+ Meer informatie

Rode bosmier houdt bladluizen als vee

Wanneer zij trek hebben in een zoete dronk, strelen zij de 'melkkoetjes' met hun sprieten

6 minuten leestijd

Mieren nemen onder de insekten een bijzondere plaats in door hun statenvorming en arbeidsverdeling. Hun leefwijze vertoont veel overeenkomst met die van de mens. Zij hebben een koningin, werksters en soldaten. Die hebben een duidelijke taak. Wie een mierennest bekijkt, krijgt de indruk dat de dieren doelloos door elkaar lopen. Achter dat nerveus lijkend gewriemel gaat echter een goed geordende mierenmaatschappij schuil. De ijver van de mieren heeft steeds de aandacht van de mens getrokken. Ook koning Salomo heeft blijkbaar met belangstelling naar hen gekeken. Hij verbond aan de ijver van deze diertjes een wijze les toen hij schreef: „Ga tot de mier, gij luiaard! Zie hare wegen en word wijs". In de Bijbelse Encyclopedie van Kok staat: „Er zijn weinig landen, waar mieren in groter menigte en vooral in groter aantal soorten voorkomen dan in Palestina".

Kolonievorming

Er zijn ongeveer 5000 soorten en ondersoorten van de mierenfamilie bekend. Sommige zijn nauwelijks een millimeter groot, andere zijn drie centimeter lang. Er zijn mieren met giftige De rode bosmier heeft sterke kaken. Foto E. P. Schouten van der Velden angels, maar de meeste bijten met hun sterke kaken een wondje en spuiten er een zure vloeistof in. Dat mierezuur veroorzaakt vaak een kleine blaas.

Mieren leven in kolonies. Het stichten van een nieuwe staat begint in de lucht, met de vliegende mieren. Uit een bestaande kolonie zwermen in de nazomer duizenden gevleugelde mannetjes en vrouwtjes uit. Tijdens die zogenaamde bruidsvlucht worden de jonge koninginnen bevrucht. Na de paring gaan de mannetjes dood.

Een bevrucht vrouwtje daalt op een willekeurige plaats en begint daar met de vorming van een nieuwe kolonie. Haar vleugels heeft ze niet meer nodig, dus die verwijdert ze eerst. Dat lukt vrij gemakkelijk, want die tijdelijke vleugels zijn slechts met een verdikking in een holte van het borstpantser bevestigd. Nu bouwt zij een kleine broedkamer en sluit zich daarin op. In de eerste cellen legt de jonge koningin enige eitjes. Die verzorgt zij tot de larven uitkomen. Deze worden gevoed met speeksel en met de stoffen die vrijkomen tijdens de afbraak van de overbodig geworden vliegspieren.

De eerste jonge mieren van de nieuwe kolonie zijn vrouwtjes. Die blijven door ondervoeding klein en onvruchtbaar. Dit zijn de werksters, die de taak van de koningin overnemen. De volgende larven worden beter verzorgd en gevoed. Zij ontwikkelen zich tot de normale grootte, maar zijn ook onvruchtbaar. Pas veel later, wanneer de staat haar volledige omvang heeft bereikt, verschijnen de gevleugelde mieren, die tot voortplanting in staat zijn.

Melkkoetjes

Mieren zijn verzot op zoetigheid en halen dat bij de bladluizen. Die boren hun snuit in een plant en drinken dan zo lang en gulzig van het sap, dat dit uit hun achterlijf komt. Die kleverige vloeistof wordt honingdauw genoemd. Voor de mieren levert dat lekker voedsel op. Het sap dat de luizen afscheiden is een suikeroplossing. De mieren zijn er dol op. Wanneer zij trek hebben in een zoete dronk, strelen zij de bladluizen met hun sprieten en drukken hun voorpootjes tegen het lichaam van hun 'melkkoetjes'. Die scheiden dan een flinke druppel zoetigheid af. Mieren worden daarom wel luizenmelkers genoemd.

