+ Meer informatie

Karakter en geloofsbeleving

10 minuten leestijd

Actualiteit.

In onze ambtelijke arbeid gaan wij met mensen om. Het is belangrijk dat wij op de concrete persoon wat zicht hebben: hoe is hij?

Deze vraag is nl. ook hierom van gewicht omdat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen iemands karakter en geloofsbeleving. Het heeft een oorzaak waarom dit of dat geloofsgegeven bij hem niet uit de verf komt of aanslaat.

In dit artikel willen we de bovengenoemde begrippen wat belichten om in het volgende nummer enige aandacht aan de combinatie te besteden.

Het woord (begrip) karakter.

Het woord karakter is afgeleid van een grieks werkwoord dat inkrassen betekent. Een karakter is dan het stempelresultaat op munten en beelden.

Voor ons doen, verstaan wij onder karakter het kenmerkende, het specifieke, het individuele aan een bepaald mens eigen. Het is altijd psychisch gevuld. Lichamelijke eigenaardigheden worden buiten beschouwing gelaten.

Een enkele keer wordt het begrip verengd gebruikt: iemand is een karakter. Men drukt daarmee uit dat deze of gene een hele sterke persoonlijkheid is, een mens uit één stuk.

De ”geschiedenis” van het karakter.

In aanleg wordt het karakter ons bij de geboorte meegegeven. Een gevarieerd reactievermogen in aandoeningen, activiteiten en verwerkingen vormt daarvan de onderlaag, maar dan als een energetische lading. Niet minder belangrijk voor de hoedanigheid van ons karakter zijn de bloedbaan, de lichaamsbouw en het geslacht.

Het karakter moet evenwel gevormd worden. Allerlei factoren speien daarin een rol zoals opvoeding, milieu, leeftijd, school, werk, cultuuromstandigheden, volksaard enz.

Heel essentieel is de vorming in onze jonge jaren. De wijsheidsboeken Spreuken en Prediker onderstrepen dit terdege.

Nu stuiten we in dit vormingswerk ook op verkeerde bestanddelen, daar de zonde eveneens ons karakter heeft aangetast. Deze verkeerde karaktertrekken moeten worden gesnoeid, op dood spoor gerangeerd en als het kan helemaal worden weggenomen, zoals de goede elementen verstevigd dienen te worden, de sluimerende ontwikkeld en de onontdekte boven water gebracht. Bovenal hebben wij het werk van de Heilige Geest nodig. In de wedergeboorte vernieuwt Hij de gehele mens, dus inclusief zijn karakter. Deze wedergeboorte heeft haar onmiddellijk vervolg in de voortgaande levensheiliging waarin de Heilige Geest ons aan onze eigen karaktervorming doet werken. Er wordt nu gelouterd, gereinigd, verstevigd, ontwikkeld en aan het licht gebracht.

Natuurlijk blijven we ondanks de vernieuwing dezelfde persoon, b.v. in structuur, vitale overgave, in reactietempo. Wie naar-binnen-gekeerd is, wordt nooit een naar-buiten-gekeerde. Petrus wordt geen Johannes. We worden wel anders maar geen andere. Al treden er ingrijpende detailwijzigingen op, de grote lijnen blijven.

Waarop richt de Heilige Geest het? Hoe langer hoe meer worden we in onze situatie aan het beeld van de Here Jezus gelijkvormig (Hij als het ideale Ik!). We groeien almaar naar Hem toe.

Helaas blijft de zondige aard waartegen we te strijden hebben, ons leven lang. In Numeri 20:10 en 11 viel Mozes terug in zijn drift. Daarom komt er in dit leven aan de karaktervorming nooit een einde.

De kennis van het karakter.

Elk mens heeft een eigen karakter. Iedereen is uniek, apart, enig. Neem b.v. de twaalf discipelen. In de gemeenschap van de ”allen” is er de variatie van een ”ieder”.

Het kennen van het karakter is geen gemakkelijke zaak. Het is ten aanzien van jezelf al moeilijk, laat staan ten opzichte van een ander. Daar mag veel wijsheid liggen in de joodse, talmuduitspraak: ”Het best leert men iemands karakter kennen in geldzaken, bij het drinken en in toorn”, afdoend is deze regel niet. Niet altijd is duidelijk of een bepaald gegeven een grondeigenschap is of een gevolg van iets. Drift kan bij iemand behoren, maar zij kan ook een uiting zijn van moeheid.

