleen gesproken had van velen, die streden tegen Christus, tegen de christelijke regering, tegen kerk en school, mensen die met God en Zijn dienst spotten en die geen God nodig hadden in staat en maatschappij, die ook het gebed niet behoefden. 'Als die schoen den liberalen past mogen zij die aantrekken.' Een andere broeder zei: 'Mochten hunne liberale schoenen hun maar te veel wringen, dat zij die mochten uittrekken!’

Men had oog voor het geheel van de Hervormde Kerk. Ds. Boss wist een en ander zeer kernachtig te formuleren. Een voorbeeld hiervan is een 'P.S.' op vraag 6 der Schriftelijke Kerkvisitatie:

Op de vraag: 'Wat heeft de Kerkeraad op te merken aangaande de werking in de praktijk van de Kerkelijke Reglementen waarvan hij rechtstreeks ervaring heeft? ' antwoordde ds. Boss namens de kerkenraad: 'Dat reorganisatie der kerk zeer gewenscht is, of schrapping van art. 11 Alg. Regl.

Door allerlei godslasteraars en zelfs socialisten in de kerk te dulden, boet de Kerk ook in dit eiland haar achting in. Al blijft de Gemeente alhier de kerk getrouw, toch betreurt de kerkeraad het dat op vele plaatsen de schapen andere stalling zoeken, omdat de schaapskooi boven hun hoofd wordt afgebroken. Moge de tijd spoedig aanbreken dat de Kerk tot haar Hervormd karakter wederkeere, niet langer zij een vereeniging die allerlei gezindten samenbindt, maar als Christus' Kerk pal sta voor de belijdenis der waarheid, voor de eere Gods!' Het zou vandaag geschreven kunnen zijn! Zondag 10 november 1907 nam ds. Boss afscheid met het tekst gedeelte uit Efeze 3 : 14-17, wegens vertrek naar Bergambacht.

Bergambacht

In deze gemeente verbleef ds. Boss van 1906 tot 1913. In 1907 schreef de kerkenraad op aandringen van ds. Boss met succes een request aan het gemeentebestuur tot afschaffing van de jaarlijkse kermis. Deze werd ook afgeschaft, niet tot ieders tevredenheid: twee boerderijen van kerkenraadsleden gingen in vlammen op en van het tuinhuis bij de pastorie bleef geen ruit heel. Onder leiding van zoon Gerard Boss werd een jongelingsvereniging opgericht. Later ook een meisjesvereniging. Jaarlijks legde een nink aantal doopleden belijdenis des geloofs af. In deze tijd werkte ds. Boss mee als scribent bij het Gereformeerd Weekblad. Voor de prekenserie Tot de Wet en tot de Getuigeni.s onder redactie van ds. G.H. Beekenkamp en ds. K.R Datema werkte hij jaarlijks twee preken uit. zodat er nu nog ruim-

schools kennis genomen kan worden van zijn pennenvruchten.

Op 20 april 1912 overleed plotseling de vrouw van ds. Boss. Dit was een hele slag voor het gezin, waarvan alleen de twee jongste zoons nog thuis waren, de anderen waren allemaal getrouwd.

Grote opschudding ontstond er in de kerkenraad en gemeente toen na een maand of vier bleek, dat ds. Boss het plan had opgevat om vrij spoedig weer in het huwelijk te treden en wel met zijn huishoudster. Sommige van ds. Boss" kinderen konden dit ook moeilijk verwerken. Er gingen nu allerlei geruchten door de gemeente, waardoor de goede naam van ds. Boss behoorlijk beschadigd werd. Deze geruchten hielden echter aan en namen steeds meer de vorm aan van laster. Ds. Boss besloot het Classicale Bestuur in te schakelen, daar hij van mening was dat er niets onwettigs tegen hem was in te brengen. Het Classicale Bestuur kweet zich nauwgezet van zijn taak. De uitslag van het onderzoek lezen we in de Maas-en Scbeldebode van 19 april 1913 onder de kop 'Rehabilitatie ds. J. Boss:

“In de vergadering van den kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Bergambacht den 3den Februari j.l. onder praesidium van Ds. D.M. Boonstra van Schoonhoven gehouden, en in de vergadering van het Classicaal Bestuur van Gouda, onder leiding van Ds. P. van Willemswaard, praeses, en Ds. J.W. Berkelbach v.d. Sprenkel, scriba, is Ds. J. Boss, predikant te Bergambacht, op wien in den laatste tijd veel smaad en laster was geworpen, in zijn eer hersteld. Zondagmorgen 6 April j.l. aan het einde der godsdienstoefening, las Ds. Boss aan de Gemeente een actestuk van het Classicale Bestuur van Gouda voor, waardoor hij volkomen wordt gerehabiliteerd.’

