+ Meer informatie

DE GELEDEREN VERSTERKT

GEBED VOOR DE HERDER

5 minuten leestijd

De zendings-inspector Walter Lawry heeft interessante mededelingen gedaan in zijn dagboek over de zending op de Fidsji-eilanden.

In September 1S47 was hij met het splinternieuwe zendingsschip „John Wesley" op Viwa gearriveerd om de zendingsstations in de Zuidzee te bezoeken. Het spreekt wel vanzelf, dat hij de posten van Hunt niet kon overslaan. Er werd dan ook een grote vergadering belegd, waar zeven zendelingen met hun familie samenkwamen; bovendien had Lawry twee jonge zendelingen meegebracht, die Hunt zouden bijstaan in de omvangrijke arbeid. Het werden aangename dagen. Hoe bewonderde de inspector de voortgang van het werk der zending! Hoe luisterde hij, als hij vernam uit de monden van vroegere menseneters hetgeen de Heere had gedaan. Hij heeft het niet kunnen laten, enkele van de treffendste uitspraken op te schrijven.

Er werden liefdemaaltijden gehouden, waarop ieder, die iets te zeggen had, vrij zijn gang mocht gaan. Zo sprak op een van deze samenkomsten een oude Christen van Viwa: „Het geloof was in mijn hart als een boom, die onmerkbaar groeit, recht omhoog rijst en zich door niets laat krom buigen. Niets ter wereld zal mij van mijn weg afbrengen; ik ben gelukkig een Christen te zijn. Ik ken de liefde van God in Christus. Ik was een goddeloze, maar de Heere ontfermde zich over mij. De wind blaast tegen mij aan, ik bedoel de boze praat der mensen, maar ik ben als de boom, die zich niet laat omblazen. Ik kan niet lezen, maar wat ik van de zendelingen gehoord heb, is het voedsel mijner ziel."

Toen deze ophield, nam een vroegere menseneter het woord en zei: „Ik heb God vroeger heel veel schande aangedaan. Had Hij mij veracht, gelijk ik Hem verachtte, dan was ik verloren. Ik voel mij diep beschaamd, zo vaak ik aan Zijn liefde jegens mij denk. Hij heeft mij nu niet behandeld gelijk ik Hem behandeld heb."

De nieuwe zendelingen, zo was bepaald, zouden zich vestigen op het grote eiland Vanoea Levoe. Het zendingsschip zou ze er brengen. Zendeling Hunt vergezelde hen, en vanzelfsprekend was ook de zendingsinspector er bij. Van hem weten we iets van de toespraak, die Hunt hield, toen de nieuwelingen voet aan wat zetten.

Hunt zei: „Ge zoudt wel willen weten, hoe de gezinnen van deze zendelingen leven, en ge zoudt graag hun huizen willen binnendringen. Dat moet ge niet doen; val hen niet lastig. Als ge op visvangst uitgaat, vergeet dan niet, hun van uw vis te geven. Te geven, zeg ik, ge moet u er niet voor laten betalen. Blijf hieraan denken: wanneer ge een vruchtboom plant en hij levert niets op en sterft, dan plant ge een andere; maar verliest ge een zendeling, zal er dan een ander in zijn plaats kunnen leven? Behandelt hen daarom goed, opdat ze niet heengaan, doch blijven, tot de boom van het christendom zijn takken over alle landen uitspreidt. Vele heidenen zijn thans als verdwaalde vogels, die niet weten, waar ze zich neer zullen zetten; maar spoedig zullen ze over uw geluk horen spreken en zullen ook hun rust op de takken van de Christusboom willen zoeken."

Midden November, op Zondagavond, preekte Hunt op het schip. Walter Lawry schreef hierover: „Uit zijn woorden klaterde zulk een rijkdom van krachtige, originele en lichtende gedachten, dat ik van het achterdek, waar ik zat, deze buitengewone man met klimmende bewondering aankeek. In zijn toespraak was een kracht en eenvoud van onweerstaanbare indrukwekkendheid. Het was een ontroerend toneel: de laatste stralen der ondergaande zon belichtten de met wolken bedekte bergen en verguldden de rustige oceaan. De bemanning en de inheemse predikers hingen aan de lippen van de beproefde Hunt, uit wiens binnenste stromen van le-

vend water vloeiden. Het was waarlijk een huis Gods en de poort des hemels."

Toch was Hunt niet meer de oude. Hij had steeds een krachtig gestel gehad, maar zijn sterke lichaam had veel moeten verduren. De aanhoudende arbeid, te veel voor een mens, had zijn krachten snel doen afnemen. Voortdurend klaagde hij over hoofdpijn. In het voorjaar van 1848 kreeg hij een ingewandsontsteking. Dokter Lyth moest er aan te pas komen. Het beste was, dat Hunt zou vertrekken naar een klimaat dat wat milder was, maar de reis daarheen zou hij onmogelijk kunnen volbrengen. Het was niet nodig ook, vond Hunt, want hij zou het liefst maar sterven op de plaats, waar hij zijn beste jaren had doorgebracht.

In Augustus stond het wel vast, dat er geen middel meer voor de ziekte zou baten, en ook Hunt zelf gevoelde wel, dat het naar het einde liep. In Juli had hij voor het laatst gepreekt uit de brief van Judas: „Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in de Heilige Geest."

De Christenen op Viwa konden er niet aan denken, dat hun beminde prediker zou heengaan. Dat leven zou toch nog niet eindigen?

Wonderlijk, Hunt had zijn mensen geleerd de troon der genade te zoeken, en nu zochten zij op hun beurt die plaats om liet herstel voor hun leraar af te smeken. Er werden bidstonden gehouden, waar de bezoekers zuchtten en schreiden. Verani (we weten nog wel: de man die „Frankrijk' genoemd werd) riep boven het schreien der schare uit: „Heere, wij weten, dat wij slecht zijn, maar spaar nochtans Uw knecht! Moet iemand sterven, ach, neem mij, neem er tien van ons, maar spaar Uw knecht voor ons, opdat hij dit vólk Christus verkondige!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.