De producenten van de zoetigheid worden door de bosmieren verzorgd en beschermd. Bij de concentraties zuigende bladluizen zijn altijd mieren die hen beschermen en andere die de honingdauw komen drinken. Volgens bosbouwkundig ingenieur Ton van Wijlen kweekt de rode bosmier op de dunste takjes van eikebomen grote bruinzwarte bladluizen, die nu en dan door hen naar een gunstiger plaats worden overgebracht. De bosmieren zijn dus echte veehouders.

Sociale maag

Er zijn veel insekten die in nauw contact met de mieren leven. Sommige soorten leven samen als vrienden; andere als parasieten. Ook huizen mieren met bepaalde insekten als buren in hetzelfde nest. De rode bosmieren hebben zelfs verdachte vrienden. Bepaalde soorten kortschildkevers worden door hen gevoerd en verzorgd. Zij krijgen op hun beurt toestemming om de klieren op de rug van die kevers af te likken. De vloeistof die wordt afgescheiden heeft ongeveer dezelfde werking als het beruchte LSD, dat kortstondige vreugde en langdurige narigheid veroorzaakt. De mieren schijnen ook min of meer aan dat enigszins verdovende afscheidingsprodukt verslaafd te raken.

Mieren zijn sterk sociaal voelend; zij verdragen het niet dat andere mieren'honger hebben. De werksters hebben bij hun normale voedsterinstinct een drang om elkaar te helpen. Zij beschikken over een zogenaamde voorraadmaag. Dat is een elastische krop in het achterlijf.

In een oud en sterk uitgebouwd nest van rode bosmieren kan wel een volk van een miljoen werksters huizen. Foto A. Schouten van der Velden die soms zo volgepropt wordt, dat de mier op springen staat. Wanneer zo'n voorraadmier een soortgenoot tegenkomt, perst zij een deel van de maaginhoud naar boven en geeft dat aan de ander. Zij steken hun koppen bij elkaar en betasten elkaar met hun sprieten. Tegelijk wordt het voedsel uit de voorraadmaag overgeheveld naar de hongerige gast. Wat in die voorraadmaag zit is algemeen bezit. Vandaar dat men daarvoor de naam "sociale maag" heeft bedacht.

Gezondheidspolitie ,

Mieren worden wel de gezondheidspolitie van het bos genoemd. Zij bestrijden een groot deel van het jaar allerlei schadelijke dieren, zoals dennèspinners, dennerupsen, snuitkevers en meer bedreigers van het bos. Daardoor hebben zij in de natuurhuishouding een belangrijke rol. Dit geldt vooral voor de rode bosmieren. Ton van Wijlen noemt ze de stofzuigers van het bos. Hij beschrijft hun activiteit als volgt:

„Het zijn de lijfwachten van boom en struik. Ze behoeden de planten ervoo bedolven te raken onder insekten die hen opvreten. Bosmieren hebben namelijk een niet te stillen eetlust, omdat er zo ontzettend veel larven in het nest zijn groot te brengen. Larven die voor een groot gedeelte gevoed moeten worden met vlees...".

Mieren verrichten hun taak zeer efficiënt en zonder schadelijke nevenwerking zoals de mensen met hun giftige bestrijdingsmiddelen doen. De rode bosmieren bestrijken een grote oppervlakte rondom hun nest, maar klimmen ook tot in de toppen van de bomen. Niets ontsnapt aan hun aandacht. Het nut van de mieren is zeer groot. Zij zijn de vrienden van de bosbouwer.

Van de rode bosmier kan in een oud en sterk uitgebouwd nest wel een volk van een miljoen werksters huizen. Men schat dat die per dag een buit van honderdduizend insekten aanslepen. De Canadese regering gaf in 1946 opdracht om vanuit Zuid-Duitsland de kleine rode bosmier naar Canada over te brengen. Tot die tijd kwam die daar niet voor. Nu is deze soort daar ingeburgerd. Mieren voelen zich in een ander klimaat snel thuis; zij beschikken over een groot aanpassingsvermogen en zijn zelfs tegen tamelijk grote klimatologische verschillen bestand.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.