+ Meer informatie

TER OVERWEGING

15 minuten leestijd

Dr. J. W. Marls, dr. F. van der Pol (red.) De zonde uit beeld. Bijbels schuldbesef en modern levensgevoel. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld. 165 blz. f 27,50.

Voor veler ‘levensgevoel’ is zonde iets in de buurt van een “per ongeluk” gebroken kopje of bevuilde jurk en is schuld zo iets als “rood staan”. Wie door omstandigheden wel eens genoodzaakt is via de media allerlei kerkdiensten mee te maken, zal weten dat dit ‘levensgevoel’ beslist niet alleen buiten de kerk gevonden wordt. Heel vaak is er van zonde en schuld - en bijgevolg van genade en vergeving - nauwelijks iets te horen. De zes hoogleraren die in dit boek stellen dat de zonde ‘uit beeld’ is, belichten deze Stelling van verschillende kanten zowel in het belijden als in het beleven. De mens geschapen, niet om als een machine, een automaat, maar in verantwoordelijkheid van liefde jegens God en de naaste te leven (‘gebod des levens’), heeft bewust en moedwillig geweigerd dat te doen. In het diepgravende artikel van prof. Velema wordt dan ook benadrukt dat de zonde in haar wortel, kenmerk en kern ‘liefdeloosheid jegens God en de mensen’ is (19, 22). Dat deze liefdeloosheid “binnen de kerkelijke gemeenschap” niet te vinden is, zal niemand durven beweren. Veel gepráát over de zonde kan nog dienen als camouflage, een soort ‘zelfrechtvaardiging’ (26). Prof. Van der Pol laat op aansprekende wijze zien hoe Luther ermee worstelde: ‘dat er lemand is die ons ter verantwoording roept’, een besef dat ‘in onze cultuur weggesleten’ is (47). Onder de titel ‘Maar ieder beproeve zichzelf beschrijft prof. Van ‘t Spijker hoe de zelfbeproeving in de reformatorische en na-reformatorische tijd functioneerde in leer en leven, doorwerkend tot de dag van vandaag. Vaak bracht dit verdieping, maar ook wel ontsporing (95v.) inzake het zelfonderzoek. Het laatste is op te merken wanneer de belofte van de vergeving, het aanbod van genade wordt gebracht ‘onder de beheersing van de verkiezing’ (84), het ‘predestinatiaanse uitgangspunt’ (90): de mens wordt ‘op zichzelf teruggeworpen’ (96). Dan wordt immers “uitverkiezing” verzwolgen door “uitverkorenheid”. Prof. Maris wijst op de ‘toorn van God’ die een ‘bijbelse realiteit’ is. Duidelijk wordt gesteld dat, waar die realiteit wordt ‘afgezwakt’, het evangelie ‘slechts een spei van mooie woorden’ kan worden (115). Prof.Trimp geeft ‘enige overwegingen bij antwoord 115 van de Catechismus’ onder de titel ‘Prediking van de wet: gezondmakende leer’ (127). Hij beklemtoont dat zonder ‘ontdekkende wetsprediking’ de ellendekennis een ‘gepasseerd station’ wordt, genade goedkoop en het leven oppervlakkig en zelfgenoegzaam’ (136v.) Prof. Kamphuis eindigt met een ‘overweging bij Psalm 25’ onder het thema ‘Ootmoed en zekerheid’ (146). Ook hij waarschuwt de zonde niet als een ‘gepasséérd station’ te zien en via idealisme en perfectionisme de zonde ‘licht te achten’ (150). Er is overeenstemming tussen Ps. 25 en 51 (151)! Wat in de zes hoofdstukken van dit boek aan de orde wordt gesteld, is alleszins de moeite van kennisneming en bestudering waard! En wie zich herinnert hoe een halve eeuw geleden, de eerste tijd na de Vrijmaking, de indruk werd gewekt dat de leer van de veronderstelling praktisch vervangen was door een soort “ware-kerk-syndroom” - als je maar lid van dè kerk was, was alles vanzelfsprekend in orde -, die zal dankbaar constateren dat in de bijdragen van de vrijgemaakte hoogleraren daarvan geen sprake meer is; hoogstens herinnert hier en daar uit de verte de verwoording aan het destijdse taalgebruik. Past dit boek in het ‘gesprek tussen de kerken’ (97) om niet te ‘berusten in verdeeldheid’ (164), noch de eenheid “notulair” te zoeken, op papier van acta of krant, maar om vanuit Schrift en confessie de weg te zoeken naar een samengróéien? Wat in meer dan een eeuw uit elkaar is gegroeid, kan niet bij “hamerslag” van een praeses aan elkaar worden “geklonken”, maar heeft het gesprek, de kans en dus tijd nodig om naar elkaar toe te gróéien. Moge dit boek daartoe een bijdrage geven! Want de beleving van Col. 3:13-15 moet ook kèrkelijk geléérd worden, een tijdrovend en moeizaam proces. Dat de ‘poorten der hei’ (vgl. Matt. 16:18) hun “geweld” daarbij graag en geducht laten gelden, hebben we in gereformeerd Nederland meer dan genoeg (?) ondervonden!

