+ Meer informatie

„MIDDENKADER” IN DE KERK

9 minuten leestijd

De term „middenkader” is waarschijnlijk uit het bedrijfsleven - mogelijk zelfs uit het militaire bedrijf - overgewaaid naar het kerkelijk taalgebruik. Een enigszins omvang-rijk bedrijf kent tussen de mensen die de leiding hebben, de directie,en het personeel het zogenaamde „middenkader” dat op bepaalde gebieden en binnen bepaalde grenzen òòk leiding geeft en verantwoordelijkheid draagt, maar perse niet de directie voert over het bedrijf. In de bedrijfshiërarchie neemt dat „middenkader” een tussenpositie in, voor het geheel erg belangrijk, hoewel niet altijd te benijden. Men beweert wel dat de blijkbaar oermenselijke zucht naar rangen en standen - waaraan in vroeger eeuwen de adel het bestaan te danken had - zich in deze bedrijfshiërarchie volkomen kan uitle-ven, tot in de maten en merken van de auto’s toe! Dat de opleiding om een midden-kader-functie te vervullen afgestemd is op de tussenpositie die men in het geheel in-neemt, spreekt voor zich zelf.

Wanneer met het woord ook de gevoelswaarde zoals die hier geschetst is, naar het ker-kelijke „bedrijf” zou verhuizen en over kerkelijk „middenkader” zò gedacht en ge-sproken zou worden, dan lijkt me dat op z’n minst bedenkelijk en zeker niet in over-eenstemming met de gereformeerde visie op kerk en ambt. In een min of meer hiërarchisch kerksysteem zal er niet zoveel bezwaar tegen zijn, maar het gereformeerde kerk-recht kan en wil niet van rangen en standen in de kerk weten: Eén is uw Meester en gij zijt alien broeders (Matt. 23 : 8). Dat de zo juist genoemde oermenselijke zucht gereformeerde mensen overigens vreemd zou zijn, zal niemand durven beweren. Het 22ste vers van Efeze 5 werd en wordt doorgaans heel wat vaardiger en vlotter door hen geci-teerd dan het 21ste vers; weest elkander onderdanig in de vreze van Christus! In hierarchisch besmet denken möge het gebruik van het woord „middenkader” dan niet zoveel weerstand oproepen, waar gewaakt wordt tegen het gevaar dat ambt tot „status” van „geestelijkheid” in de kerk wordt - o.i. „verwordt” - daar zal in elk geval de no-dige voorzichtigheid ten aanzien van dit nieuwe woord betracht worden. Zoals - onge-veer in dezelfde lijn - ook het gebruik van het woord „kerkelijke leiders” dat door sommigen met zeldzaam gemak wordt gehanteerd (en dan graag in het Engels: church-leaders), toch op z’n minst van vraagtekens voorzien dient te worden.

Verba valent usu, zeiden de Romeinen. Door het gebruik kunnen woorden een goede dan wel een kwade betekenis krijgen. Woorden als wijf, onnozel, siecht in Statenver-taling en -berijming betekenen nu, een paar eeuwen nadien, heel iets anders dan toen. Zo kan ook het woord „middenkader” z’n kwade klank verliezen. Natuurlijk willen we daarmee niet beweren dat dat woord altijd en overal een kwade inhoud heeft. Laat het in elk ander bedrijf terecht gebruikt worden, als we maar waken dat geen hiërarchische smet het kerkelijk bedrijf infecteert! Immuum zijn kerkmensen - vooral als ze ergens in de buurt van het kerkelijk-leider-zijn verkeren - zeker niet. Daarom juist dienen we nuchter te zijn en te waken!

