+ Meer informatie

§ 6. De Vervolgingen.

5 minuten leestijd

Toen wij in § 5 de eerste gemeente behandelden, konden we alles nog wel overzien. De kerk stoad aan het begin en daar is alles doorgaans nogaf vrij eenvoudig er niet moeilijk te ontwarren.

Maar dat wordt van nu af aan steeds moeilijker en 't zal onmogelijk worden, om héél het leven der kerk te overzien. Het gaat zoo'n ruim veld beslaan, dat onze aandacht zich met één bepaald deel zal moeten bezighouden. Zoo bezien we voortaan , de kerk, zooals ze zich in den loop der tijden openbaarde in haar positie in de wereld, haar leer, haar eeredïenst, haar organisatie. We zullen wel zien, dat deze vier zich niet los van elkaar hebben ontwikkeld, maar voor de overzichtelijkheid dienen we toch die onderscheiding te handhaven, hoewel we natuurlijk steeds het verband, dat er bestaat, in het oog moeten houden. Het is daarom de bedoeling om, na de behandeling van elke periode, die op zichzelf min of meer een geheel vormt, een overzicht daarover te geven, waarbij aan de samenhang der dingen speciaal aandacht zal worden besteed. Als eerste periode in de K.G. kunnen we het tijdperk van de Pinksterdagen tot Constantijn de Groote betitelen. In jaartallen in dat: pl.m. 30— pl.m. 300. Deze periode kunnen we nog onderverdeelen in twee tijdperken: Het eerste behandelt het ontstaan der oude kerk, het tweede de uitbouw ervan.

Na deze inleiding zal 't jullie waarschijnlijk duidelijk zijn, dat we nü de positie der kerk in de periode pl.m. 60—180 gaan behandelen. En omdat die positie toen voornamelijk bepaald werd door de vervolgingen, vond ik bovenstaande titel het meest geschikt. Let er overigens op, dat je altijd een titel aan je onderwerp geeft, die erboven hoort. Het komt vaak voor, (en werkelijk niet alléén op J.V.'s), dat het onderwerp totaal anders is, dan de titel ons zou doen vermoeden! Maar als je wérkelijk studie gemaakt hebt van je onderwerp, zal 't je niet moeilijk vallen, het juiste opschrift te vinden.

Maar nu eindelijk ons onderwerp, want anders is het bovenstaande ook op déze paragraaf met zijn titel van toepassing.

Aanvankelijk zag men het Christendom niet als een zelfstandig iets naast het Jodendom, maar als een Joodsche secte. En, omdat het Jodendom een godsdienst was, die in het Romeinsche rijk geduld werd, gold hetzelfde natuurlijk ook voor de Christenen. Van den Romeinschen staat heeft de kerk dan ook in den eersten tijd niet te lijden gehad. De vijandschap en vervolging kwam toen van de zijde der Joden. Maar toen het Christendom almeer zelfstandig werd, zooals dat in § 5 geteekend is, verloor de kerk ook daarmee de betrekkelijke bescherming van den Staat, die ze genoten had, toen ze nog als Joodsche secte werd beschouwd. Haar positie werd volkomen rechtloos. De Staat ging hoe langer hoe meer het gevaar zien, dat van de zijde der kerk haar bedreigde. Want Christendom sloot heidendom uit en daarmee ook de bijna goddelijke macht des keizers, die hij verkregen had ten gevolge van de keizervereering. De houding der kerk is moedig geweest en ze heeft zich onwrikbaar en onbuigzaam getoond, toen het erom ging, of aan den keizer de macht toekwam, of aan Christus, als Koning der koningen. Beslist hebben de Christenen steeds geweigerd, om de offers aan den keizer te brengen. Terecht werden ze dan ook door de wereld als Staatsgevaarlijk beschouwd. Zoo had de kerk de haat te verduren van heidenen en Joden. En verschillende raaien werd een vervolging ontketend tengevolge van de woede van het gepeu-. pel, dat in allerlei rampen het oordeel der goden zag, die toornden tegen de Christenen. Voorloopig bleven die vervolgingen plaatselijk, later strekten ze zich over heel het Rijk uit. Toen waren er ook bepaalde regels, volgens welke de Christenprocessen verliepen. Van willekeurig werden ze dus stelselmatig en van plaatselijk algemeen.

De eerste vervolging door de heidenen is die onder Nero in t jaar 64. Het is wel zoo goed als zeker, dat Nero een groot deel van de stad Rome in brand gestoken heeft. Omdat de burgers hem van die gruweldaad beschuldigden, schoof hij die schuld van zich af op de algemeen gehate Christenen. Onder vreeselijke folteringen hebben toen vele martelaren den doodgevonden, ook Paulus en Petrus hoogstwaarschijnlijk en in de laatste jaren meent men met zekerheid ook hun graf gevonden te hebben.

Een volgende vervolging trof niet alleen Rome maar ook de klein Aziatische gemeenten. Wij weten o.a., dat Johannes naar Patmos verbannen is. Dat was onder keizer Domitianus, die van 81—96 regeerde.

Daarna wordt een bepaalde gedragslijn opgesteld. De stadhouder van de KI. Aziatische provincie Bithynié, Plinius geheeten, die den keizer om raad gevraagd had, in verband met de Christenprocessen, ontving omstreeks 1.12 van keizer Trajanus een staatsrechtelijke regeling. Hij mocht niet ingaan op aanwijzingen zonder handteekening: Hij, die iemand ervan beschuldigde, dat hij Christen was, moest dat dus openlijk doen. Verder moest men niet opzettelijk de Christenen opsporen, maar waren ze eenmaal aangebracht door een heidensch onderdaan, dan moesten de hardnekkige Christenen gestraft worden; degenen, die berouw hadden, moest men vrijlaten.

Zoo bleef het verscheiden jaren. Sommige keizers waren de Christenen vijandiger gezind, dan anderen, maar tot groote vervolgingen kwam het niet. De Romeinsche staat, het Romeinsche rijk, ging meer en meer te gronde aan verslapping en zedelijk bederf.

En ondertussehen kwam er een nieuwe macht op: de Kerk!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.