Ds. C. van de Velde, Het dopen van kinderen: Waarom? Een bijbelse verantwoording van de kinderdoop. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen. 96 blz. f 17,90.

In 26 korte stukjes wordt ‘Uitleg’ gegeven, waarna in het deel ‘Verkondiging’ vier preken volgen om te laten zien ‘hoe de uitleg in de verkondiging gaat functioneren’ (9).

Omdat de kinderdoop hier en daar betwijfeld en bestreden wordt, is het goed de ‘bijbelse verantwoording’ veelzijdig aan de orde te stellen.

Wijlen prof. Van der Schuit Steide steeds dat de kinderdoop vaster grond biedt dan de volwassendoop omdat de laatste berust op het geloof van de mens, terwijl de eerste de belofte van Gód betekent en verzegelt. Hoewel het beloftekarakter sterker benadrukt had kunnen worden, en ook enkele argumenten sterker onderbouwd hadden kunnen worden (bijv. Col. 2: 11v. - tegenover de zgn. judaïsten - door de doop ‘in Israël ingelijfd’ enz.), dit boekje geeft kort en bondig aan waar het op aankomt.

Dr. T. Brienen en J. Doolaard (red.), Wegwijzer in het veld van de liturgie. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. 116 blz.

Na een publicatie van een ‘Beraadsgroep Catechese’ in 1985 heeft nu een beraadsgroep die zich enkele jaren gewijd heeft aan de bezinning inzake de liturgie, het resultaat van deze bezinning op tafel gelegd. Gelijk bekend is de “gang van zaken” in de kerkdienst, de ‘liturgie’ wel eens een gevoelige kwestie. Weliswaar zal de een er zich niet zo druk om maken als het maar sober en nuchter toegaat, zonder al te veel franje. Maar een ander is gebiologeerd door wat dan “vernieuwing” heet (maar doorgaans niet meer dan ‘verandering’ inhoudt). En weer een ander wil vooral en bòvenal bij het oude blijven (wat vaak alleen maar ‘verstarring’ betekent). Daarom is bezinning in dezen geen overbodige zaak en hebben de negen leden van de ‘beraadsgroep’ alien die met ‘liturgie’ te maken hebben, aan zich verplicht door hun bezinning in elf hoofdstukken beschikbaar te stellen, opdat we - hoe dan ook - verantwoord dienen! Natuurlijk zal niet alles aller instemming verwerven. Wie zou dat verwachten als het over de liturgie gaat? En blijven er vragen. Waarom bijv. niet even geattendeerd op art. 64 sub 2 van de Kerkorde? Waarom wordt van de zinvolle symboliek van het knielen onder het geopende Woord van God bij de handoplegging van een kandidaat geen gewag gemaakt (65v.)? En, speelser vraag: heeft het vreemde Nederlands dat wel eens van de kansel te horen is wanneer de Tien geboden de Tien ‘woorden’ worden genoemd, en de gemeente wordt aangesproken met het aaneenschikkend ‘U en jij/jullie’, een liturgische bedoeling? Een antwoord op deze vraag vond ik niet!

