+ Meer informatie

Van het Zendingsveld

3 minuten leestijd

19. De apostel der Indianen DDL.

Toen er hulp uit het moederland kwam sinds 1649 kon Eliot meer gaan doen. Na verloop van tijd waren er verschiller de dorpen ontstaan, waarin de Indianen op beschaafde wyze leefden. Toch hield de zendeling nog wel tien jaren vol om enkel te prediken. Pas in 1660 begon hij de sacramenten te bedienen. Welk een verschil met zovele zendelingen in vroeger en later tijd, wie het slechts te doen was en is om zoveel moge-lijk „bekeerlingen" te dopen.

Hoe gans anders deed de Roomse zendeling Xaverius. Hij liet de 12 artikelen, het gebed des Heeren, het Ave Maria in de taal der heidenen, waaronder hij werkte, overzetten en leerde die vertalingen uit het hoofd. Dan ging hij met de bel in de hand de dorpen door en verzamelde zodoende een grote menigte mensen, waaronder veel kinderen, die uit nieuwsgierigheid zich verzamelden. Dan leerde hij die saamgestroomde menigte een „kruisje maken", zei artikel na artikel in de landstaal op en vroeg dan na elk artikel of de mensen het geloofden. Na een toestemmend antwoord, werden ze in 't kort op het hart gedrukt, bij dit geloof te blijven en dan werden ze gedoopt. Als de doop maar bediend was, dan was de zaak gezond, op grond van de valse leer, dat de zaligheid aan de doop wordt verbonden en door de doop de gemeenschap met God wordt hersteld, wat Rome nu nóg leert.

Het verwondert ons niet dat Xaverius kon schrijven: „Het gebeurt mij vaak, dat mijn handen doodmoe worden van het dopen, want ik heb een heel dorp in één dag gedoopt, en door het telkens herhalen der 12 artikelen en andere zaken begaf mij mijn stem." Arme man toch!

Neen, Eliot ging van het standpunt uit, dat er eerst terdege moest worden onderwezen en dat de mensen ook op de proef moesten gesteld worden of ze ook meenden wat ze zeiden te geloven. Het was hem niet te doen om een grote schare dopelingen en avondmaal-gangers te krijgen.

Langzamerhand kwam nu ook de opleiding van Indianen tot predikant of onderwijzer aan de orde. Ook hierin werkte Eliot naarstig en nauwgezet. Nu kreeg hij van tijd tot tijd helpers, die hem bij het vele werk konden bijstaan en die, na zijn dood, het prachtige werkkonden voortzetten.

De schier onvermoeide zendeling vertaalde ook de Bijbel in het Mohikaans (de taal der Indianen). Verder kwam er een Indiaanse Psalmberijming door zijn tedoen en schreef hij een Catechismus en een Spraakkunst.

Zulke dingen zijn gauw genoemd, maar denk eens even in hoeveel uren arbeid hiermee gemoeid waren en welk een hoofdbrekens dat de man zal gekost hebben.

Het geheim van het slagen van deze reuzenarbeid schreef Eliot neer op het laatste blad van zijn Spraakkunst: „Geloof en vlijt, door het geloof in Jezus Chris-tus, vermogen alles."

Toen hij niet meer in staat was om uit te gaan als prediker en in zijn huis moest blijven, had de oude man nog geen rust. Hij verzocht de blanken om hun slaven naar hem toe te zenden aan huis om die zodoende te kunnen onderwijzen en hen bekend te maken met de enige Naam, die gegeven is tot zaligheid.

Na 44 jaren gearbeid te hebben onder de Roodhuiden, stierf Eliot op 87-jarige leeftijd, de 20ste Mei 1690. „Wees welkom, Vreugde, " waren zijn laatste woorden.

Eliot is het middel mogen zijn dat er ook Indianen tot de kennis Gods zijn gebracht en behoren tot die grote schare, die niemand tellen kan, uit alle natie en geslachten en volken en talen en die uitroepen met grote stem: „De zaligheid zij onze God, Die op de troon zit en het Lam!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.