+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

53.

Opnieuw vraagt Getrouw het woord om nog dieper in te gaan op de kenmerken van het leven der genade. En Mondchristen moet zo maar niet afgestoten worden. Onderscheiden moet hij onderwezen worden vanuit de Schrift, opdat het innerlijk leven der genade hem recht en dierbaar zou mogen worden. Om vrij te zijn van zijn bloed mag dat niet verzuimd worden.

Maar behoefte heeft Mondchristen aan dat onderwijs niet. Het staat Getrouw vrij daarop dieper in te gaan. Zet hij er een punt achter dan is het ook goed, zo zegt Mondchristen hem. En die houding geeft toch wel enigermate onverschilligheid te kennen. Het is toch wel heel erg, als er zo goed als geen belangstelling meer is voor het onderwijs in de kenmerken van het nieuwe leven der genade. Maar desniettemin gaat Getrouw er dieper op in, het mocht nog eens vat op hem krijgen. Hoor maar: „Het werk der genade in de ziel van een zondaar openbaart zich of aan hem zelf, of aan degenen die hem omringen. Aan de mens, in wie het aanwezig is, wordt overtuiging van de zonde gewekt, vooral van de verdorvenheid van zijn natuur, en van de zonde van ongeloof; vandaar dat hij verzekerd is veroordeeld te zullen worden, indien hij geen genade vindt voor God door het geloof in Jezus Christus. Dit gezicht en deze ondervinding werken in hem smart en schaamte over de zonde; hij vindt daarenboven de Zaligmaker der wereld geopenbaard en gevoelt de volstrekte noodzakelijkheid om met Hem verbonden te worden voor zijn leven; zodat hij naar Hem begint te hongeren en te dorsten, aan welk hongeren en dorsten de vervulling toegezegd is van de beloften Gods. Naarmate het geloof in zijn Zaligmaker sterker of zwakker is, is ook zijn blijdschap en vrede, zijn liefde tot heiligheid, de begeerte om Hem meer te leren kennen en beter te dienen hier op aarde. Maar ofschoon, zeg ik, Gods werk zich aldus in hem ontdekt, is hij toch maar zelden in staat te besluiten dat dit een werk der genade is; omdat zijn inwonend bederf en zijn verduisterd verstand het hem moeilijk maken een juist oordeel te vellen. Daarom is er in degene, in wiens hart Gods genade werkzaam is, een zeer gezond oordeel nodig, alvorens hij tot de vaste verzekering geraakt, dat dit in waarheid het werk der genade in hem is. Aan anderen wordt het op deze wijze duidelijk:. Ten eerste door een belijdenis, op ervaring gegrond, van zijn geloof in Christus. Ten tweede door een leven overeenkomstig die belijdenis, n.l. een heilig leven, heiligheid des harten, heiligheid in het huiselijk leven (zo hij een gezin heeft) en heiligheid van wandel in de wereld. Het leert hem innerlijk de zonde haten en verfoeien en haar te weren in zijn huisgezin, en de wereld zoveel hij vermag alle onreinheid te weerstaan. En dat alles niet door er alleen over te spreken, zoals een huichelaar en een naamchristen doen zou, maar door zich in alle dingen te onderwerpen aan het gezag van Gods Woord.

En hebt gij nu iets in te brengen tegen deze korte omschrijving van het werk der genade en de ontdekking er van, spreek dan uw bedenking uit, en zo niet, sta mij dan toe u een tweede vraag te doen”.

Neen, nu wil Mondchristen nog geen tegenwerpingen maken, maar eerst horen. „Doe dus”, zo sprak hij tot Getrouw, „uw tweede vraag”.

„Welnu dan: Ondervindt gij het eerste deel van deze zaak bij u zelf en geeft gij in uw leven in uw omgang met de mensen getuigenis daarvan? Of bestaat uw godsdienst alleen in woorden en niet in de daad en in waarheid? Indien gij bereid zijt mij hierop te antwoorden, zeg dan niet meer, dan waarop gij weet dat God daarboven Amen zal zeggen; en niets meer dan waartoe uw geweten u vrijmoedigheid geeft; want niet die zichzelf prijst, maar die de Heere prijst, die is beproefd. En daarenboven te zeggen: Ik ben zo en zo, terwijl mijn daden en allen die mij kennen zouden getuigen: Dat is een leugen! Dat is zeer goddeloos!”

