+ Meer informatie

Was de watersnood een oordeel van God?

Ds. M. Goudriaan: „Een falende verantwoordelijkheid van mensen kan heel goed samengaan met het werken van God in dit alles''

13 minuten leestijd

In christelijke kring werd de ramp van 1953 vrij algemeen als een oordeel van God gezien over de zonden van ons land. Het Nederlandse volk, dat zelfs door crisis, oorlog en verlies van overzeese rijksdelen niet tot bekering kwam, werd nu getroffen door een overstroming die aan meer dan 1800 mensen het leven kostte. Veertig jaar na de ramp dringt zich de vraag op waar we dan de huidige welvaart aan te danken hebben. Kan en mag een zo directe verbinding worden gelegd tussen zonde en oordeel, welvaart en zegen? Ds. M. Goudriaan van Arnemuiden doet een poging tot antwoord.

Met stelligheid werd in een hoofdredactioneel commentaar van Eilandennieuws, het "christelijk weekblad op gereformeerde grondslag voor de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden", een direct verband gelegd tussen de zonden van land en volk en de watersnoodramp als straf over die zonden. „De adem Gods heeft onze zeeweringen en dijken doorbroken. Dat mochten we leren verstaan. Het is de Heere die ons geslagen heeft in onze trots. Die getoond heeft dat de dijken waarop wij zo trots waren, Zijn macht niet konden weerstaan."

Twee uitersten
Ook buiten de achterban van de SGP ervoeren veel Nederlandse christenen de watersnood als een teken van Gods toorn over de zonden van het Nederlandse volk, die de maat der ongerechtigheid hadden gevuld. Aan de andere kant werd in verschillende kerkelijke bladen cynisch vastgesteld dat de vrienden van Job weer waren opgestaan. Ds. M. Goudriaan, hervormd predikant in Arnemuiden, ziet verschillende redenen waarom men in orthodox-christelijke kring de ramp van '53 zo concreet als een oordeel van God heeft gezien. De tijd: zo kort na de Tweede Wereldoorlog. De plaats: een van de behoudendste delen van Nederland. De omvang: meer dan 1800 doden.
Vindt u het terecht dat men heeft geprobeerd deze ramp te duiden?
„Dat is de centrale vraag, de duiding van de geschiedenis. Kan dat en in hoeverre kan dat? Ik zie twee gevaren. Aan de ene kant fragmentarisme, waarbij men een bepaald facet uit de geschiedenis licht en meent dat helemaal te kunnen verklaren. Er ook geen vragen meer bij heeft. Daar heb ik dan mijn vragen bij. Aan de andere kant is er het gevaar van agnosticisme: er valt niets van de Godsregering te zeggen. Beide uitersten hebben we te vermijden."
Zijn we geroepen om rampen in het licht van de Godsregering te plaatsen? „Jawel, we zijn geen deïsten. Dat betel<;ent dat we de roeping hebben om naar het sprelcen van God in de natuur en de geschiedenis te horen en daar bepaalde lessen uit te treklcen. Maar wel met de nodige voorzichtigheid. De vrienden van Job zijn hierin een waarschuwend voorbeeld. Heel opmerkelijk is dat de Heere tegen hen zegt: "Gij hebt niet recht van Mij gesproken".

Raadselen
Voor het leggen van een directe verbinding tussen een windhoos en een kermis die daardoor de lucht inging bent u wat beducht?
„Daar ben ik inderdaad bang voor. Na de moord op Willem van Oranje werd in de dom van Den Bosch een Te Deum gezongen. De nacht daarop sloeg de bliksem in de kerk. Protestanten zagen daarin Gods hand. Daar staat tegenover dat Lumeij op gruwelijke wijze aan het eind van zijn leven is gekomen. En Gorkum, dat een actief aandeel heeft gehad in de dood van de roomskatholieke martelaren, is jarenlang geteisterd door honger, pest en branden. Ziedaar de vinger Gods, zeggen rooms-katholieke geschiedkundigen. Deze feiten moeten ons in ieder geval voorzichtig maken om verbanden al te concreet te leggen."
Hoe moeten ramp en onheil dan wel worden geduid?
„Luther heeft sterk benadrukt dat God werkt in de geschiedenis, maar dat Hij dat doet op ondoorgrondelijk geheime wijze. Hij wijst dan op de raadselen in de geschiedenis en merkt daarbij heel treffend op dat de Heere voor de Zijnen het meest nabij is, als Hij het verst verwijderd schijnt te zijn. De Heere gaat wegen die voor ons totaal onbegrijpelijk zijn. Maar dezelfde Luther stelt, dat we in de geschiedenis de werken en wonderen Gods kunnen zien en dat het daarom nuttig is om de geschiedenis te bestuderen. Wat is hierin de juiste weg? Ik denk in dit verband aan een man als Habakuk, die geworsteld heeft met het raadsel van de geschiedenis. Hij heeft zijn vragen aan de Heere, maar belijdt tegelijk de almacht, de eeuwigheid en de rechtvaardigheid van God."

