+ Meer informatie

HUISBEZOEK AAN RANDKERKELIJKEN

9 minuten leestijd

Een telefoontje naar de pastorie…

Het is een broeder „van over vèr”: „Dominee, hoort u eens; ik heb een dochter in Winschoten wonen… Sinds haar huwelijk komt ze niet meer in de kerk… Ik dacht bij mezelf: laat ik de dominee daar eens opbellen… Misschien wil hij wel gaan praten… En… wie weet…”

„Zeker, dat wil ik doen. Maar kunt u me misschien een paar dingen vertellen; dan heb ik wat aanknopingspunten…!”

Dan vertelt deze broeder wat z’n schoonzoon „doet voor de kost” (opmerkelijk eigenlijk, hoe dikwijls dàt voorop komt!); dat ze „in geen kerk of klooster komen”.

„En hoe oud is uw dochter…?”

„Ze is vijfenvijftig…!”

Rand-kerkelijk of buiten-kerkelijk…? Ik vraag maar…

Wanneer je dan telefonisch contact zoekt met de betrokkene, heet het; „Maar ik gelóóf wel! Natuurlijk…!”

Hoe het ook zij: Je hebt weer ergens een open deur!

„Zaai het Evangelie” — dat is de taak waaraan je gehouden bent. En wat de contacten zullen „uithalen” — we mogen het aan de Here overlaten!

Veelvuldiger zijn de namen van gemeente-leden die afglijden naar de rand van de kerk.

Eigen kerkleden dus, die soms indertijd belijdenis des geloofs hebben afgelegd, maar die zijn vervreemd, en zelfs in bepaalde gevallen „buiten de boot gevallen” (om het wat „werelds” uit te drukken). Die namen zullen -als het goed is- regelmatig over de kerke-raadstafel gaan. Immers, deTUCHT, diewe toch willen handhaven, is niet: het een duw na geven van hen, die van het kerkelijk leven vervreemden, maar juist het (be)trèkken van hen bij Christus en Zijn dienst!

Maar moeilijk en moeizaam is het wèl!

Soms reikt onze kennis niet verder dan de gegevens uit de kaartenbak. „Je ziet ze nergens” wordt er verzucht. „Sinds hij of zij trouwde met iemand uit de „wereld” is het niks meer”.

Ja, en dan kost het een hele zelf-overwinning om er als predikant of ouderling op af te stappen. Hòe moet je „daar” nou op huisbezoek…?!

— Wat is: randkerkelijk?

Zo gemákkelijk als iedere ambtsdrager voorbeelden zou kunnen noemen in (misschien) z’n eigen wijk of z’n gemeente, en zo brééd als de variatie van ervaringen is, zo mòeilijk is het om een exacte definitie te geven.

Het gaat immers om de levende méns. Met ieder zijn eigen geschiedenis: zijn eigen verhaal. Er wordt verteld van de rol die kerk en geloof speelden in het ouderlijk gezin; van het dwangmatige soms en de reactie daarop; van ervaringen met voor- en tegenspoed en de vragen en twijfels, die daarvan het resultaat waren.

Wie weet te luisteren (en dat mag toch van een ambtsdrager worden verwacht!), die ontdekt hoe verschillend randkerkelijken kunnen zijn. En ook, dat je lang niet altijd kunt zeggen, dat zo iemand het geloof heeft afgezworen! Zeker, het gezegde van de vrouw uit het eerste voorbeeld bewijst nog niets, maar inhoudelijke gesprekken kunnen bepaald wel de indruk versterken: Hier is contact met God, al wordt het niet „gevoed” door de kerkelijke Woord-verkondiging. Sommigen zijn toch echt wel door mede-christenen weggeschopt!

Al evenmin is er per definitie altijd sprake van onverschilligheid. Soms kunnen mensen (bijv. door hun werk) dermate midden in het leven te staan, in engagement, dat — naar hun gedachte — de kerk zelf opschuift naar de rand. Het „klikt” niet meer; er vallen harde verwijtende woorden en… men raakt steeds meer afzijdig.

