+ Meer informatie

Kleine zielen zonder herder

"De stille kracht", een triest voorbeeld uit Coupems' oeuvre

6 minuten leestijd

Ze zijn beiden verloren in een verbijsterende wereld. De nuchtere resident Van Oudijck tracht zich uiterlijk staande te houden op grond van zijn gezag. Maar hij gaat innerlijk kapot door „dingen, machtiger dan de mens". Zijn vrouw Léonie, enkel uit zijnde op verboden lichamelijke genoegens, gaat ten onder aan haar decadentie, gebroken door 'de stille kracht'. Zo heet de in 1900 verschenen roman van Louis Couperus, waarin beide personages het af moeten leggen tegen de geheimzinnige machten van Indië. Nog altijd is deze roman populair. Hierin tekent Couperus op de drempel van onze eeuw het moderne levensgevoel dat tegenwoordig velen vervult. Ook de groeiende schare mensen die zich interesseert voor het occulte kan bij Couperus terecht. Dat moet ons doen aarzelen om het boek ter hand te nemen. Maar "De stille kracht" kan ons óók wat leren, mits wij blijven bij de veel hogere kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft: het Evangelie.

Ook wie er nooit geweest is, ruikt in deze roman Indië. Al in het begin, als resident Van Oudijck efn avondwandeling maakt in Laboewangi, voelen we de beklemming van de „doodse stilte die alom spande als een sluier van zwijgen". Wat Eva Eldersma, de vrouw van zijn secretaris, voelt —„een donker geheim aandonzend in de nachten"— wil Van Oudijck niet zien. Hij, de vertegenwoordiger van het koloniale gezag, ontkent het mysterie.

Zijn vrouw Léonie wordt, evenals veel eerder de figuur van Eline Vere, met een groot psychologisch inzicht beschreven. Zij heeft zich ingekapseld in haar egoïsme en laat in haar cocon van onverschilligheid alleen die mensen toe die haar genotzucht kunnen bevredigen. „De levensgang van Léonie", zo schrijft prof. dr. K. J. Popma in zijn "Beschouwingen over het werk van Louis Couperus", „is van een schrikwekkende ontaarding". De straf kan dan ook niet uitblijven.

De 'stille kracht', die vanaf het begin zijn speldeprikken heeft doen voelen, richt al zijn pijlen op Léonie: in de badkamer wordt zij bezoedeld met sirihspuugsel. Die rechtstreekse aanval breekt haar. Zij gooit haar masker van eerbaarheid af, belandt via Soerabaja in Parijs en wat men daar van haar vertelde, „was alleen te fluisteren als een onuitzegbare verdorvenheid".

Vage noodlottigheid

Het gedrag van Léonie is niet te verontschuldigen. Couperus doet dat wel door te stellen dat haar bandeloosheid haar noodlot was. Volgens Popma is daarom niet de 'stille kracht' het centrale thema van het boek. Belangrijker is de vage noodlottigheid, samenhangend met de absurditeit van het seksuele. Van Oudijck, zo lezen we in de roman, „geloofde niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid der dingen". Couperus zelf wèl. De auteur kende geen dualisme van goed en kwaad. Popma hierover: „Er is in zijn visie een volkomen geleidelijke overgang van oerlicht naar zonnevlam en van vlam naar aarde. Deze idee van geleidelijkheid speelt in zijn mensbeschouwing een beslissende rol". Het is in "De stille kracht" juist die combinatie van geleidelijkheid en noodlot die de resident en Léonie naar de ondergang voert. Als de roman naar zijn einde spoedt, erkent een gebroken Van Oudijck: „Dat wat gebeurd is, alles wat indruiste tegen leven en praktijk en logica heeft mij gebracht tot hier. Het was iets waartegen niets hielp. Dat heeft gemaakt dat ik als met stomheid, met idiotisme geslagen werd". Van Oudijck nam voortijdig ontslag: een oude man met een doffe blik in zijn ogen en een zenuwachtige trilling in zijn handen.

CoMperiaans dogma

Couperus is wel "een ziener van mensen" genoemd. Hij kon hen heel goed peilen. In zijn visie was iedereen —officier of bedelaar, resident of tafelbediende— onder de maat. Kleine zielen. In al zijn boeken komt dit Couperiaanse dogma terug. Ook in "De stille kracht". Zowel de resident als Léonie blijkt beneden de maat te zijn. Zonder de facade van eerbaarheid en gezag zijn ook zij maar kleine zielen.

Couperus was evenwel lang niet de eerste die de mens als kleine ziel ontdekte. „Ook onze beste werken in dit leven zijn alle onvolkomen en met zonden bevlekt", staat er in antwoord 62 van de Heidelbergse Catechismus. Hoewel verstandelijk erg goed op de hoogte met de Bijbel, heeft Couperus nooit iets van de Reformatie begrepen. Maar op het punt van de kleine zielen naderen we hem heel dicht en kunnen we zijn boeken beschouwen als een spiegel, waarin de in Adam gevallen mens ons aanziet. Daar raken we echter tegelijkertijd het grote verschilpunt. Want de mensen die Couperus beschrijft, zijn kleine zielen zonder Herder. Maar de Bijbel heeft gelukkig een veel rijkere boodschap voor de in zichzelf verloren 'kleine zielen' die het alleen van Christus hebben leren verwachten.

Occultisme

In "De stille kracht" blijkt uit alles dat de dagen van de kolonie geteld zijn. Villa's staan leeg, Indiërs morren en in de hand van de inlandse regent blijkt de 'stille kracht' een angstaanjagend wapen. Voorzag de auteur in zijn dagen al de schrikwekkende groei van de islam in deze wereld? We weten het niet. Wel constateren we dat de 'stille kracht' opmerkelijk genoeg telkens in verband blijkt te staan met een mysterieuze, in het wit geklede hadji, een moslim die op bedevaart naar Mekka is geweest.

Ook aan het slot van het boek keert die witte hadji terug, als een overwinnaar. Terwijl Van Oudijck Eva Eldersma naar het station brengt, komt daar net een trein aan met Mekkagangers. Daar voelen zij het beiden, het onuitzegbare. Maar in dat voelen zagen zij niet te midden van de stroom uit Mekka terugkerende hadji's, „die ene grote witte rijzen boven de menigte uit en kijken met zijn grijnslach naar de man, die hoe hij ook zijn leven geademd had in Java, zwakker was geweest dan Dat...".

Het heidense geloof in boze geesten en machten (animisme) speelt ook een belangrijke rol in de roman. Zij zitten achter de 'stille kracht'. Couperus heeft herhaaldelijk gezegd dat hij in dat mysterie geloofde. Het bracht hem angst. Als klein jongetje bij het vallen van de avond, maar ook nog als volwassene.

Daarvan getuigt hij in het griezelige boekje "Als ik, bij voorbeeld, de geest van mijn moeder op de rand van mijn bed zag zitten". Deze occulte verschijnselen moeten hem heel erg hebben beziggehouden. Wie daarin zijn angstig houvast zoekt en Jezus als Redder afwijst, is echter dood-arm. „Wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar (...) tegen de geestelijke boosheden in de lucht", schrijft Paulus (Efeze 6:12). Die boosheden komen we tegen in "De stille % Couperus in zijn werkkamer in De Steeg. kracht". Maar een geestelijke wapenrusting om daartegen staande te blijven, wees Couperus radicaal af.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.