H.W. de Knijff, Tussen woning en woestijn. Milieuzorg als aspect van christelijke cultuur. Uitg. Kok, Kampen 1995. 232 blz. f 34,90.

Laat ik direct zeggen dat ik dit een bijzonder knap boek vind. Het milieuvraagstuk wordt in brede verbanden, met grote kennis van zaken besproken. Theologie en techniek, cultuur en filosofie komen aan de orde, terwijl er ook belangrijke doorkijkjes door de geschiedenis van elk van deze vier terreinen worden geboden.

Deze goede kwaliteiten vragen van de lezer ook een bepaalde prijs. Het is geen eenvoudig boek. Enerzijds zeg ik: Men krijgt veel meer aan informatie en inzicht dan de pretentieloze titel belooft. Anderzijds wordt dit alles in zo’n beknopt bestek samengebracht, dat de lezer er veel zelf bij moet bedenken.

De schrijver komt tot een evenwichtig standpunt, waarin hij de bijbelse gegevens tot hun recht wil laten komen. Vanuit het beeld Gods wordt aangedrongen op zorg voor het milieu, zonder dat het milieu over de mens gaat heersen.

Milieuethiek wordt behandeld als een wijze van wonen. Prachtig is het te lezen hoe de auteur de relatie mens en milieu tekent.

Daarbij komen ook het dier en het landschap als belangrijke factoren ter sprake. Ergens las ik als typering van het standpunt van De Knijff: ‘Gelouterd antropocentrisme.’ Ik zie de schrijver nog iets meer opereren vanuit het theocentrisme. Vandaar dat de mens een verantwoordelijk beheerder moet zijn, die evenzeer bewaart als bewerkt. De mens moet wel de techniek gebruiken, maar er geen slaaf van zijn.

Door het boek heen loopt een pleidooi voor een grote mate van terughoudendheid (zelfs een lichte vorm van ascese), zonder dat men zich het gebruik of het genot van de schepping behoeft te ontzeggen. De mens dient een houding van zorgvuldigheid en respect aan te nemen. Het is boeiend te lezen hoe de schrijver zijn lezers heen en weer doet gaan tussen het wonen in het beloofde land en de vreemdelingschap.

Met de bespreking van thema’s in het alledaagse gebruik (vliegtuig, voedsel, papier, afval, energiegebruik en andere onderwerpen) sluit de schrijver zijn boek.

Ik maak twee kritische opmerkingen: Het is Jammer dat de schrijver nergens ingaat op het werk van prof. Schuurman. Ik meen dat beide auteurs het een en ander gemeen hebben. Vervolgens: de nadruk op de verlossing van waaruit naar de schepping wordt gekeken, doet mij te veel aan Barth denken. Wel meen ik, dat de auteur Barths positie voorzichtig bijstelt.

Het is geen gemakkelijk boek, maar wel zeer verrijkend.

Ds. Ronald da Costa, ds. Tiemen Harder, ds. Jelle van Nijen, Zien en geloven. Overdenkingen met het oog op mensen, hun dromen en visioenen. Uitg. Callenbach, Nijkerk 1995. 60 blz. f 14,95.

De NCRV heeft de drie auteurs gevraagd hun persoonlijke visie te geven op het thema ‘Zien en geloven’ in de radiorubriek Tekst en uitleg. Ds. Da Costa koos als thema ‘Dromen en visioenen’, ds. Harder ‘Omzien naar elkaar’ en ds. Van Nijen ‘Vensterverhalen’. De schriftgedeelten zijn over het algemeen een aanloopje om de auteur zijn visie te doen geven op het thema. Ds. Harder laat van de drie het meest van de tekst doorklinken. Typerend voor deze overdenkingen acht ik woorden als: momentopnamen of impressies.

Dietrich Bonhoeffer, Bidden met de Psalmen (met levensbeschrijving door Eberhard Bethge). Uitg. Groen, Leiden 1995. 56 blz. f 14,95.

Dit is het laatste geschrift dat Bonhoeffer voor de pers heeft klaargemaakt. Het behandelt thema’s uit de Psalmen en gaat in op het leren bidden in de naam van Jezus. De bekende vriend en biograaf van Bonhoeffer, Eberhard Bethge, vertelt iets over het leven en sterven van Bonhoeffer.

