+ Meer informatie

Naarde katechisatie

6 minuten leestijd

DE WET DES HEEREN

Vijfde gebod (3)

Zeer voornaam en verantwoordelijk is de taak van de ouders ten opzichte van de opvoeding van hun kinderen, waarbij de school ook zulk een belangrijk deel van die opvoeding te verwerken heeft door haar onderwijs. Het „leer de jongen de eerste beginselen naar de eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken” volgens Spr. 22 :6, is van zulk een gewichtvolle betekenis en waarde. Wie dit op het hart gebonden is, zal moeten belijden met zulk een tekort en schuld uit te komen. Dat brenge tot gebed en smeking voor de Heere om Zijn wijsheid en genade te ontvangen. Dit vooral ook bij het bestraffen en straffen van onze kinderen. Wat wordt in het algemeen in deze tijd toch zoveel door de ouders toegegeven, wat naar Gods Woord beslist niet mag, bijvoorbeeld ten opzichte van de wereldgelijkvormigheir, in gezin en kerk. Van zulk een hoog belang is dat de ouders één zullen zijn in de vaste grondslagen van de waarheid Gods zoals o.m. de verloren en verdorven staat van de mens, de noodzakelijkheid van wedergeboorte en bekering, de behoudenis alleen door de volkomen gerechtigheid van Christus, de verzoening door voldoening aan al Gods geschonden deugden, in de weg des geloofs gekend en ervaren, een wandel in de vreze des Heeren.

De vader blijve „hoofd” van het gezin en de moeder wete haar plaats en haar taak, niet slaafs, maar dienend om samen het welzijn van het gezin te zoeken. Wanneer de ouders maar iedere avond weg gaan, ach, wat komt er van zulk een gezin terecht? En wanneer de vrouw naar de moderne levensbeschouwing gelijke rechten als de man wil hebben en dat wil laten uitkomen in haar levensstijl zoals o.a. haar kleding, hoe kan dàn de rechte christelijke sfeer er zijn? En als we daarbij denken aan gezinnen, waar de televisie als onmisbaar wordt beschouwd om met z’n tijd mee te kunnen gaan, waar blijft dan de gezegende invloed, die er uit kan gaan van een opvoeding en voorgaan in de „goede leer”? Ik weet wel, dat we niet klaar zijn met ’t: dàt mag niet en dat is zonde enz. We moeten onze kinderen ook op eenvoudige wijze trachten duidelijk te maken waaróm dit of dat niet mag, ook Zondags niet. Zitten de ouders daar zelf mee om ’t duidelijk te verklaren, wel, dan vrage men b.v. daarover aan de schrijver in ons blad, Ds. van der Ent, die zijn artikelen voor de jeugd op zo smoutige, maar vooral gedegen wijze ten beste geeft. Zulks lijkt ons geschikte stof te zijn voor de behandeling van zijn onderwerpen. Mogen we belanghebbenden even deze tip geven?

Veel zou er ten opzichte van de houding der ouders tegenover hun kinderen nog te zeggen zijn, maar dan zou het mogelijk wat al te breedvoerig worden. Daarom nu iets over de houding van de kinderen tegenover hun ouders betreffende het vijfde gebod, o.a. over de verklaring van onze Heidelberger in Zondag 39 „en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe.”

Helaas is het begrip „gehoorzaamheid” in onze tijd een ouderwets idee geworden. Kinderen durven rustig tegen hun ouders te zeggen: dat zal ik zelf wel uitmaken, wat ik doen zal. De oude Rehabeam’s geest openbaart zich bij velen: niet meer luisteren naar de raad van de „ouderen”, maar naar die van de jongeren, want de ouders zijn veelal voor de kinderen te ouderwets, zij gaan niet met hun tijd mee, alsof de beginselen van Gods Woord en Wet „tijdgebonden” zijn. Men wil, dat deze beginselen dienen AANGEPAST te worden aan de moderne opvattingen en theorieën, vanzelf dus naar de smaak van de mens. En dat is voor velen zelfs nog „christelijk gereformeerd” ook. We hoorden vertellen, dat uit één van onze gemeenten de predikant tegen de katechisanten moet gezegd hebben: we laten de katechisatie wat vroeger uitgaan, want. . . Ajax komt voor de televisie. Wanneer dit zo gezegd is, dan wrijf je de ogen uit. Hoe kan zulks bestaan?

