+ Meer informatie

DE WAARDE VAN HET KERKVERBAND

8 minuten leestijd

In plaats van een artikel onder dit opschrift zou hier ook een kleine enquête hebben kunnen staan: een onderzoek hoe de lezers van dit blad, in hoofdzaak toch ambtsdragers en oud-ambtsdragers binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, het – ons- kerkverband laxeren. De vraag zou dan hebben kunnen luiden: ‘Welke waarde kent u toe aan het kerkverband?’ Er zou gekozen kunnen worden tussen ‘heel veel, veel, weinig of geen waarde’. Welke feeuze zou u dan maken? Is mijn inschatting verkeerd, wanneer ife veronderstel dat een vrij groot percentage zou kiezen voor ‘weinig? Ik baseer dit op een aantal min of meer actuele gedachten rond het ondenwrp.

STA-IN-DE-WEG

In het RD van 27 december 2010 schreef ds. W. Pieters, hersteld hervormd predikant te Garderen, een artikel onder het opschrift: Kerfeverbanden vertroebelen discussie ouer feerfeelijfee eenheid, een artikel dat niet onweersproken is gebleven in het RD. De schrijver doet daarin een paar krasse uitspraken over het kerkverband. Hij noemt het een veronderstelling wanneer men er voetstoots van uitgaat dat een landelijk kerkverband een Bijbelse zaak is.Vragenderwijs – dat wel-veronderstelt hij dat landelijke structuren een onzalig overblijfsel zijn van de roomse gedachte, zoals die in de dagen van de kerkhervorming heerste. Aan het slot van zijn artikel schrijft hij: ‘Van de on-Bijbelse synodale en andere bovenplaatselijke gezagsstructuren die in de derde eeuw van de kerkgeschiedenis door vleselijke mensen met ongeestelijke motieven zijn aangebracht, voelen wij nu nog de naweeën’. Hij pleit in zijn artikel voor de plaatselijke gemeente die plaatselijk eenheid zoekt op basis van Gods Woord, in liefde en wederzijds respect.

Zit ik er ver naast wanneer ik meen dat nogal wat gemeenteleden en ambtsdragers in onze kerken het eens zijn met deze stem uit de rechterflank van de gereformeerde gezindte? Misschien zonder elke zin in het artikel voor hun rekening te nemen, maar toch… Meer verbondenheid plaatselijk over kerkmuren heen dan in het landelijke kerkverband met gemeenten van het eigen verband. En is dat niet iets dat zowel ter linker- als ter rechterzijde in de Christelijke Gereformeerde Kerken zo ervaren wordt?

OECUMENE VAN HET HART

Vanuit een meer evangelische flank, gestimuleerd en gepromoot door de EO, heeft de uitdrukking ‘oecumene van het hart’ een bekende klank gekregen. De achtergrond van deze uitdrukking is een andere dan de achtergrond van waaruit collega Pieters schrijft. Maar ik stem in met een commentator die in het RD van 3 januari 2011 schrijft: ‘In feite lijkt ds. Pieters een aanhanger te zijn van de door de EO zo gepropageerde oecumene van het hart’. De uitersten raken elkaar al gaat het bij Pieters, wanneer ik hem goed begrijp, om plaatselijke gemeenten, terwijl het bij de evangelische stroming gaat om een persoonlijk je aan elkaar verbonden voelen, ook over kerkmuren heen, waarbij het niet meer van belang is tot welke kerk iemand behoort.

Weer vraag ik: zit ik er ver naast wanneer ik meen dat er onder ons nogal wat kerkleden gevonden worden, die het met deze gedachtegang helemaal eens zijn?

RELATIVERING VAN HET KERKVERBAND

In de derde plaats wil ik wijzen op een verschijnsel waarmee ik persoonlijk nogal eens geconfronteerd ben in de tijd dat ik predikant was van Utrecht-West (1999 2005). In die periode bezocht een behoorlijk aantal jongeren, studenten, verpleegkundigen en anderen onze kerkdiensten. Meerderen sloten zich bij onze gemeente aan, kornend vanuit de breedte van de gereformeerde gezindte, volgden de catechisaties en deden belijdenis. Een vraag die ik regelmatig te horen kreeg, was: wanneer ik hier belijdenis doe, verplicht ik me dan ook om christelijk gereformeerd te blijven, ook bij verhuizing naar een andere plaats met een Christelijke Gereformeerde Kerk van heel andere signatuur? We komen hier namelijk niet vanwege het naambordje op de kerk, maar vanwege de prediking die hier wordt gebracht en vanwege de warmte waarmee de gemeente ons ontvangt.

Ik vermoed dat deze ervaring niet alleen de mijne is. Sterker nog, werken wij als ambtsdragers zelf niet mee aan deze relativering van het kerkverband? Is dat niet een verschijnsel dat zich kerkbreed onder ons voordoet, al dan niet bij de gratie van de auto die ons de mogelijkheid biedt om mijlenver van de kerk te wonen? Hoe vaak wordt geadviseerd om zich bij een andere dan de plaatselijke gemeente of zelfs bij een gemeente van een ander kerkverband te voegen wanneer menser gaan verhuizen?

