+ Meer informatie

PASTOR EN KERKJEUGD

9 minuten leestijd

De pastor

We zouden de woorden in de titel ook kunnen omkeren. Sommige lezers zouden dat wellicht aardiger vinden naar de jeugd toe. Ik zou met de kerkjeugd voorop in de titel geen moeite hebben.

Toch laat ik het staan zoals het er staat. Dit artikel richt zich vooral tot de pastor. Ik bedoel er allereerst de predikanten mee. De lezer mag er ook de jeugdouderling in aangesproken weten en allen die ambtelijke zorg voor de kerkjeugd hebben.

Drie punten wil ik graag aan de lezer voorleggen met het oog op zijn contact met de kerkjeugd. Ze zijn onmisbaar om vooral de jeugd pastor te zijn. Ze klinken vanzelfsprekend, maar zijn niet vanzelfsprekend.

Liefde

Een pastor kan zijn werk niet doen zonder liefde voor de jeugd. Dat is niet hetzelfde als de jeugd lief vinden. Kerkjeugd is niet altijd lief voor de pastor; soms zelfs helemaal niet. Liefde van de pastor betekent: ze een plaats in je hart en in je gebed geven; van hen houden als schapen van de kudde voor wie de pastor evenzeer zorg en verantwoordelijkheid heeft als voor de ouderen.

Liefde uit zich in belangstelling, meeleven en interesse. Dit laatste woord komt uit het Latijn. Het betekent letterlijk: tussen hen zijn, onder hen verkeren. Dat heeft een fysiek en een psychisch aspect. De pastor moet met ze omgaan en soms letterlijk met hen meegaan. Zelfs naar verafgelegen plaatsen.

Ik hoorde enige tijd geleden van een jongeman die chauffeur was geworden op het Europese wegennet. Hij zei tegen zijn dominee: U weet niet wat ik allemaal in de vrachtwagen en daarbuiten op stopplaatsen beleef. De dominee ging enkele dagen mee. De jongeman heeft hem het chauffeursleven van alle kanten en tot in alle hoeken laten zien. Weer terug bij de garage zei de dominee: Je hebt gelijk. Ik had er geen idee van. Als ik je nu in de kerk zie zitten weet ik waar jij door de week zit (en rijdt).

Ik had er geen idee van. Geldt dat van meer pastores in relatie tot hun kerkjeugd? Laat hen wat vertellen. Stel gerichte vragen en vooral: laten ze voor de dag komen met wat hun christen-zijn belaagt.

Interesse: onder hen verkeren, met de belangstelling van uw hart, meedoen, soms letterlijk meegaan, er bij zijn - voorzover mogelijk - in hun problemen.

Toen wij in Malawi waren (mijn vrouw en ik) zei een zwarte dominee bij zijn dankwoord in een kerkdienst: uw gastvrouw (een verpleegkundige afkomstig uit onze Kerken), is één van ons. Dat woord heeft ons diep getroffen. We hebben het vaak herhaald -in het vliegtuig op weg naar huis, en als we in Nederland van die ervaring vertelden. Ze is één van ons - en dat in de armoede van dat derdewereldland, zonder de weelde en de welvaart van het westen.

Kan de kerkjeugd dat ook van de pastor zeggen: hij is één van ons? Dat zal alleen het geval zijn, als hij liefdevolle interesse betoont.

Schrik niet en sla niet

Jonge mensen zijn soms hard en gebruiken woorden, waarvan wij (zeker als pastores) schrikken. Ze zijn scherp in hun kritiek, onbillijk in hun verwijten. Ze zeggen woorden, die in een kerkelijke context geen pas geven.

Hoe reageren wij dan? De twee woorden in het kopje zijn beslissend. Schrik niet. Laat u niet uit het veld slaan. Zelfs al zoudt u in uw hart bedroefd zijn over zulke taal, houd dat verdriet nog een poosje in uw hart. Geef er geen lucht aan.

Jonge mensen testen graag of ons geloof het houdt, als er tegen geslagen wordt; of onze liefde bestand is tegen zure kritiek, zelfs onbillijke kritiek en of onze hoop een stootje kan hebben als iemand van de kerkjeugd zegt ‘dat er na de dood niets meer is’. Soms geven ze in zulke woorden uitdrukking aan hun eigen vertwijfeling. Dan hopen ze op een hand, die hun als een reddingsboei wordt toegestoken.

Of ze proberen het uit. Als geloof, liefde of hoop van de pastor omvallen, door een storm van kritiek, stellen ze niet veel voor. Dan zijn ze niet echt verworteld.

Juist deze week zette ik op weg naar een kerkdienst mijn auto op een parkeerplaats langs een weg in een polderlandschap. Er stond een rij bomen. De takken zwiepten (bladeren waren er nauwelijks meer te zien). De wind gierde om de bomen en de auto. Terwijl ik mijn preek in keek en me op het gebed met de gemeente voorbereidde, dacht ik: Er moest toch eens een van deze bomen omwaaien en op de auto vallen. De bomen weerstonden de storm en bleven staan, en ik kon verder - niet zonder een dankgebed. Is uw geloof als pastor diep genoeg verworteld om de storm van kritiek te kunnen weerstaan? Ik weet dat jonge mensen onbillijk kunnen zijn. Maar geworteld in Jezus Christus zul je van die kritiek niet omvallen.

Daarom: schrik niet en sla niet terug. Dat moet ook gezegd worden: we zijn geneigd terug te slaan. Als de ander al niet knock-out is, dan willen we toch op punten winnen.