Prediker
Gaat Groen van Prinsterer u te ver met zijn vrij concreet duiden van gebeurtenissen in de geschiedenis?
„Groen van Prinsterer kan stellig zijn, maar ook heel voorzichtig. Terecht is erop gewezen dat hij nogal eens het woord "alsof gebruikt. Daarin proefje ook bij hem een bepaalde aarzeling om al te concreet te duiden. Een voorzichtigheid die gegrond is op de Schrift. Denk aan wat de Heere Jezus in Lukas 13 zegt naar aanleiding van het omvallen van de toren van Siloam. Ik denk ook aan het onderwijs van de Prediker: Enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze. In hoofdstuk zeven zegt hij zelfs: Er is een rechtvaardige die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze die in zijn boosheid zijn dagen verlengt. Dat is een raadsel waarmee Prediker heeft geworsteld. Maar direct daarop laat hij de vaak misbruikte woorden volgen: Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelf al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen? Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd? We zijn al te rechtvaardig en al te wijs als we menen elk gebeuren tot op de bodem te kunnen doorgronden. We zijn al te goddeloos en te dwaas als we denken dat God er niets mee te zeggen heeft. Het eerste zie je bij de vrienden van Job. Het tweede bij zijn vrouw."

Erg karig
Is het terecht dat opvallende gebeurtenissen als de watersnood -worden geduid als de hand Gods, terwijl dat niet gebeurt bij 1400 verkeersdoden per jaar?
„Het is op z'n minst begrijpelijk dat juist opvallende gebeurtenissen dwingen tot de vraag: op welke wijze is Gods hand hierin? Zo werd Augustinus min of meer gedwongen om zich rekenschap te geven van de val van Rome in 410. Daar danken we een van zijn hoofdwerken aan: "De civitate Dei". We lopen daarbij wel het gevaar dat we bepaalde geschiedenissen te veel isoleren van het geheel van de geschiedenis, daarin de hand Gods opmerken en de rest laten hggen. De Heere spreekt op allerlei wijze. Ik denk aan het woord van Paulus aan de Romeinen: Weet gij niet dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?
Door Zijn goedertierenheid roept de Heere evenzeer tot bekering als door een ramp. Zondag 10 eindigt met de geloofsbelijdenis dat alle dingen mij uit Gods vaderlijke hand toekomen. Dat is meer dan alleen een watersnood in '53. Ik wil heel nadrukkelijk vasthouden aan Gods hand in de ramp. Ik wil ook spreken over een oordeel van God over de zonden van het volk. Hoe voorzichtig we ook hebben te zijn, het verband tussen zo'n ramp en de zonde in het algemeen mag niet over het hoofd worden gezien. Maar laten we het daarbij, dan is ons spreken erg karig en mogen we ons wel afvragen of ook voor ons niet geldt: Gij hebt niet recht van Mij gesproken." Voor ds. Zandt was het bijna vanzelfsprekend dat op zo veel onhekeerlijkheid na crisis, oorlog en verlies van koloniën een nieuwe ramp moest volgen. „Met alle respect voor ds. Zandt, dat is me net iets te verklarend. Als je deze zaken logisch denkt te kunnen verklaren, kom je bovendien voor nieuwe vragen te staan. Hoe zie je dan de veertig jaar van welvaart na de watersnood?"

