+ Meer informatie

VRAGENBUS

5 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan: T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid

Correspondentie voor deze rubriek aan: I T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid

J. v. Pr. te A. vraagt of de bediening des Woords zich' alleen moet richten tot Gods volk.

Antwoord: en dienaar des Woords heeft zijn lastbrief te ontvangen, waarin geschreven staat: Zegt de rechtvaardige, dat hem wel gaan zal, wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan." Jes. 3 : 10 en 11.

Dat „wel" is een samenvatting van al het geluk, dat Gods volk ontvangt, hier reeds in de tijd en straks in de eeuwigheid en dat alles om Gods eeuwig „wel"-behagen. De Heere roept Zijn volk toe in Jes. 40: „Troost, troost Mijn volk, zal Ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden". En de dichter van Ps. 17 roept uit: „Maar ik zal Uw Aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal spreken." Het woordje „wee" drukt uit al het leed, al de ellende waaraan een goddeloze onderworpen is. „De vergelding zijner handen zal hem geschieden."

In Jes. 13, lezen we de ondergang van het goddeloze Babel en daar staat: „En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang • zijn als een barende vrouw."

Wat ligt nu meer voor de hand, dan dat de dienaar des Woords in elke predikatie zich wendt tot allen, die de Heere ootmoedig vrezen, maar ook tot hen, die« in onbekeerlijkheid voortwandelen.

Hij heeft wel degelijk de roeping het heil te prediken, dat in Christus is voor al Zijn volk, maar hij verzuime ook nooit in een tedere vorm en met een priesterlijk hart, onbekeerde mensen te vermanen en hun toe te roepen: „Gij slechten, hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen en de spotters voor zich spotternij begeren en de zotten wetenschap haten? "

Mej. G. K. te W. vraagt: „Zou het niet wenselijk zijn zo dikwijls als het woord „uitverkorene" gebruikt wordt er bij te voegen, „zondaar? "

Antwoord: Uw schrijven heb ik, geloof ik, begrepen en ik ben het met de strekking volkomen eens.

genade „zon-Gods kinderen blijven na ontvangen daren."

Hoewel zij krachtens het nieuwe, van God gewerkte leven een innerlijke begeerte hebben om kon het zijn naar al de geboden Gods met een volkomen hart te wandelen, worden zij maar al te zeer gewaar, dat ze met de dichter van Ps. 119 moeten klagen: „Hoe kleeft mijn ziel aan 't stof, maak mij levend naar Uw Woord."

Paulus, de hoogverlichte apostel, moet klagen: „Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam

dezes doods? " Evenwel is het ook waar, wat Petrus zegt in zijn eerste brief hoofdstuk 2 vers 9: „Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht."

Hoewel ik weet, dat sommigen spreken van uitverkoren zondaar, zoals Ds A. Rotterdam in „Sions roem en sterkte" bij de behandeling van art. XVII de vraag stelt: „Hoe brengt God de uitverkoren zondaar tot de staat der genade? " zie ik de noodzaak niet in er dit altyd bij te voegen.

Gods Woord zij ons tot een leiddraad en daarin lees ik: j { - I

„Opdat ik aanschouw het goede Uwer uitverkorenen". (Ps. 106 : 5.)

„Om Mijn uitverkorenen drinken te geven." (Jes. 43 : 20.)

„Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten." (Jes. 5 : 9.)

„Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorene Gods." (Rom. 8 : 33) enz.

U ziet wel, allemaal teksten (en er zijn er nog veel meer), waarin wel gesproken wordt van uitverkorene(n) zonder samenvoeging van het woord „zondaar."

J. N. te O. B. schrijft mij het volgende:

Rousseau beschouwt het kind als een rein engeltje (tabila rasa) en Darwin als een ontwikkelingswezen. Van de laatste opinie las ik dit:

Zijn recapitulatietheorie leert, dat in de ontwikkeling van het individu zich in een korte spanne tijds herhaalt de ontwikkeling van de ganse mensheid. Hier wordt geloochend de zondeval, erfzonde en schepping.

Dit schrijven omtrent de leer van Darwin is mij niet duidelijk. Wanneer u mij hierover kan inlichten, zoudt u mij zeer verplichten.

Antwoord: Het is niet Rousseau die de kinderlijke ziel bij de geboorte beschouwt als een: tabila rasa, doch John Locke. Volgens Locke is de geest bij de geboorte volkomen leeg en passief, „een onbeschreven blad papier" gelijk.

Rousseau echter gelooft in de oorspronkelijke goedheid van de menselijke natuur. „De mens is goed geboren, de maatschappij bederft hem." Rousseau loochent hiermee een der hoofdpijlers de Gereformeerde religie: de erfzonde.

Het door u aangehaalde citaat is niet van Darwin, maar van zijn leerling Ernst Hackel.

Het is de zgn. biogenetische wet en deze luidt precies: „De ontogenie is een verkorte en versnelde recapitulatie van de fylogenie." Of met eenvoudiger woorden gezegd: „Gedurende de ontwikkeling van het dier of mens voor zijn geboorte doorloopt het in korte tijd dezelfde toestanden, die zijn gehele stam in zeer lange tijd heeft doorgemaakt", om van allereenvoudigst wezen tot zijn tegenwoordige hoogte op te klimmen. De mens is dus voor zijn geboorte een poosje vis, aap e.d. geweest.

Hackel stelt zich hier op het zuiver evolutionistisch standpunt van Darwin, daarmee loochenend de grondwaarheden der Gereformeerde religie, zoals: schepping, zondeval en erfzonde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.