Wie zo wint, heeft de ziel van de kerkjeugd verloren. Die moet juist behouden worden; gewonnen worden voor en getrokken worden door de liefde van Christus. Als dat heeft plaatsgevonden, kan de pastor nog wel eens spreken over het onbillijke in de kritiek. Vaak is dat niet eens meer nodig. Het meisje of de jongen ziet het zelf wel in - en schaamt zich erover; of dat uitgesproken wordt of niet.

Sla niet, maar geef de hand om de ander naar Jezus te leiden. Waar de ander zo hard is in praten en doen, is liefde die tot Jezus zoekt te leiden een middel met onvoorstelbare kracht. Het is namelijk precies het omgekeerde van wat de ander verwacht.

Laat de pastor in de stilte van zijn persoonlijk gebed zijn teleurstelling en frustraties aan God kwijt mogen raken. Daar hoeft de kerkjeugd op dat moment niets van te weten; misschien later wel.

Wees eerlijk

Ik bedoel dat naar verschillende kanten. Praat niet wit wat zwart is. Vergoelijk zonden van kerkmensen niet. Hoogstens kan de pastor zeggen: er zit ook een andere kant aan. Dat mag nooit dienen om de zonde weg te poetsen. Die verdwijnt alleen door vergeving, doordat Jezus ze van ons afneemt.

Wees eerlijk als u het niet weet of als u het verkeerd hebt gedaan. Elke pastor komt wel eens voor een vraag te staan waarop hij het antwoord niet weet. Beter geen antwoord, dan een antwoord dat achteraf onjuist of zelfs een leugen blijkt te zijn. Zeg eerlijk dat u verder zoeken (studeren) moet; of dat u een ander wilt raadplegen; of verwijs naar een ander.

Wees eerlijk, ook bij conflicten van jongeren met hun ouders of een ouderling. Als ze gelijk hebben, moet u hen geen ongelijk geven. Dat is hun onrecht doen. Hen gelijk geven wil nog niet zeggen de ander (andere partij) afkraken.

Wees eerlijk met het oog op zonden en de eeuwigheid. Wie in de zonde leeft kan niet zalig worden. We bedenken wel: God haat de zonde, maar zegt dat Hij zondaren liefheeft.

Verbloem niet de ernst van verloren gaan. Wel moeten we het juiste moment zoeken, om dat de kerkjeugd onder ogen te brengen.

Er zijn voor een pastor zo veel verzoekingen om in woorden oneerlijk te zijn, om te draaien en de zwakste partij in de kou te laten staan. De pastor mag met het oog hierop wel bidden: Leid mij niet in verzoeking en bewaar mij in de verzoeking.

Identificatiefiguur

Dat woord wordt in het onderwijs vaak gebruikt. Ik pas het ook toe op het pastoraat. Ik wijs vooral op de navolging van Christus (1 Petrus 2:21-24). Kan de kerkjeugd zich aan de pastor optrekken? Zien ze in hem het beeld van de Here Jezus Christus?

Wie hierover nog iets meer wil lezen, moge ik verwijzen naar een passage in de bundel van mijn hand: ‘Door het Woord bewogen’, blz. 66-68. Dat opstel is geschreven voor het onderwijs. Het is ook te gebruiken in het pastoraat.

Tenslotte

Pastor en kerkjeugd wil zeggen: de herder en de jonge schapen. Mogen onze predikanten en ouderlingen trouwe en betrouwbare herders zijn in dienst van de grote Opperherder, Jezus Christus.

Prof. dr. W.H. Velema is emeritus hoogleraar ethiek en ambtelijke vakken te Apeldoorn.

Vragen voor een gesprek van ambtsdragers onderling, van gemeenteleden onderling, of van ambtsdragers en gemeenteleden.

Men kan de vragen in elke gewenst volgorde bespreken.

1. Hoe kunnen ambtsdragers inwerken op een goede relatie tussen ouders en kinderen?

2. Moeten zij zich mengen in gezinsmoeilijkheden, als ze door jongeren daarvan horen?

Wat is eventueel de grond daarvoor en hoe moeten ze dat doen?

3. Op welke leeftijd van jongeren denkt u dat ambtsdragers met hen moeten spreken, zonder dat ze de ouders daarvan vooraf in kennis stellen?

Of vindt u dat de ouders altijd van zo’n gesprek op de hoogte moeten zijn?

4. Hebt u de indruk dat de gezinnen veel te lijden hebben van invloed van de wereld? Waaraan herkent u die invloed?

5. Wat kunnen ambtsdragers daar tegen doen?

Gaat uw voorkeur uit naar de prediking of naar catechese of naar pastoraat om die invloed te weren? (Zie ook vraag 7).

6. Vindt u uw gemeente een thuis voor de kerkjeugd?

Waarin onderscheidt de sfeer in de gemeente zich dan van die in de wereld? (Vraag 8 is een vervolg van deze vraag).

7. Wat doet u zelf om de jongeren zelf weerbaar te maken tegen de geest van de tijd? (Deze vraag kan eventueel samen met die onder 5 besproken worden).

8. Hoe denkt u het geestelijk klimaat in uw gemeente te kunnen verbeteren?

9. Wat doet u concreet om jongeren te betrekken bij het gemeentelijk leven?

Hoe maakt u van hun gaven en diensten gebruik?

10. Hebt u iets gemist in het artikel over Pastor en kerkjeugd?

11. Hoe tracht u voor de jeugd een identificatiefiguur te zijn?

12. Ervaart u het optreden van jonge mensen als een verzoeking om boos te worden en tegen hen uit te vallen?

Hoe wapent u zich als pastor tegen die verzoeking?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.