Meer dan optelsom
Sommige mensen worden getroffen door de ene slag na de andere. Daarin zal bijna niemand Gods slaande hand over hun zonden durven aamaijzen. Was de watersnood meer dan een optelsom van individueel leed?
„Ik denk het wel. Het geheel is ook hierin meer dan de optelsom van de delen. Het was een nationale ramp, waarin de Heere heel nadrukkelijk tot ons volk sprak. Er zijn wel overeenkomsten tussen de raadselen in het persoonlijk leven en de raadselen in de geschiedenis. Maar het is makkelijker om bij een watersnood een verbinding te leggen met de zonden van het volk, dan in persoonlijk leed met bepaalde zonden in iemands leven. Toch moeten we ook bij grote gebeurtenissen als de ramp behoedzaam zijn in het duiden van Gods handelen. We kunnen in de watersnood iets zien van Gods toorn over onze ongehoorzaamheid. Maar voor een kind van God kan het ook een kastijding zijn geweest. Voor een derde een middel tot bekering. De ramp kan zelfs tot verheerlijking van God geweest zijn, doordat getroffenen ondanks hun omstandigheden Gode lofzangen hebben gezongen, als Paulus en Silas. Ik wil hiermee aangeven dat er van zo'n groot gebeuren als de watersnood lijnen lopen naar het persoonlijk leven van duizenden mensen.

Verantwoordelijk
Welke plaats moet, naast de hand van God in de ramp, 'worden toegekend aan de menselijke verantwoordelijkheid? Deskundigen waarschuwden al jaren dat de kwaliteit van de dijken beneden peil -was.
„Het een sluit het ander niet uit. Een falende verantwoordelijkheid van mensen kan heel goed samengaan met het werken van God in dit alles. Waarbij het belijden van de voorzienigheid Gods onze verantwoordelijkheid niet uitsluit. Vroeger sprak men wel over de eerste en de tweede oorzaak. De eerste oorzaak ligt in God, de tweede oorzaak in allerlei omstandigheden en het doen en laten van mensen. In artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis vind je dat heel duidelijk terug, als gezegd wordt dat Gods macht en goedheid zo groot en onbegrijpelijk is, dat Hij zeer wel en rechtvaardig Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardig handelen."
Voor SGP-parlementariër ds. Zandt was de eerste oorzaak reden om onderzoek naar de tweede oorzaak af te raden. Is dat verdedigbaar?
„Zo'n onderzoek was goed geweest, al kan ik de angst van ds. Zandt begrijpen. In onze verwatenheid denken we in onze dagen van ontkerstening Gods hand uit de geschiedenis weg te kunnen duwen. Maar dan nog blijft staan dat de belijdenis van de voorzienigheid Gods de verantwoordelijkheid van een mens of een overheid nooit wegneemt. We moeten die twee niet tegenover elkaar plaatsen. Uiteindelijk wordt het rechte zicht op de voorzienigheid alleen gevonden in de levende omgang met de Heere. We doen wel eens of iedereen het geloof in de voorzienigheid kan hebben, terwijl een oprecht vertrouwen op Christus en Zijn werk het deel is van de uitverkorenen. Dat is levensgevaarlijk. We mogen Zondag 10 van de Heidelberger Catechismus nooit losmaken van Zondag 9."

Israël
Bij het leggen van een verband tussen nationale rampen en het oordeel van God, -wordt vaak verwezen naar het oudtestamentische Israël. Kan de historie van Israël zomaar worden toegepast op de geschiedenis van elk willekeurig volk?
„Nee, Israël heeft en houdt een aparte plaats onder de volkeren. De oudtestamentische geschiedenis van Israël is heilshistorie, waarin de Heilige Geest Zelfde gebeurtenissen duidt. We hebben in de geschiedenis van Nederland geen derde testament, hoezeer we er ook Gods hand in mogen opmerken. Dat is in de zeventiende eeuw misschien wei eens wat uit het oog verloren. Je kunt de lijn van Israël nog eerder doortrekken naar de kerk van Nederland dan naar het volk van Nederland. Ik zeg niet dat het onjuist was om naar aanleiding van de ramp in '53 de vinger te leggen bij bepaalde geschiedenissen van het volk Israël, maar dat vraagt wel grote voorzichtigheid en nauwgezetheid van exegese. Eerder zou ik een lijn willen trekken vanuit het boek Openbaring. Daarin zie je heel duidelijk dat het slaan van Gods hand vaak naar voren komt in natuurrampen."