Intussen, de zaak die wordt aangeduid, heeft zich de laatste jaren met dit woord onder ons aangediend. Als ik me niet vergis, dan is de zaak onder deze naam vooral naar voren gekomen door de activiteiten van de zogenaamde Bijbelscholen. Hoewel elders reeds langer bekend, zijn de Bijbelscholen vooral na de Tweede Wereldoorlog in ons land opgekomen. Enkele jaren geleden is er in ons blad aandacht aan geschonken (A.C. jrg. 15 blz. 92 vlg.). Er is toen het een en ander verteld over de opzet en de werk-methode van de Bijbelscholen, met name over die van de Reformatorische Bijbelschool te Zeist, die wat de signatuur en de samenstelling van het bestuur betreft het dichtst bij ons staat. Het Nederlands Bijbelinstituut te Bilthoven kan daarnaast nog genoemd worden, dat zich in de loop van de jaren steeds sterker op de kerken oriënteerde. En dan is bovendien the Reformed Bible College te Grand Rapids binnen onze horizon gekomen waar mej. Mary Overduin momenteel studeert die na enkele jaren vrouwenwerk te Sibasa zich aan die Bijbelschool prepareert voor het pastorale werk dat zij in het Siloam-ziekenhuis hoopt te verrichten. Zij die aan een Bijbelschool studeren, volgen een - wat men dan noemt - „middelbare” theologische opleiding vergeleken met de „hogere” opleiding die aan universiteit of hogeschool wordt gevolgd. Dat heeft bepaal-de consequenties. De overheid bijvoorbeeld honoreert deze middelbare opleiding door aan de afgestudeerden ervan een derdegraads onderwijsbevoegdheid toe te kennen. En afgedacht van allerlei pinksterachtige geloofsgemeenschappen, bij wie de ambtsvraag niet of nauwelijks speelt, is er geen kerk (overigens niet minder een gelòòfsgemeen-schap!) die het ambt van predikant voor deze afgestudeerden open stelt. Wanneer een kerkelijke aanstelling hun deel wordt, dan gaat het om catechetisch onderwijs, jeugd-werk, evangelisatie, pastoraal en sociaal werk enz. Wie het ambt van predikant ambieert wordt verwezen naar universiteit of theologische hogeschool. De meeste Bijbel-scholen richten zich doelbewust op de toerusting en opleiding van „middenkader”.

Toch schijnt er - zij het misschien niet zo zeer in onze kerken - een zekere druk te zijn om op de een of andere wijze de weg naar de kansel te openen voor de afgestu-deerden van de Bijbelscholen. Onlangs circuleerden in de pers berichten dat in andere kerken gedacht werd aan het aldus opgeleide „middenkader” ter vervulling van anders onvervulbare vacatures. „Middenkader” is nu eenmaal goedkoper dan academisch ge-vormd kader! Bovendien zou de „spiritualiteit” van Bijbelschool-kandidaten meestal dichter bij die van de gemeente staan dan de geestelijke instelling van de doorsnee universiteitskandidaten, zodat zelfs in grotere gemeenten, die wel een academische kracht kunnen betalen, een zekere voorkeur naar Bijbelschoolmensen zou uitgaan! Hoe dit ook moge zijn, in de buurt van „middenkader” in de gelaakte zin komt het dan wel!

Op zich zelf is de zààk niet nieuw. Ook al kent onze kerkorde geen andere kerkewer-kers dan de ambtsdragers ni. de predikanten, ouderlingen en diakenen, toch fungeer-den in de kerken van de Reformatie catachiseermeesters, ziekentroosters, evangelisten, oefenaars, lerende ouderlingen enz. Niet altijd en niet overal, maar ze waren er en werkten in de gemeente zij het met een meer door gewoonterecht dan door kerkrecht bepaalde opdracht. Het is bekend dat met name in cruciale momenten van de kerk-geschiedenis - denk aan 1834 en aan 1892 - vele oefenaars de kerken hebben ge-diend. Maar het is ook bekend dat zodra de kansel in het zieht kwam, de kerken in art. 3 van de Kerkorde regels afgesproken hebben nl. dat een „stichtelijk woord” alleen gesproken mag worden met voorkennis en toestemming van de classis. Het is voorts geen onbekende zaak dat zowel in de dagen van de Afscheiding als na ’92 velen de weg van art. 3 naar art. 8 gevonden hebben, van oefenaar predikant zijn geworden. Wie echter de betogen bijv. van docent Van Lingen in de synodale acta leest inzake „leken-arbeid” en de toelating tot de kansel volgens art. 8, die beseft ook dat niet zonder reden gewaarschuwd werd tegen een „goedkope” weg om predikant te worden: de kerk mag geen „asyl van onwetendheid” worden! Evenmin als het door de Bijbelscholen toegeleverde „middenkader” een „goedkope” weg mag zijn om een prediker te krijgen die tegen lager salaris ook de rest van het predikantenwerk opknapt!