De moderne opvatting ik ook, dat onze jeugd meer „medezeggenschap” moet hebben, op maatschappelijk, politiek en zelfs kerkelijk gebied. Wat vooral de eerste terreinen betreft, zijn de „studenten- opstanden” daarvan wel een duidelijk bewijs. Maar ook dringt al meer de gewoonte door, zelfs in onze afgescheiden kerken, dat de jeugd betrokken wordt bij de handelingen in onze erediensten, vooral op de feestdagen van het kerkelijk jaar. Men wil nog niet direct spreken van „jeugddiensten”, maar in wezen lijkt ’t er toch al veel op.

Wil dit zeggen, dat onze jeugd er dan helemaal niet bij behoort? Volstrekt niet! Zeer zeker is het noodzakelijk, dat in de prediking onze jeugdigen worden aangesproken, bewogen - vermanend, nodigend. Vader Hellenbroek zegt ’t in zijn vraagboekje in de les over het „Genadeverbond” zo treffend: God nadert eerst tot hem (de zondaar) als Hij de zondaar vriendelijk nodigt en bidt, waarbij gewezen wordt naar II Kor. 5 20: „Zo zijn wij dan gezanten van Christus’ wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus’ wege, laat u met God verzoenen.”

„Met behoorlijke gehoorzaamheid”.

Hiermee werd bedoeld, dat onze kinderen hun ouders en wij hen die over ons gesteld zijn, alleen dàn gehoorzaamheid verschuldigd zijn, wanneer niet iets gevraagd wordt, wat tégen Gods wil en Woord is. Dan hebben we Gode meer gehoorzaam te zijn dan de mensen.

Onze kinderen hebben ook naar de verklaring van onze Heidelberger „alle eer, liefde en trouw” te bewijzen aan de ouders en aan hen, die over hen gesteld zijn.

Salomo deed zijn moeder zitten aan zijn rechterhand. Iemand, die onze meerdere is, laten wij b.v. lopen aan onze rechterhand.

Het strijdt ook tegen „alle eer en liefde bewijzen”, wanneer kinderen over hun ouders spreken als hun „ouwelui”. Naar de moderne opvattingen is zulk een opmerking al te kinderachtig en onzin.

Ook „alle trouw bewijzen” verdient onze aandacht.

De Katechismus spreekt over „en ook met hunne zwakheid en gebreken geduld hebbe”.

Inderdaad hebben onze ouders ook hun zwakheden en gebreken. Daarmede moeten hun kinderen rekening houden. Er zijn dingen, waarbij de ouders het verkeerd zien of ongelijk hebben. Dan mag een kind met alle liefde hen hierop wijzen, maar wanneer die ouders toch menen gelijk te hebben, dan dienen de kinderen te zwijgen en zich te onderwerpen, mits het niet gaat over dingen, die tegen Gods Woord zijn.

Ook wanneer kinderen zélf een oudere leeftijd heben bereikt, hebben zij hun ouders te blijven eren en hen trouw te blijven zijn. Het gebeurt immers helaas, dat ouders, die een hogere leeftijd hebben, vaak niet geteld worden, of veronachtzaamd worden. Het „met hunne zwakheid en gebreken geduld hebben” laat nog wel vaak te wensen over.

Zo zouden er wel meer dingen te noemen zijn, maar we willen hierbij het laten en in een volgende les bezien hoe onze houding moet zijn tegenover de overheid en haar gezag.

Wie zijn EIGEN zwakheden en gebreken, ja, zijn zonde leert zien bij Geesteslicht, zal met de dichter van psalm 25 van harte belijden:


„Sla de zonden nimmer ga,
die mijn jonkheid heeft bedreven;
Denk aan mij toch in gena,
om Uw goedheid d’eer te geven”.

E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.