Een goed boekje om met Bonhoeffer als gelovige kennis te maken.

Dietrich Bonhoeffer - Maria von Wedemeyer, Bruidsbrieven uit de cel. Verzorgd door Ruth-Alice von Bismarck en Ulrich Kobitz. Met een nawoord van Eberhard Bethge. Uitg. Groen, Leiden 1995. f 39,95.

Bonhoeffer is tijdens zijn tweejarige gevangenschap verloofd geweest. Door zijn executie op 9 april 1945 is hem de mogelijkheid om te trouwen ontnomen. Het verhaal van de verloving is een wonderlijk hoofdstuk in zijn levensgeschiedenis. Hij was bijna twee keer zo oud als zijn verloofde. Haar moeder vond haar te Jong voor de verkering met Bonhoeffer. Hij moest een jaar op haar wachten. Juist toen die beslissing was gevallen, is hij gearresteerd. Deze brieven beschrijven het ontluiken en de groei van hun liefde. Soms voelt de lezer zich een soort gluurder bij de ontwikkeling van deze liefde. Het is geen wonder dat de publicatie van deze brieven vijftig jaar op zich heeft laten wachten. Het is een document van menselijke liefde en van christelijk geduld, soms ongeduld in het wachten op elkaar. Edele karakters en christelijke volharding treft men in deze brieven aan.

Er staan telkens toelichtingen uit de kring van de families en vanuit gebeurtenissen in Duitsland bij. Zo worden de brieven waar nodig verklaard. De laatste honderd bladzijden bevatten een beschrijving van hoe het verder ging met Maria. Eerlijk gezegd hadden die bladzijden ook weggelaten mogen worden. Dat Maria’s twee huwelijken in Amerika strandden, laat de lezer met de vraag achter: Heeft zij door de ervaringen van verloofd te zijn geweest met een man die als verzetsstrijder tegen Hitler gevangen heeft gezeten, een trauma opgelopen?

Belangrijker dan het antwoord op deze vraag is de zuiverheid, de rijping en de reinheid van de liefde tussen deze twee mensen, die door gevangenismuren van elkaar zijn gescheiden. Een kostbaar boek. Voor het lezen moet men een goede gelegenheid zoeken en de tijd nemen.

Dr. C.van der Kooi e.a., Het uitgelezen Boek. Opstellen over de omgang met de Bijbel als het Woord van God. Uitg. Meinema, Zoetermeer 1995. 79 blz. f 19,90.

Dr.Van der Kooi doceert aan de VU dogmatiek, dr. E. Talstra is hoogleraar Oude Testament en dr. J.H. de Wit is docent Oude Testament.

Deze drie medewerkers gaan in op de vraag wat je nog over het gezag van de Bijbel kunt zeggen, nadat het goddelijk gezag ten gunste van menselijk, literair gezag is weggevallen.

De oplossing ligt in een spirituele omgang met de Schrift. Zo krijgt de Bijbel gezag in de beleving en in de ervaring. Meer is er niet te zeggen. De Bijbel is nu eenmaal een menselijk boek. Een lezer kan nog wel geloven dat de Geest er de hand in heeft gehad. Dat geloof wordt de lezer zich dan in de omgang met de Schrift bewust. Dat geloof rust niet op de inhoud van de Schrift. Het groeit met het lezen van het Woord.

Wat daarbij de norm is, is onduidelijk. Wij moeten zelf ons geloof (en, zou ik aanvullen: onze geloofsinventiviteit) meebrengen. Dan zal er wel iets gebeuren tussen de tekst, tussen de lezer van toen en de mens van nu.

De vraag die mij steeds weer bezig hield, is deze: Gelooft men met zo’n theorie nu echt de crisis te kunnen overwinnen? De mens is hier medeschrijver van het Woord. De ondertitel suggereert meer dan de schrijvers ten aanzien van de Bijbel waar willen hebben. Hij is niet het Woord van God. Hij wordt - naar ze hopen - het Woord van God. Wat daarover beslist, is de Geest in samenwerking met onze geest. Jammer, dat er geen duidelijker getuigenis wordt gegeven.