Randkerkelijken -daarbij gaat het om mensen die zelden of nooit in de kerk komen; weinig of niets bijdragen en zich amper of in het geheel niet meer storen aan het gemeentelijke leven. Maar mèt de aantekening, dat het hier gestelde gecompliceerd wordt gemaakt door het feit, dat er ook zijn, die wèl twee maal per zondag naar de kerk komen, maar die bij door-de-weekse activiteiten verstek laten gaan; kerkgangers die weinig bijdragen of aan kringwerk of verenigingsleven niet deelnemen. Louter: consumptief.

Randkerkelijk heeft te maken met het van binnenuit opschuiven naar de rand. Ze zijn bijv. zelf gedoopt, als kind, of hun ouders zijn hen vroeger voorgegaan op een weg van geloof en kerk. Dit in tegenstelling tot hen, die „uit de wereld komen” en bij wie je geen basis-kennis mag veronderstellen.

— Hoe te benaderen en te bereiken?

Dat het belangrijk is, goed te luisteren, lijkt heel cliché-matig, maar het moet met alle nadruk gezegd. Want tegenover kritiek (en die kan er zeker komen, en niet mals ook!) moet men niet een opstelling zoeken in het defensief. Of in de discussie.

Goed luisteren zal boven tafel brengen of het de levensgang betreft van een individu (eventueel een gezin met de eigen omstandigheden) òf een groep. Het is toch denkbaar dat de mensen vóór u behoren bij de zgn. „import”. Stadsmensen bijv. in een dorpsgemeenschap, of omgekeerd. Of men denke aan de randkerkelijkheid bij de categorie „kamerbewoners”. Luisteren kan ons zicht geven op een denkwereld die wellicht de onze niet is, maar waarin we dienen binnen te gaan, willen we op concrete vragen concrete antwoorden kunnen geven. Of willen we op het juiste moment bij-sturen of tegengas geven.

Er is dikwijls veel onbegrip van de kant van „de kerk”. Ook oprecht verdriet over kerk-verlaters en hun motieven. Maar tevens — laten we toch eerlijk zijn! — ook een vorm van verontwaardiging: „Dat gezin kost de kerk alleen maar geld…” Of: „Je moest ’es weten hóeveel tijd ik ai in die mensen gestoken heb; ik had beter anders m’n wijk in kunnen gaan… De trouw meelevende kerkleden doe ik erdoor tekort!” Hoe begrijpelijk dit alles ook is, het is duidelijk, dat we zó geen goede invalspoort krijgen!

— Gebeds-contact — Gebed — Contact

Bij randkerkelijken zullen we dienen te gaan op de weg die we ook gaan op de meer „normale” huisbezoeken: Ik bedoel het afsteken naar de diepte van geloof en gebed. Die intentie slaat pertinent niet als de bekende tang op het bekende varken. Integendeel: de achtergrond en de „achterkant” van zo u wilt: vlijmscherpe kritiek op dit of dat, is dikwijls een stuk geestelijke nood.

Die nood moet je wel analyseren en blootleggen. Zonder dat men zich laat weerhouden door gezegdes als: „Maar ik bid nog wel, dominee!”; „Ik zeg maar zo: kerkgang bréngt je er niet!” of: — jongelui, een paar jaar geleden belijdenis gedaan- „Ik kan wel wat beloven, maar… ik ben gewoon vreselijk slàp; ik weet het; d’r komt niks van terecht…”

Het moge lijken, dat je voor een muur staat… Soms is dat inderdaad ook zo. Maar ambtsdragers, die zich gedreven mogen weten door het „de liefde van Christus, mijn Zender, dringt mij!”, mogen zich daarachter niet bij voorbaat verschansen! Zij mogen niet denken „hun pastorale ei gelegd te hebben” als er maar wat over koetjes en kalfjes gepraat is, maar niet over het Lam!

