+ Meer informatie

VOORREKENEN OF NAZEGGEN? wordt het geheimenis van de maagdelijke geboorte in Zondag 5 en 6 ontrafeld?

8 minuten leestijd

ANTWOORDEN DIE VRAGEN OPROEPEN

Het lijkt bijna het resultaat van een kille rekensom. De uitkomst van deze som? Jawel, Jezus Christus ‘moest’ wel God en mens zijn. Zondag 5 van de Heidelbergse Catechismus snijdt al onze mogelijkheden af en uit. En dan klinkt de vraag:

Wat voor Middelaar moeten we dan zoeken?

Het antwoord?

Een Middelaar Die waarachtig en rechtvaardig mens is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen, die tevens waarachtig God is.

Dus: de Middelaar dient aan twee vereisten te voldoen. Zo sluit Zondag 6 bij Zondag 5 aan met de logische vervolgvragen inzake die twee vereisten.

(1) Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn?

(2) Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn?

Doet wat in deze Zondagen 5 en 6 van onze Heidelberger beleden wordt wel recht aan wat de Schrift zegt? Dat is de eerste vraag. En dan kan ook blijken of het werkelijk een kil voorrekenen is en Jezus de resultante van die som of dat hier juist het leven klopt van het nazeggen met hart en mond, in aanbidding. Daarna kan men nog nadenken over de vraag of het in onze tijd met andere woorden ook gezegd kan worden.

NIET WIJ, MAAR HIJ

Misschien is vooral dat woord ‘moeten’ de aanleiding geweest om in deze zondagen van de HC niet meer te lezen dan een droge redenering, waar geen leven in zit en die ver af lijkt te staan van ‘wat is uw enige troost beide in leven en sterven?’. Zeker wanneer daar ook nog de naam van Anselmus van Canterbury (1033-1109) mee verbonden wordt, dan lijken deze zondagen beter afgevoerd te kunnen worden. Deze geleerde filosoof en theoloog (aartsbisschop van Canterbury, 1093-1109) heeft enkele geschriften het licht doen zien die door de eeuwen heen pennen in beweging hebben gebracht. Zijn meest bekende boekje is Waarom God mens werd (Cur Deus homo?). Het grote verwijt aan zijn adres – overigens naar mijn mening ten onrechte – is dat hij met behulp van de rede Gods ‘heilsplan’ (mysterie) zou hebben proberen te ontrafelen. Daarbij zou hij ervan uitgegaan zijn dat je met behulp van logisch denken wel de antwoorden van de Bijbel zou kunnen vinden. Dit zou inderdaad een brug te ver zijn. Wanneer wij zouden gaan bepalen aan welke vereisten de Middelaar ‘moet’ voldoen dan gaat het echt mis. Want welke norm zouden we dan voor het woordje ‘ moeten’ willen gebruiken? Dan zou het wel eens kunnen dat onze rede de noodzakelijke voorwaarden gaat stellen waaraan de ‘kandidaat-middelaar’ zou moeten voldoen. Zo mag het niet: niet Hij moet in ons denkschema passen, maar wij moeten leren denken vanuit wat God over Zichzelf heeft geopenbaard in de geschiedenis. Anders gezegd: wij moeten – en mogen! – leren denken vanuit Gods ‘denkschema’. En met Gods ‘denkschema’ bedoel ik dan Romeinen 16:25-26: ‘Hem nu Die bij machte is u vast te doen staan, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis nis dat door de tijden der eeuwen verzwegen was, maar dat nu is geopenbaard en door de profetische Schriften onder alle heidenen bekendgemaakt is, naar het bevel van de eeuwige God, om hen allen tot geloofsgehoorzaamheid te brengen.’

Zo is er in de Schrift zelf sprake van het ‘moeten’. Dat is wat Jezus Christus Zelf zegt op de dag van Zijn opstanding. ‘Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. En Hij zei tot hen: Zo staat er geschreven en zo moest de Christus lijden en van de doden opstaan ten derden dage.’ (Luk. 24:45,46; vergelijk o.a. Han. 17:3; I Kor. 15:1-4).

De vraag is dus of in HC Zondag 5 en 6 nagesproken wordt wat in de Schrift staat. Is er in de Schrift sprake van een ‘moeten’? het antwoord daarop is bevestigend. Het is geen noodzakelijkheid waaraan God onderworpen zou zijn. Dan zou Hij aan vereisten moeten voldoen waaraan Hij onderworpen zou zijn en die dus hoger zouden staan dan Hijzelf. Dat is onmogelijk. Het ‘moeten’ is het heerlijke, Goddelijke ‘moeten’ van Zijn vrije welbehagen. Het heeft God behaagd Zijn Zoon als Middelaar - deze Middelaar: vere Deus vere homo - in deze wereld te zenden en zo de door de mens verbroken verbinding tussen hemel en aarde te herstellen op grond van de verzoening door Zijn plaatsvervangend lijden en sterven.