Geen tegenstelling
In het Oude Testament wordt op het onderhouden van Gods geboden ook uiterlijke voorspoed beloofd. Ligt dat in het Nieuwe Testament niet anders? „Ik ben er verschrikkelijk huiverig voor om een tegenstelling aan te brengen tussen het Oude en het Nieuwe Testament. De overeenkomst tussen beide is van essentiële betekenis voor de reformatorische theologie. Ook in het Oude Testament is de verbinding tussen het onderhouden van Gods geboden en uiterlijke voorspoed niet vanzelfsprekend. Denk aan Psalm 73 en de Prediker. En in het Nieuwe Testament is die verbinding niet afwezig. Herodes komt op gruwelijke wijze aan zijn einde, omdat hij God de eer niet geeft. Wel is waar dat in het Oude Testament wat directer een verband wordt gelegd tussen het wandelen op Gods wegen en aardse zegen. Calvijn wijst erop dat de Heere in het Oude Testament Zijn kinderen de eeuwige zaligheid heeft willen afbeelden in tijdelijke beelden. In Christus heeft God zich ten volle geopenbaard. Je ziet dan ook dat het Nieuwe Testament meer en nadrukkelijker spreekt over de eeuwige zaligheid van Gods Kerk, het leven na dit leven. Tegelijk moet worden gezegd dat in Christus niet alleen de beloften zijn voor het toekomende, maar ook voor het tegenwoordige leven."

Zegen
Kan de welvaart die we momenteel beleven een zegen van God worden genoemd?
„Dat vind ik een verschrikkelijk moeilijke vraag. Ook hierin kunnen we het werk van God niet narekenen en past dezelfde voorzichtigheid als bij het duiden van rampen. Als we volop te eten en te drinken hebben, dan blijkt daarin de goedheid van God. Aan de andere kant moeten we niet al te makkelijk concluderen dat we de Heere mee hebben, als de dingen in dit leven voorspoedig gaan. In de jaren dertig hebben christenen in Duitsland Hitler gezien als een geschenk uit Gods hand, vanwege de materiële welvaart die hij bracht. We weten het vervolg."
Betekent dit dat we welvaart pas een zegen kunnen noemen als die ons aan God verbindt? In Rusland bijvoorbeeldzijn nualchristenen die constateren dat de communi tische verdrukking voor de kerk beter -was dan de huidige vrijheid.
„Daar ligt een ontzaglijk probleem. Je komt er nooit helemaal uit. Ik ervaar dat ook in het gebed. Mag je de Heere danken voor de vrijheid die Hij de kerk in het Oostblok gegeven heeft, terwijl je ziet dat die vrijheid geweldige geestelijke gevaren met zich meebrengt? Ik denk dat we de Heere mogen danken voor het verdwijnen van de vervolging. Zoals we ook mogen danken voor het feit dat wij niet in honger leven. Maar tegelijk past het gebed dat het ons niet tot een oordeel wordt. Neem de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Als de rijke man zijn ogen opslaat in de hel, krijgt hij van Abraham te horen: Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven. In uiterlijke welvaart mag je dus iets zien van het goede dat Gods hand geeft. Maar is zijn rijkdom hem nou tot zegen geweest? Uiteindelijk niet."

Geheimenis
Hoe verhoudt zich de bijbelse lijn dat het de rechtvaardige wel zal gaan, tot de lijn dat juist kinderen van God -worden gekastijd?
„Daar blijft een geheimenis in zitten. Zie ik de werkelijkheid om me heen, dan zeg ik: vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen. Maar in het geloof mag ik weten: wie op Hem betrouwt, op Hem alleen, ziet zich omringd door Zijn weldadigheên. Daar wordt soms in dit leven al iets van gezien. En het zal ten volle worden gezien als ik de erfenis mag ontvangen in de eeuwige heerlijkheid. Dan komen we terecht bij Romeinen 8. Die God liefhebben zullen alle dingen medewerken ten goede. Het geloof kent Hem als een rechtvaardig God. Moet het ons dan op een gegeven moment niet genoeg zijn, dat de Heere zegt dat Hij Zijn raad vervult. Habakuk gaat overwegen wie God is. Hij stelt zich op zijn wachttoren. Hij wacht op antwoord. Habakuk gaat vooral bidden. Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren.''

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.