Hier wordt het vuur hem na aan de schenen gelegd. Mondchristen begint eerst te blozen, maar spoedig herstelde hij zich en hernam: „Gij komt aan met ervaring, met het geweten en met God, en gj beroept u op Hem om het door u gesprokene te rechtvaardigen, op dit soort van gesprek had ik niet gerekend; ik gevoel ook geen lust op zulke vragen te antwoorden, omdat ik mij daartoe niet verplicht gevoel. En indien gij uzelf gerechtigd acht mij te ondervragen, dan weiger ik toch u als mijn rechter te erkennen. Maar nu zou ik weleens willen weten om welke reden gij mij zulke vragen stelt!”

„Wel”, antwoordt Getrouw, „omdat ik bespeurde, dat gij zulk een grote neiging had tot praten zonder dat gij deze dingen werkelijk verstaat. En om u de gehele waarheid te zeggen: Ik heb van u gehoord, dat uw godsdienst alleen in woorden bestaat en dat de belijdenis uwer lippen wordt gelogenstraft door uw daden. Er wordt gezegd dat gij een schandvlek zijt voor de christelijke belijdenis en dat de godsdienst schade lijdt door uw wereldse wandel. Gij moet reeds verscheidene lieden een ergernis geworden zijn, zodat gij een oorzaak zijt voor hun verderf. Bij u gaat de godsdienst gepaard met drankhuizen, gierigheid, onreinheid, vloeken, liegen, zot geklap en wat dies meer zij. Het spreekwoord wordt aan u bewaarheid ’t welk van een lichtzinnige vrouw zegt: Zij is een schandvlek voor alle vrouwen. En zo zijt gij een schandvlek voor alle belijders”.

Op al deze beschuldigingen is Mondchristen niet ingegaan. Hij heeft dit korte en bittere afscheidswoord gesproken: „Daar gij zo gereed zijt allerlei kwaad gerucht op te nemen en zo overijld te oordelen, moet ik wel tot dit besluit komen, dat gij een gemelijk en naargeestig mens zijt, voor de omgang met anderen totaal ongeschikt. En dus - vaarwel!”

Hier heeft Mondchristen Getrouw vaarwel gezegd en dat woord heeft hier een zeer ongunstige betekenis. Het bevestigt de verbreking van alle gemeenschap. De levensboot der oprechtheid en der godzaligheid wordt door Mondchristen veracht. Hij vaart wetens en willens een geheel andere richting uit. Van de beleving des geloofs in oefening en beproeving wil de man niet weten, al is de noodzakelijkheid daarvan hem vanuit de Schrift ten volle duidelijk gemaakt.

Nu ging de Pelgrim weer tot zijn broeder: „Ik heb u wel gezegd, dat het zo gaan zou; uw woorden vonden volstrekt geen weerklank in zijn binnenste. Liever wilde hij uw gezelschap missen dan zijn levenswijs veranderen. Maar nu is hij heengegaan, gelijk ik heb voorspeld, en als hij verloren gaat, is het door zijn eigen schuld. Hij heeft ons van de last bevrijd langer in zijn gezelschap te verkeren, want als hij blijft die hij is (hetgeen ik wel vermoed) dan zou hij ons ook tot schande gemaakt hebben. De apostel zegt: Scheid u af van dezulken”.

Geheel vertrouwelijk zegt Getrouw tot zijn broeder: „Ik ben toch blij dat wij dit onderhoud met hem gehad hebben; misschien brengt het hem nog tot nadenken. Hoe het zij, ik heb met hem ruiterlijk gesproken en gehandeld over de allergewichtigste zaken die het geestelijke leven raken, zo dat ik vrij ben van zijn bloed als hij verloren gaat”.

En met deze bewogenheid heeft ook Petrus gesproken. Op het komen tot het geloof volgde bij Simon de tovenaar niet de beleving des geloofs. En door dat niet te zoeken daar hij de gave Gods door geld zocht te verkrijgen, moest hij de dierbare werkingen van de Heilige Geest derven. Hij werd een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid genaamd. Maar desniettemin werd hem door Petrus gezegd: „Bekeer u dan van deze uw boosheid en bid God of misschien u deze overlegging uws harten vergeven werd”.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.