Of er dan geen plaats is voor „middenkader” (in de goede zin van het woord)? Zo om-zichtig en voorzichtig de kerken van de Reformatie zijn geweest als het gaat om de toe-lating tot de dienst van het Woord en van de sacramenten - zelfs dus als het spreken van een „stichtelijk woord” in het geding is -, zo ruim en coulant hebben zij zich opgesteld ten opzichte van het andere werk van een predikant. Of het nu ging om catechisaties, of om ziekenbezoek, om het leiden van kerkeraadsvergaderingen of om het voorgaan bij begrafenissen,de„mede-oudste”,de ouderlingmocht deze arbeid vol-waardig in de gemeente verrichten, zonder speciale, laat staan middelbare opleiding. Wie herinnert zich niet charismatisch begaafde ambtsdragers in wier schaduw menig „hoger” opgeleide niet kon staan! Ook onder het „preeklezen” wordt de gemeen-schap der heiligen beoefend en zegen ontvangen!

En hoe groot is dan de stap naar het „ambt der gelovigen”? Wie aan het bijzondere ambt een aparte „status” toekent en dan met name - of exclusief? - aan het predi-kantenambt, zal hier van een scherpe scheiding willen spreken. Toch geloof ik dat we die kant niet op moeten. Ambt is allereerst roeping, opdracht tot dienst en dienstbe-toon. Een roeping, een opdracht die van Godswege komt. Het „mitsdien door God” -door middel van die nl. van die gemeente - tot de dienst geroepen worden belijden we nog steeds bij de bevestiging van ambtsdragers. En bij de selectie van het admissie-examen is „roeping” nog steeds een belangrijke factor, waarin gepoogd wordt iets van dat „mitsdien” te honoreren. Wanneer dan de gemeente via de kerkeraad in het „ka-der” van het ambt der gelovigen opdracht tot kerkewerk geeft en de betrokkene ten diepste weet daartoe „mitsdien” door God, de grote Ambtsgever geroepen te zijn, dan kan de opdracht variëren, maar buiten het ambt staat die dan niet. Of een pastorale medewerker, jeugdleider, catecheet of een zendingsarts (aan wie in dit verband óók gedacht kan worden) dan in het bijzondere ambt gesteld wordt of niet, is eigenlijk een secundaire zaak. Het bijzondere ambt geeft geen bijzondere status, stelt alleen in bijzondere verantwoordelijkheid van het leidend dienen en dienend leiden van de gemeente van Christus.

En gedachtig aan de waarschuwingen van Van Lingen kunnen we het alleen maar toe-juichen dat de Bijbelscholen zich beijveren hen die tot dit dienstbetoon geroepen worden, behoorlijk toe te rusten, te vormen, op te leiden. De geinstitutionaliseerde oplei-dingen van thans bieden meer waarborg inzake behoorlijkheid en degelijkheid dan de privé opleidingen van vroeger - de goede niet te na gesproken. Hoe complexer de sa-menleving wordt hoe gecomplieeerder ook het gemeentelijke leven wordt. Wanneer uit de gemeente krachten zich kunnen inzetten, soms voltijds, meestal deeltijds, die met en naast de predikanten, ouderlingen en diakenen geestelijke leiding kunnen ge-ven, krachten die deskundigheid paren aan vroomheid, dan kan dat de gemeente alleen maar ten goede komen om een zoutend zout en een lichtend licht te zijn, een stad die ook in dèze tijd „op een berg ligt” en daarom niet verborgen kàn blijven.

Of er dan, voortbouwend op art. 3 van de Kerkorde, kerkverbandelijk afspraken ge-maakt moeten worden voor het werk dat - eventueel „voltijds” - naast en met predikanten, ouderlingen en diakenen in de gemeente en voor de gemeente wordt gedaan? Wie de gangbare instructies ten dezen onder ons, waarover onlangs in ons blad werd gei’nformeerd (A.C. jrg. 20, blz. 672), vanuit deze vraagstelling heeft bekeken, zal m.i. meer stof tot gesprek dan Stimulans tot kerkordelijke afspraken hebben ontdekt. Maar gesprek kan altijd tot afspraak leiden! In elk geval dienen willekeur en rechtsongelijk-heid naar vermogen te worden vermeden.

De vraag naar de kerkelijke relatie met de Bijbelscholen, vooral van gereformeerde sig-natuur, blijft overigens nog onbeantwoord. Of de Bijbelscholen zèlf deze vraag expli-ciet stellen, hetzij aan zichzelf, hetzij aan de kerken?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.