Moet er — met het oog op de vervreemding — nog gezegd worden, dat er te méér gebedsvoorbereiding moet zijn voor de ambtsdrager?! Het gebed, dat de Heilige Geest ons onderwijze t.a.v. de woorden die we zullen kiezen en de houding die we aannemen, is al-lesbeslissend. Juist van daaruit kan men ingaan op het „Maar ik bid nog wel…”

Wat betekent dat voor de betrokkene? Welke consequenties heeft het?

Alleen maar: „Ikgeef ieder hetzijne… (vaak gevolgd door: Maarkijk dan ’es naar hem… Die gaat wel twee keer naar de kerk, maar intussen…”).

Zelfs hen, die jaren geleden belijdenis deden, moet men soms — na al die jaren het „abc” van het bidden weer aanleren. Omwille van het gebeds-contact van deze „verloren zoons en dochters”.

En als wij zelf geloven, dat de Heilige Schrift ons de spiegel voorhoudt, dan dienen we hen te laten kijken in de spiegel van de Bijbel. Je zult dan bij een heel ander Bijbelgedeelte uitkomen dan we ons eerst hadden voorgenomen!

Een ander element is het isolement waarin veel randkerkelijken zich zelf hebben gebracht. Steeds minder kerkelijke vrienden en steeds méér niet-kerkelijke. Hun gesprekken komen steeds verder bij geloof en kerk uit de buurt.

Al kunnen we hen geen aangeprate kennissen „op het dak sturen”, toch komt het mij voor, dat een pastoraal oog hebben voor elkaar, ons kan helpen te zien, welke mensen wel, en welke niet, samen het goede spoor kunnen vinden en volgen.

— Niet afschrijven

Elk mens krijgt graag aandacht, oprechte belangstelling. Dat steekt mogelijk ook achter de opmerking van randkerkelijken: „We zien nooit een dominee…” We kunnen ons er dan ook niet van af maken door te zeggen: „Kom dan maar naar de kerk; dan zie je hem…!”

Het mag er zelfs niet uitsluitend om gaan, de ander in de kerk te krijgen. Afgezien nog van het bedreigende, dat gevoeld wordt in een geirriteerd aanspreken op iemands deelname aan het kerkelijke leven, gaat het om die ander die „een ziel te verliezen heeft”. Die mens, dat concrete leven, die eeuwigheidsernst kunnen — als het ons echt ter harte gaat — in het huisbezoek zó ter sprake komen, dat je op een gegeven moment zegt: „En zou het nu niet vérder helpen, als we de volgende week doorpraten, maar dàn in het licht van de preek van de komende zondag…?”

Strengheid staaft misschien een ambtsdrager in het gevoel van: „Ik zeg ze tenminste de waarheid!” Maar overtuigen doet ze niet per definitie. Onze grote Zender nodigt en lokt door liefde. En dàt mag de kerk stempelen: deze liefde.

Een buitenkerkelijke drentelde in een kerkportaal heen-en-weer. Schuw keek hij naar mensen die kerkboeken van een plank haalden. Iemand kwam naar de man toe en zei: „Vooruit, wat wil je, d’r in of d’r uit?” Hij is nooit meer teruggekomen. Er was geen liefde, geen warmte, geen opvang.

Daarom snijdt een dosis randkerkelijkheid in eigen kerkelijk vlees.

Zoeken we die ander op in overtuigende liefde, dan moge er krampachtigheid wegvallen en plaatsmaken voor wegen-van-liefde en gespreksopeningen.

Gauw af-schrijven, letterlijk of figuurlijk, blijkt dikwijls verkeerd.

Niet vanuit de overweging „dat het z’n tijd moet hebben” of „dat het wel terechtkomt”… Nee, want wanneer één van uw eigen kinderen niet meer naar de kerk gaat, kent u als ouder de diepe pijn… Maar: we staan, als bezoeker, aan de sterkste kant! Wij geven elkaar het geloof niet. HIJ geeft het, wanneer het Hem behaagt.

— Iemand was me vóór

Zo krijg je soms het gevoel dat de Here je vóór was. Eer dan je zelf die deur binnenging. En dat bemoedigt de ambtsdrager. Die bidt. En er dan op af gaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.