In datzelfde jaar nog nam ds. Boss het op hem uitgebrachte beroep naar de Hervormde Gemeente van Vinkeveen aan.

Vinkeveen

Op 21 december 1913 hield ds. Boss zijn eerste preek als eigen herder en leraar van de gemeente Vinkeveen. Als tekst voor de intreepreek koos hij Colossenzen 4 : 3a. 's Morgens werd hij bevestigd door de consulent, ds. J.G. Woelderink van Mijdrecht. In Vinkeveen kwam ds. Boss in rustiger vaarwater. De kerkenraadsnotulen gewagen niet van ingrijpende gebeurtenis-

sen.

In 1919 kwam er vrij plotseling een eind aan dit veelbewogen, arbeidzaam leven.

Om een typering te geven van zijn persoon besluiten we dit artikel met het veelzeggend bericht uit De Standaard van 18 december 1919.

‘Ds. J. Boss. Nader meldt men ons uit Vinkeveen: In de ouderdom van 67 jaar en 5 maanden is alhier onverwachts overleden Ds. J. Boss, sedert 21 Dec. 1913 pred. der Herv. Gemeente. Op Zondag 7 Dec. vierde hij met opgewektheid zijn 45-jarig jubileum als predikant en vijf dagen later rukte de onverbiddelijke dood hem uit ons midden. Vrijdagmiddag van een begrafenis thuiskomende, gevoelde hij zich onwel en na een kort lijden verwisselde hij het tijdelijke met het eeuwige. Gedurende den tijd, dat wijlen Ds. Boss hier in ons midden verkeerde, heeft hij zich veel vrienden verworven, die met hem meeleefden. Hij was beminnelijk in den omgang en iemand van een besliste overtuiging. Groot is dan ook de verslagenheid over zijn plotseling verscheiden. Op verlangen der familie zal zijn stoffelijk overschot Woensdag a.s. te Bergambacht aan de schoot der aarde worden toevertrouwd.

Met hem is niet alleen een getrouwe prediker der Gereformeerde waarheid, maar ook een warm voorstander van de Anti-revolutionaire beginselen ten grave gedaald. Zijn leven was Christus, zijn sterven gewin.’

Gedeelte uit "De Kananese'; preek, gehouden in Bergambacht in 1909 over Mattheus 15:21-18

Gepubliceerd in de prekenserie Tot de wet en de getuigenis (Maassluis 1909)

Hebt gij, geliefde hoorders, kennis aan dat geloof van de Kananese vrouw? Zijt gij ook als een verlegen, heilzoekende zondaar of zondares tot Jezus gekomen? De arme komt smekende. Hebt gij geleerd als zulk een arme te komen? Zouden er niet velen zijn, die in ellende verademing zoeken in verstrooiing, of die het bij het schepsel zoeken in plaats van bij de bron van alle troost en licht, die biddeloos daarheen leven, ja velen, die vloeken in plaats van bidden? [...]

Deze vrouw, die oorspronkelijk een heidin was, treedt dan ter beschaming tegen ons op. Zij die in het heidendom in duisternis opgevoed is en wij geboren onder het licht van het evangelie, wat een verschil! Hoeveel maal hebben wij ons de weg des levens horen voorstellen? Welke vruchten heeft dat werk van Gods liefde afgeworpen? Wat zal het te zeggen zijn daaronder verloren te gaan! Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo'n grote zaligheid geen acht geven! De weg zo wel geweten te hebben en niet bewandeld! Heden, indien gij zijn stem hoort, zo verhard uw harten niet![...]

Hoe groot, hoe talloos vele zijn onze ongerechtigheden. Dat gij uwe knieën toch voor de Heere moogt buigen. Bij Hem is genade en kracht om ons te verlossen. Christus is gekomen, opdat hij de werken des duivels verbreken zou. Hij is tegenover de sterke de Sterkere, die hem zijn vaten ontrooft. Voor Hem is het maar een wenk, een woord: 'De duivel is uit uw kind gevaren, " en het kind is gered. Valt die Redder te voet. Hij is machtig en gewillig te verlossen. Bij Hem zocht de Kananese niet te vergeefs haar heil. Dat het: Ontferm u mijner, red mijne ziel! uw bede zij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.