Dr. W.de Greet, ‘De ware uitleg’. Hervormers en hun verklaring van de Bijbel. Uitg. Groen, Leiden 1995. 247 blz. f 34,90.

De schrijver is gepromoveerd op Calvijns bezigzijn met het Oude Testament. Hij heeft een mooi boek geschreven over de herkomst, datering en globale inhoud van de geschritten van Calvijn!

Nu volgt een boek over de bijbelverklaring van de verschillende Reformatoren. De schrijver bespreekt in het eerste hoofdstuk de uitleg van de Bijbel in de tijd vóór de Reformatie (van Origenes, via Thomas naar Nicolaas van Lyra).

Dan volgen onder andere de Confessio Helvetica Posterior, Zwlngli, Bullinger, Capito, Bucer, Melanchton en Calvijn (enkele namen heb ik weggelaten). In het slothoofdstuk treffen we de conclusies aan.

Van iedere auteur uit de tijd van de Reformatie worden de hermeneutische grondregels besproken. Daarna de geschritten met verschijningsdatum, vertalingen en bedoeling van het boek.

Deze laatste gegevens nemen de grootste plaats in. De schrijver weet veel van de bibliografie van de Reformatoren. Hij verwijst ook hier uitvoerig naar literatuur over hun geschritten en (in mindere mate) over hun hermeneutische methode.

Ik vind dit een mooi en rijk boek. Wel moet men voor de stof belangstelling hebben. Als naslagwerk is het onmisbaar voor ieder die iets wil weten over de geschritten van de Reformatoren. We zijn belangstellend naar wat een volgende publicatie van dr. De Greet zal behandelen.

Gerard Dekker, Als het getij verloopt… Opstellen over godsdienst en kerk. Uitg. Ten Have - Baarn 1995. 187 blz. f 39,50.

Herhaaldelijk komen we in verslagen van bijeenkomsten die door christelijke stichtingen of organisames zijn belegd, de naam van dr. G. Dekker als spreker tegen.

Hij is godsdienst-socioloog aan de VU en heeft heel wat gepubliceerd.

In dit boek zijn twaalf voordrachten gebundeld die het thema van het boek behandelen onder vier gezichtspunten:

1. Algemeen;

2. Secularisatie;

3. De betekenis van godsdienst voor kerk en samenleving;

4. Het kerkelijk leven.

Deze indeling is goed gevonden, maar doet niets af aan het feit dat door heel het boek heen de relatie godsdienst, kerk en samenleving behandeld wordt. Het verbaast me enigszins dat het woord samenleving in de (onder)titel ontbreekt. Dat begrip is een wezenlijke component in heel het boek.

Voor de inhoud heb ik waardering, als ik denk aan de overzichten van standpunten en literatuur en aan de informatie die wordt gegeven. Dit boek is - hoewel het merendeel van de opstellen tamelijk populair getoonzet is; dus voor een breed publiek bestemd - een must voor ambtsdragers die willen denken, spreken of schrijven over de relatie godsdienst, kerk en samenleving. In het licht van het bovenstaande wekt het geen verbazing dat er nogal wat (mijns inziens te veel) herhalingen in voorkomen.

Ondanks mijn waardering blijf ik met een probleem zitten. De schrijver tekent de veranderingen die godsdienst en kerk in onze samenleving (en vanuit die samenleving) hebben ondergaan. Hij acht die veranderingen onontkoombaar en niet terug te draaien, als de kerk bij de tijd wil blijven. Tegelijkertijd zijn die veranderingen een teken van de secularisatie. Ze bevorderen tevens de secularisatie.

Hoe moeten we het advies van de auteur dan verstaan. Ik weet niet of ik hem goed begrijp. Mijn indruk is deze: je moet meedoen en meegaan, maar niet al te snel. Of biedt de onderscheiding kern en vormgeving (aankleding) een oplossing? Maar ziet de auteur dan niet, dat met de vormgeving de kern van het christelijk geloof in de beschreven veranderingen zelf ook wordt aangetast?

Hoe zullen we iets overhouden dat onopgeefbaar is? Ik zie niet dat dit boek op die vraag een antwoord geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.