OMDAT HIJ, DAAROM WIJ

Er is een Middelaar! ‘Want er is één God, er is ook één Middelaar van God en mensen, de mens Jezus Christus‘. (1 Tim.2:5). We zetten niet in bij een programma van eisen dat door ons opgesteld is. Nee, men kan zeggen: ook hier gaat het om een ontvouwing van de enige troost uit Zondag 1. Hij is reeds beleden als ‘mijn getrouwe Zaligmaker Die met Zijn dierbaar (kostbaar) bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en uit alle heerschappij van de duivel verlost heeft’. We eindigen in Zondag 6 dus niet bij vraag en antwoord 18, maar dat is eigenlijk de inzet: niet wij bepalen vooraf de vereisten waar een Middelaar aan moet voldoen, maar we kunnen alleen ‘achteraf’ deze Middelaar bewonderen met wat in antwoord 16 en 17 over Hem beleden wordt. Wijlen prof. dr. J. van Genderen heeft er in zijn opstel ‘De Heidelbergse Catechismus in discussie’ (in de bundel Naar de norm van het Woord) op gewezen dat Ursinus in zijn Kleine Catechismus deze vragen opgenomen had bij het geloofsartikel ‘Ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria’. Dat zou de voorkeur verdiend hebben. Om het met een beeldspraak te zeggen: het blijft dan een beetje ‘warmbloediger’. Dan bewonderen we de navelstreng als het werk van de Geest, gave van de liefde van de Vader, aanvaard door de Zoon uit liefde tot het recht van de Vader en tot heil van zondaren.

Toch meen ik dat wanneer in de prediking over HC Zondag 6 aangesloten wordt bij de Schriftgedeelten die in de verwijzingen staan, deze Zondag ook onderwijst in de enige troost. Bij de vraag: Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn? Wordt immers verwezen naar Hebreeën 2:14-16. De kinderen zijn vlees en bloed deelachtig. Die kinderen zijn in doodsnood. De duivel als de ‘cipier van de dodencel’ moet teniet gedaan worden. Omdat Hij geen engelen aanneemt, maar zaad van Abraham moest Hij in alles aan Zijn broeders gelijk worden. Zo vervuld Hij Zijn dienst (‘de dingen die bij God te doen waren’) als de Hogepriester. Hier wordt ieder ‘denkschema’ doorbroken en mag juist gehoor gegeven worden aan de aansporing in het volgende hoofdstuk: geef nauwkeurig acht op de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis! Daartoe behoort ook het aanbidden van de Persoon van de Middelaar. Bij de vraag Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn? wordt verwezen naar Jesaja 53. Een lied van de lijdende Knecht des HEEREN.

MIDDELAAR – IMMANUËLRELATIEHERSTEL

God en mens zijn gescheiden door een onoverbrugbare kloof; tenminste wat de kant van de mens betreft. Een mens kan niet meer tot God naderen en God is aan geen mens verplicht tot hem of haar te komen. De Middelaar is van de kant van de beledigde partij, God, gekomen! De Middelaar behoort helemaal aan de kant van God en is helemaal aan de kant van de mens gekomen. In Hem is de kloof tussen God en mens overbrugd als een ‘brug’ over de kloof van de zonde. Deze ‘verbinding’ die Hij als Middelaar in eigen persoon is, is tot stand gekomen door als echt en rechtvaardig mens in de kloof van het oordeel af te dalen (antw. 16), het oordeel te dragen dat Hij alleen kon dragen (antw.17). Men zou bijvoorbeeld kunnen aansluiten bij de oorspronkelijke betekenis van de titel pontifex maximus, de Latijnse naam voor de hoogste priester (hogepriester). Het is weliswaar de titel die de pausen zich later toegeëigend hebben, maar het gaat om de betekenis van het ‘bruggen bouwen’. Wie nam in het initiatief voor de brug? De Vader. Wie is de brug? De Zoon. Wie maakt de brug? De Heilige Geest. Natuurlijk moeten er dan meer woorden gebruikt worden. Het is slechts bij wijze van illustratie.

Het kan in onze tijd nuttig zijn om naast het gebruik van beelden die wijzen op het herstel van de relatie tussen God en mens te wijzen op de functie die Jezus Christus vervuld als de Middelaar. Wie Hij is, blijkt uit wat Hij doet. Neem een concrete geschiedenis erbij, zoals de doop in de Jordaan en laat de vraag daar ‘vlees en bloed’ krijgen: ‘Waarom laat Jezus zich dopen met de doop der bekering tot vergeving van zonden’? En wat Hij doet, kan Hij alleen omdat Hij deze Middelaar is: echt en rechtvaardig mens én echt God. Ook hier wil de Schrift ons bij de hand nemen, bijzonder van Gethsemané naar Golgotha. Zo heilig is God, zo groot is onze zonde en zo oceaandiep onze ellende dat alleen God in eigen Persoon onze Redder kan zijn. Dat laat ook de onpeilbare liefde van God in Christus zien. Op de Paasmorgen treedt deze Redder aan het licht als de levende Heiland Die in Zijn gemeente Zichzelf in het midden plaatst.

In Zondag 5 en 6 wordt er niets ontrafeld en is het ook niet nodig een soort geheimschrift te ontcijferen. Het geheimenis mag beleden aanbeden worden dat ons in de Schriften is geopenbaard: God geopenbaard in het vlees.

Dr. Kater (1962) is universitair hoofddocent aan de TUA en doceert (gereformeerde) praktische theologie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.