Bovendien wordt niet ten onrechte de mens vergeleken met een vis die in een diepte van meer dan 200 meter leeft. Haal je deze diepzeevis naar boven, dan spat hij uit elkaar. Ook om deze reden zoeken meerdere psychologen naar een karakterleer die meer dynamisch (bewegend) is dan statisch (vaststaand). Een feit is echter dat je de medemens nooit tenvolle leert kennen. Daar zijn diepten die voor ons ontoegankelijk zijn of zich mysterieus openbaren. Nooit zullen we erin slagen de ander zoals hij werkelijk is, voor onze lens te krijgen. Daarom past ons in onze karakteromschrijving altijd een zeer grote bescheidenheid.

Nu wil men in de karakterkunde kennis nemen van het eigen-aardige van een bepaald mens of van een groep mensen in onderscheiding van de eigenaardigheden van een andere mens of van een andere groep.

Er bestaan diverse karakterleren met verschillende uitgangspunten. Geen enkele karakterleer bevredigt volkomen.

Meerdere karakterleren zijn typologieën. Men deelt in grote lijnen de karakters in in typen die op min of meer ideale wijze bepaalde afgegrensde primaire eigenschappen in zich verenigen.

Ik geef u aanstonds beknopt drie indelingen door, waarmee wij voor ons pastoraat het best uit de voeten kunnen. Nogmaals onderstreep ik dat je nooit kunt zeggen: zo en zo ben ik of is de ander precies. We zitten altijd ergens in de buurt van … Allen zijn een mengsel, met dit of dat als het overwegende.

Drie karakterleren.

A. SPRANGER. Hij deelt de mensen in naar de waarden die in het leven van die mens een centrale plaats innemen.

1. De theoretische mens. Het theoretische overheerst. Hij is meer de intellectualist. Hij stelt zich tegenover het gevoel en wat daarop een beroep doet afstandelijk op.

2. De economische mens. Hij richt zich op praktische, concrete waarden. Alleen dàt heeft zin. Hij is materialistisch, egoistisch ingesteld.

3. De esthetische mens. Hij zoekt een schoonheidsbevrediging. Hij staat steeds als in een theater.

4. De sociale mens. Voor hem ligt de hoogste levenswaarde in het daadwerkelijk gericht-zijn op de ander.

5. De machtsmens. Deze wil heersen. Daaraan maakt hij alles dienstbaar, desnoods via kunstgrepen.

6. De religieuze mens. Deze acht het ”religieuze” (bedoeld wordt de natuurlijke religieusiteit) de hoogste genieting. Hij streeft ernaar alles in eeuwigheidslicht te zien en zijn leven in de dienst van zijn godsbeeld te besteden.

B. HEYMANS. Deze (Nederlandse) wijsgeer en psycholoog deelt de mensen in naar emotionaliteit (e), activiteit (a) en secundaire functie (sf) als de drie meest kenmerkende eigenschappen. Deze grondbegrippen zijn als een eerste oriëntatie in de verschillen tussen mensen al van grote betekenis.

Heymans spreekt van emotionaliteit als het gevoels- en affectleven een sterke plaats inneemt in verhouding tot de oorzaken. De frequentie van die sterkte kan liggen tussen 0 en 10.

Dit geldt idem van de activiteit. Dit begrip wordt gebezigd als de doelgerichte geestelijke- of lichamelijke activiteiten in verhouding tot de motieven een belangrijke plaats innemen.

Bij de secundaire functie bevinden we ons op het terrein van het denken. Mens spreek van een primaire functie (-sf) als de voorstellingen en aandoeningen in verhouding tot hun belangrijkheid kòrt nawerken en van een secundaire functie ( sf) als ze làng nawerken. Bij de primair functionerenden doet het verleden zich weinig gelden, terwijl dat bij de secundair funetionerenden altijd actief is. Het wordt verwerkt. Zo’n houding tref je ook ten aanzien van de toekomst aan. De lieden van de primaire functie hebben weinig behoefte aan planning. Ze kennen geen vaste lijn en kunnen springen van de hak op de tak. De secundair funetionerenden stippelen voor zich de grote lijnen uit over een langere periode. Niet spoedig zal men op een nieuwe toer overgaan. Is men eenmaal een nieuwe weg ingeslagen, dat staat men er met zijn ganse persoon achter. Uiteraard kennen ook deze functies de sterkteschaal van 0 tot 10.

Door combinatie kwam Heymans tot acht typen waarvan er twee voor ons doen niet ter zake zijn. Achter de begrippen worden de bewuste afkortingen e, a en sf vermeld. Zijn ze er, dan met een +. Als ze niet aanwezig zijn, worden ze met een — ingeleid.