PROBLEMATIEK

Met dat laatste raak ik natuurlijk wel aan een problematiek in dit verband waaraan ik niet stilzwijgend voorbij mag gaan. Maken wij het elkaar niet erg moeilijk, door van het kerkverband een ‘rekverband’te maken? Is de geest van het individualisme en independentisme zover doorgedrongen onder ons dat wij menen dat wij onze gang kunnen gaan zonder rekening te houden met de zustergemeenten, waarmee wij immers in vrijwilligheid een verband hebben aangegaan? Zijn we ons bewust dat we ook verplichtingen hebben tegenover elkaar? Waar liggen de grenzen? Van één van onze emeritushoogleraren is het gezegde: het is niet erg wanneer een kerk vleugels heeft, want die hebben we nodig om te vliegen. Maar die vleugels moeten wel ergens aan vastzitten!

Waarin herkennen we elkaar? Wat zijn de christelijke gereformeerde familietrekken?

Wanneer we die vraag proberen te beantwoorden, komen we onherroepelijk bij de prediking terecht. Onze kerken hebben altijd gezegd dat wij geen aparte identiteit willen hebben. We willen slechts – nou ja, ‘slechts’? – kerken zijn naar Schrift en belijdenis, te herkennen aan een prediking naar Schrift en belijdenis, die we ook graag zo aanduiden: Schriftuurlijk-confessioneel. Dan kan er best een bepaalde ruimte zijn, bijvoorbeeld in de liturgie, maar dan herkennen we elkaar in de bediening van het Woord, waarin geestelijke leiding wordt gegeven en de vele wezenlijke noties van onze belijdenis tot klinken worden gebracht. Dan kan er wel verscheidenheid zijn; daarin schittert als het goed is iets van de veelkleurige wijsheid van God. Maar dan staat de boodschap in de ene gemeente niet haaks op de boodschap in een andere gemeente, zoals dat nu wel eens het geval lijkt te zijn.

DE WAARDE.

Wat is de waarde van het kerkverband?

De verleiding is groot om nu te letten op wat de Schrift zegt. Maar daar is in een vorig artikel al aandacht aan gegeven. Het zij mij vergund om nu alleen nog naar een paar centrale gedeelten te wijzen. Ik denk dan aan Handelingen 15. P. van de Breevaart schrijft in zijn reactie op het al eerder genoemde artikel van ds. Pieters: ‘Stel dat de christelijke gemeente niet in Jeruzalem haar eerste synode had gehouden, dan zou er grote onenigheid in de prille christelijke gemeente zijn ont-staan’.Te denken valt ook aan Openbaring 1, waar Johannes de zeven gemeenten, beeld van de kerk in de wereld ziet als gouden kandelaren in het midden waarvan Christus wandelt. Hij is het verbindende Middelpunt van de kerk die door Hem haar licht geeft. En Pieters kan wel schrijven over vleselijke ontwikkelingen in de kerkstructuur van de derde eeuw, maar aan kerkvergaderingen in de vierde eeuw, in het bijzonder het oecumenische concilie van Nicea, hebben we wel de prachtige belijdenis van Nicea te danken. En hoe zou de ontwikkeling in de Ne-derlandse Kerk van de Reformatie geweest zijn zonder de Nationale Synode van Dordrecht 1618/’19 met zijn besluit tot vervaardiging van de Statenvertaling en zijn verdediging van de leer van de vrije genade in de Dordtse Leerregeis? Ik hoef geen andere zaken te noemen om aan te tonen dat we echt kunnen spreken van de zegen van het kerkverband.

EN VANDAAG?

Laat ik een paar dingen mogen noemen, zonder volledig te zijn. Allereerst denk ik dan aan de opleiding van de dienaren van het Woord, waarvan onze kerken altijd hebben gezegd, dat ze moet geschieden door de kerk en voor de kerk. Nu in opdracht van onze generale synode moet worden nagedacht over de toekomst van die opleiding, is het niet toevallig dat de band tussen school en kerk prioriteit heeft in die bezinning.

In het vervolg van het voorgaande ligt de zegen van het kerkverband in de dienst aan elkaar bij het gezamenlijk bewaren van het Woord. Stel je voor dat elke plaatselijke gemeente dat afzonderlijk zou moeten doen, zonder hulp van het kerkverband. Denk slechts aan de vragen die momenteel om antwoorden vragen op het gebied van de hermeneutiek. Wanneer iedere plaatselijke gemeente een ant-woord zou moeten geven op het gebied van – ik noem maar iets – de plaats van de vrouw in de gemeente, de vragen rond homoseksualiteit en het pastoraat aan hen die anders zijn, de beoordeling van een Bijbelvertaling… het zou voor veel kerkenraden een te zware taak zijn en bovendien tot grenzenloze verwarring leiden, wanneer de ene gemeente tot heel andere inzichten en handelwijze kwam dan de andere.

Tenslotte wijs ik op de betekenis van het kerkverband bij de vervulling van de roeping om het Evangelie te verkondigen tot aan de einden der aarde. Hoe zouden kleine gemeenten – waarvan we er heel wat kennen in ons verband – die roeping moeten vervullen wanneer ze geen onderdeel uitmaakten van een kerkverband, waarin die gezamenlijke roeping gestalte krijgt?

Het zij zo dat het niet altijd gemakkelijk is om kerk te zijn in een verband, maar laten we het verband van onze kerken toch op waarde schatten en daar samen ook naar handelen.

Ds. J. Westerink (1939) is emerituspredikant van Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.