1. De nerveuzen (+e, −a, −sf). Men is sterk emotioneel, gevoelsmatig, onevenwichtig. Daar men zich niet in activiteiten kan ontladen en evenmin eerst iets op een rijtje zet, bestaat er een grote prikkelbaarheid. Angst en verdriet worden evenwel snel vergeten.

2. De sentimentelen (e, −a, sf). Ook zij zijn behoorlijk gevoelsmatig ingesteld maar niet onevenwichtig. Ze verwerken hun emoties diepgaand en zijn - mede door het ontbreken van activiteiten - heel sterk in zichzelf gekeerd.

3. De flegmatici (−e, a, sf). Dat is het zogenaamde koele, nuchtere menstype, veel voorkomend. Men werkt kalm, vastbesloten en met overleg aan de uitvoering van zijn voornemens.

4. De sanguinici (−e, a, −sf). Ook zij bezitten een soort koelheid. Ervaringen en emoties maken weinig indruk. Op een actieve, vlotte en ongeremde wijze zet men zich in. Door de afwezigheid van de secundaire functie lijken ze meer dan eens op kwikzilvertjes: ze stappen gemakkelijk over een moeilijkheid of tegenslag heen en kunnen zo heerlijk fladderen.

5. De cholerici (+e, +a, −sf). In veel sterke mate dan de sanguinici worden zij door emoties en gemoedsaandoeningen beïnvloed. De emoties worden echter niet innerlijk verwerkt, maar sporen aan tot een geweldige dadendrang. Niet zelden treedt men op dictatoriale en absolute wijze op.

6. De gepassioneerden (+e, +a, +sf). Dit zeldzaam type wordt gekenmerkt door een heftigheid en activiteit met een vaste lijn. Door de grote bezonnenheid werpt men zich met overtuiging op een zaak.

C. BAVINCK, J. H. Deze bekende gereformeerde hoogleraar komt vanuit een bepaald startpunt tot vijf menstypen.

1. De gewaarwordingsmens. Bij hem staat de bestendige gewaarwording in het middelpunt. Hij is een lijdelijk type en kijkt tegen de dingen aan. Hij houdt evenwel niet lang vast. Hij heeft iets onrustigs over zich.

2. De mnemische mens (komt van een werkwoord dat zich goed herinneren betekent). Deze mens hecht aan het verleden een overgrote waarde. Men gaat rugwaarts door het leven. Hij krijgt aan het nu houvast als het al voorbij is. Men lijdt een gesloten innerlijk leven.

3. De verbindingsmens. Hij zoekt zijn kracht in redelijke overleggingen. Het is een overwegend verstandstype. Hij moet zijn daad verstandelijk geloofwaardig maken. Hij vraagt dat ook van anderen. Daarom discussieert hij graag en veel.

4. De gevoelsmens. Het gevoel domineert. Bij onaangenaamheden trekt men zich snel terug. Men kan zich alleen in een sfeer van vertrouwen ontsluiten. Je ontdekt een passieve en achterdochtige opstelling tegenover derden en veel wat het leven biedt.

5. De wilsmens. Hij is de meest actieve, levende en scheppende van allen. Altijd legt hij het accent op wat hij doet c.q. gedaan heeft. Hij is een man van krachtige daden en heeft een afkeer van beschouwingen en woorden.

Hoe verschillend deze karakterleren ook zijn, er zijn heel wat overeenkomsten. Eigenlijk is dat geen wonder. We hebben immers te doen met dezelfde éne mens!

Het geloof.

Over het geloof kunnen we kort zijn. In de Bijbel is het geloof altijd een verhoudingsbegrip, een liefderelatie tot de Here God in Jezus Christus. Het is een hartelijke kennis van Gods welwillendheid jegens mij. Het geloof raakt heel je zijn. Het heeft ook handen en voeten.

Heel duidelijk verkondigt ons de Bijbel dat het geloof een gave van God is. Juist daarom kan het door elk karakter worden ontvangen, gelijk alle karakters worden opgeroepen tot de gehoorzaamheid van het geloof en alle karakters aanvankelijk reageren in een houding van onmacht en onwil. Nu is het geloof echter geen statische grootheid: het geloof gelooft. Dat is een werkwoord. De Schrift spreekt zomede herhaaldelijk in een zogenaamde participiumvorm: gelovende, dat is bezig zijn met geloven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.